thema:

Zenuwachtig

Vertaling:

Ik ben al een beetje verzwakt, verwond, verdrukt, vertrapt, aangetast. Vijzels hebben mij verbrijzeld. Ik verbrokkel al een beetje, takel al een beetje af, ja, ja! Ik zak in en ben al een beetje aan het verdorren. Een beetje opgebrand en opgebruikt ben ik al, ja, ja! Dat komt ervan. Dat komt van het leven. Oud ben ik evenwel nog geenszins, tachtig ben ik evenwel nog geenszins, maar ik ben ook geen zestien meer. Heel beslist ben ik al een beetje oud en versleten. Dat komt ervan. Ik takel al een beetje af en verbrokkel, vergruizel al een beetje. Dat komt van het leven. Ben ik al een beetje afgeleefd? Hm! Dat zou kunnen! Maar tachtig ben ik daarom toch nog lang niet. Ik ben heel taai, dat kan ik zonder meer garanderen. Jong ben ik niet meer, maar oud ben ik ook nog niet, heel beslist niet. Ik verouder, verlep wel een beetje, maar dat geeft helemaal niets; heel oud ben ik nog niet, hoewel waarschijnlijk wel een beetje zenuwachtig en afgeleefd. Het ligt immers in de aard der dingen dat je mettertijd een beetje afbrokkelt, dat geeft helemaal niets. Erg zenuwachtig ben ik overigens niet, ik heb alleen wat grillen. Ik ben soms een beetje eigenaardig en grillig, maar ik ben daardoor hopelijk niet totaal verloren. Ik wil niet hopen dat ik al verloren ben, want ik zeg nogmaals dat ik ongewoon hard en taai ben. Ik houd vol en houd stand. Ik ben tamelijk onverschrokken. Maar ik ben een beetje zenuwachtig, dat ben ik ongetwijfeld een beetje, zeer waarschijnlijk ben ik dat een beetje, mogelijkerwijs ben ik dat een beetje. Ik hoop dat ik een beetje zenuwachtig ben. Nee, ik hoop het niet, zoiets hoop je niet, maar ik vrees het, ja, ik vrees het. Vrezen is hier meer op zijn plaats dan hopen, zonder twijfel. Maar angstig dat ik zenuwachtig zou zijn ben ik zeker niet, heel beslist niet. Grillen heb ik, maar angstig voor die grillen ben ik niet. Mijn grillen boezemen mij niet de geringste angst in. ‘U bent zenuwachtig’, kon de een of ander tegen me zeggen, en ik zou dan koelbloedig antwoorden: ‘Geachte meneer, dat weet ik wel, ik weet dat ik een beetje verzwakt en zenuwachtig ben’. En ik zou daarbij heel voornaam en heel koel glimlachen, waaraan de ander zich misschien een beetje zou ergeren. Wie zich niet ergert, die is nog niet verloren. Als ik mij niet erger aan mijn zenuwen, dan beschik ik ongetwijfeld nog over goede zenuwen, dat is zonneklaar en overduidelijk. Het is mij overduidelijk dat ik grillen heb, dat ik een beetje zenuwachtig ben, maar het is me net zo goed overduidelijk dat ik koelbloedig ben, waarover ik me enorm verheug, en dat ik vol goede moed ben, hoewel ik al een beetje verouder, verbrokkel en verlep, wat immers in de aard der dingen ligt en wat ik daarom heel goed begrijp. ‘Je bent zenuwachtig’, kon iemand mij komen zeggen. ‘Ja, ik ben enorm zenuwachtig’, zou ik ten antwoord geven, en ik zou heimelijk om die grote leugen lachen. ‘We zijn allemaal een beetje zenuwachtig’, zou ik misschien zeggen en om die grote waarheid hartelijk lachen. Wie nog lacht, is nog niet heel zenuwachtig, wie nog een waarheid verdraagt, is nog niet heel zenuwachtig; wie nog vrolijk kan blijven bij het aanhoren van iets pijnlijks, die is nog niet heel zenuwachtig. Of wanneer de een of ander tegen mij kwam zeggen: ‘Oh, jij bent hartstikke zenuwachtig’, dan zou ik heel gewoon hoffelijk en beleefd zeggen: ‘Oh, ik ben hartstikke zenuwachtig, dat weet ik.’ En de zaak zou afgehandeld zijn. Grillen, grillen moet je hebben, en je moet de moed hebben om met je grillen te leven. Zo valt er aardig te leven. Je mag geen angst hebben voor je eigen beetje eigenaardigheid. Angst is hoe dan ook dwaas. ‘U bent behoorlijk zenuwachtig!’

‘Ja, kom me dat maar rustig zeggen! Dankjewel.’

Zo of ongeveer zo zou ik spreken en daarbij mijn eigen stille, hoffelijke lol hebben. Laat de mens hoffelijk zijn, warm en goed, en als iemand hem zegt dat hij hartstikke zenuwachtig is, dan moet hij daar volstrekt niet van overtuigd zijn.

Uit: Robert Walser, De vrouw op het balkon en andere prozastukjes, Parrèsia: Amsterdam 2013.

lees meer:
Kleine voettocht
Treinreis

Inleiding op Robert Walser door Machteld Bokhove

Over de auteur:

Robert Walser (1878-1956) geldt als een van de grote Duitstalige schrijvers van de twintigste eeuw. In zijn prozastukjes betoont hij zich een meester in minutieuze observaties en lichtvoetige ironie. Zijn werk heeft menig collegaschrijver beïnvloed: tot zijn bewonderaars behoren onder anderen Franz Kafka, Robert Musil, Walter Benjamin, Hermann Hesse, Elfriede Jelinek en J.M. Coetzee.

Over de vertaler:

Machteld Bokhove (1949) is architecte en Robert Walservertaalster. Ze publiceert haar vertalingen op www.robertwalser.nl. Twee prozastukjes verschenen in 2009 in het tijdschrift 'Armada', en recent kwam een bundeling uit onder de titel 'De vrouw op het balkon en andere prozastukjes' (Uitgeverij Parrèsia, 2013). Momenteel werkt Machteld Bokhove aan een nieuwe vertaling van Walsers roman 'Der Gehülfe'.