Wilderness

Vertaling:

A Wilderness of sweets; for Nature here
Wantond as in her prime, and plaid at will
Her Virgin Fancies, pouring forth more sweet,
Wilde above Rule or Art; enormous bliss

John Milton, Paradise Lost, Book 5, 294-297

 

 

1

Uit schedels eten

Schichtig als waterbuffels schromen de regels
Bokkige woorden, “domme kudde”
Ik lok ze, ik sla ze met twijgen en stokken
Beelden die we niet letterlijk durven nemen
In de regentijd bij een ondergelopen waadplaats
Tot er één
ten einde raad
in het drab springt
En de strofe volgt dan zonder dralen
(“Koeien, buffels, over de grens gesmokkeld”)
Aan een rivier tussen Birma en Thailand

“Stoned als we waren, marcheerden de botten als
vanzelf” … met hun zwaard spleten ze de koppen en aten
de hersens

Jaren vergingen, ik zweeg
fragmenten
Woorden bleven aan ‘t prikkeldraad hangen
“Opgepakt”, “verhoord”,
verbannen woorden
Op mijn gesloten lippen
Onder deze zon, die zichzelf aderlaat
Zoiets als honger, als angst (ik ken het niet)
‘s Nachts aan het havenkanaal van Fiumicino
Een lucifer ontstoken aan roestige ogen
Het epos, naamloos,
dat een nieuwe aanloop neemt

 

2

Migrantenmorgen

Cádiz, de pens van de rubberboot
Op het strand geworpen, ik
De steen aan de oever op de hoogte
Door het kletsende water.
In de grote zomer
Mixer de nudisten met de vermomden
Who is who, het carnaval der culturen.

Waar wil deze mensheid heen en belanden en onder gaan?
Haar kille vervuilde stranden op deze afnemende maan.
Waar is die vaste grond, de warme aarde, waar
De voetzolen wonen,
ballen en tenen
En het lichtvoetig lijf zet stap voor stap

Beklimt de klippen over de stenen
Over mij heen en loopt op mijn hoofd
Als had het een doel, een kust, een zin.
De middag legt hen
plat, met z’n verschoning
Vereffent hun schaduwen op de calle mayor
Voert hen naar hun bestemming
met een krijtstreep.
Ze kijken mij aan, de Oceaanse ziel
Gericht op mijn karstige blik
Kadaver, kadaver, opgerold
In het dreunend dekzeil van de branding.

 

3

Twitterstorm

In je Eenboom wonend zomers
‘n Zandpad je adres, stoffige flarden gehesen
In de merellucht,
“asiel der zinnen”
Stromend water, bossages & weiden
Nog voor het opsporingsnet over de Cycladen /
In Bagdad’s bombodrom, een geur van munt
De zoete spijzen van ‘t seizoen

Ik ben verdord als een afgekapte olijfboom.
Digitale dwaas aan de electronische voetboei
De twitterstorm barst los, de mediawolk
Feiten fucked up ficties afgefakkeld
Een brandgang de toegang tot de werkelijkheid
Maatschappijen, wildernissen, ondoorgrondelijke
Prehistorie,
“postheroïsch” (: niet kredietwaardig)

Pound in ‘t warnet van Saint Elizabeth’s, Washington
Het vers nog in de wonde
usura, usury
Dat woekert dan pas in het kraambed
En de 1e Geldoorlog moet dan uitbreken nog.
Corporations aren’t people and money isn’t speech.
Het handgemeen in de parlementen, en mij
Rest slechts woordenwisseling, grote tegen kleine
En wat levert dat op,
zwijggeld.

 

4

Wilderness

Komend uit het moederlijf, in ‘t slib gezalfd
Ken je de sensatie van onstuimig bloed
Het kloppen van de duistere lagune, de geheime varens
Deze landtong, die de zinnen beweegt. Dichter
kan je het hart
Niet naderen, deelgenoot van schaamteloze lust
Bevreesd geborgen, in de Uteruszee.

Verdreven, naakt
trauma in ‘t heelal van
Je nietigheid: kan je die afkomst wel vergeten
De hoop, de lagune, randvol vruchtwater?
Uitwas, nu drink je de plas
kerosine
Op Airport Cape Town. Ik toon je

Een plek om te versmelten, afgelegen, toegedekt
Met een duinendeken, zout en gras
Aan de monding van de Touws River, Eden District
Waar de zeeën mêleren en alle wezens
Door het sop
gelikt
tot op de minerale bodem.
O veelheid, veelvormig, de wildernis van dat al
Nergens van verzekerd, “woelig”
Geen wet leert hen ‘t overleven
En ik bespeur weer de begeerte
Gemeenschappelijk,
het hoognodige, zonder dwang
Onbedaarlijke vrijheid.

 

5

Moe materiaal van de macht te zijn

Droomwandelaar langs ‘t mammoetpad naar de Seine
Goudader van utopieën
(: daar bij de PRINTEMPS)
Jouw hondenrondje voor de Muur, clochard
Met de Ostmark. Er sterven ook andere species uit
De Marcherende Mens enz., deze op gang
Gebrachte soort, dank zij dril …
Coňtinuéz!
Er valt hier niks te zien, bij het ongeluk, de MARKTSHOCK
Moe –
gepraat in het Collège de France. Verlaat
Je grot, encycloop met het googleronde oog
En verander
richtlijnig
in een barbaar

In het basiskamp, Puerta del Sol. … De betoogster
Ging tegen de grond, “ik ben zo moe”
(Zoals gezegd), en dit diffuze
moment bracht
Het hele complot der kennis op gang
Bij kilometer nul van de gramschap. Jij gehurkt
In de leeszaal
der thuislozen (Zhuang Zi …!)
Tussen opklapbedden en kapstokken, op sofa’s
Madrid du Wunderbare,
de boze burger
bezeten
Door ‘t precariaat. De monsterlijke sleep-in van de rede
Een Stilstaand Meer, de Spaanse Zee.

 


Naar de inleiding

 

Over de auteur:

Volker Braun (1939) is een Duits dichter, toneel- en prozaschrijver. Volker Braun werd in Dresden geboren en hoorde zo'n twintig jaar later tot de jonge dichters die in Oost-Duitsland de Lyrikwelle op gang brachten. In de DDR en later ook in de nieuwe Berlijnse republiek bleef Braun een uitgesproken politiek gemotiveerde auteur. Tegendraads in de mediale marges van de DDR, provocatief kritisch in het herenigde Duitsland. In september 2016 verscheen zijn nieuwste dichtbundel Handbibliothek der Unbehausten bij Suhrkamp in Berlijn.

Over de vertaler:

Jacques Schmitz (1946) is dichter, blogger en journalist en vertaalt poëzie uit het Duits en Engels. Hij publiceerde sinds de jaren '70 meerdere dichtbundels, journalistieke columns en ware verhalen, waaronder Potloden die niet kunnen (1984), 1989 – Het jaar voor de omwenteling (2014) en Over het Zingen (2016). Vanaf 1985 was hij Oost-Europa correspondent voor diverse Nederlandse media, met Boedapest als standplaats. Van 1995 tot 2009 was hij Duitsland correspondent voor het Radio 1 Journaal. Jacques Schmitz woont inmiddels al zo'n 25 jaar in Berlijn.