thema:

Beelden die trillen. Over Marion Poschmann

In Goethes ballade ‘Erlkönig’ (1782) wijst het doodzieke kind, ijlend van koorts, zijn vader op de gestalte van de hem met de dood bedreigende elfenkoning. Zijn vader, in galop op weg naar een dokter, corrigeert hem nuchter: ‘Mijn zoon, het is een nevelsliert.’ Tussen de romantische, subjectieve visie van het kind en de verlichte, objectiverende visie van de vader gaapt een kloof. Voor visuele hallucinaties is in de nieuwe tijd geen plaats. Maar waarom zag het kind niet gewoon een nevelsliert?

‘Nevelbeelden’ – damp, wolken en andere meerduidige stimuli – spelen in Marion Poschmanns dichtbundel Geistersehen (2010) een grote rol. Twee cycli, ‘Glanz’ en ‘Dampf’, zijn autobiografisch. Ze roepen de wereld op van kuurbaden waar zij als kind met ademnood door haar moeder werd naartoe gebracht. Het etherische, vloeibare en ongrijpbare bepalen overigens heel de bundel en – daarmee samenhangend – de precaire status van het ‘ik’ als bewustzijn dat huist in een lichaam, een ding tussen de dingen in de wereld.

In het gedicht ‘vage inzichten’, dat aan de cycli voorafgaat, wordt een badkamerscène beschreven. Het lyrische subject betwijfelt of het wel bestaat, in die wereld van schuim en damp. Het ‘ik’ lijkt een waan vóór de witte tegelwand, het spiegelbeeld een onbekende. ‘het viel me licht, en toch – hoe maak je spiegelbeelden schoon? / het mijne vluchtte, het was slechts moeizaam naar mij terug te roepen / uit het blinde condensaat terug in deze kamertijd. // ik veegde uit wat was, ik zag me mild en milder. / ik lag daar opgebaard in mijn schemerjurk. / een grauw voorwerp waaromheen nevels gleden.’

Poschmann legt een voorkeur aan de dag voor (ik citeer enkele afdelingstitels van Geistersehen) testbeelden, stoorbeelden, spiegelingen, onscherpe seizoenen, drogbeelden en nabeelden. Ze lijkt ervan uit te gaan dat zonder beeldstoring en -vervaging geen betrouwbaar beeld tot stand komt: een beeld dat de complexiteit van de relatie tussen innerlijk en buitenwereld recht doet. Soms moet je daarvoor delen bewust vervagen, zoals Gerhard Richter op zijn schilderijen doet. Of zoals Francis Bacon het uiterlijk vervormen om je figuur innerlijke waarheid te geven.

Het gedicht ‘Zelfportret als Innocentius (naar Bacon)’ transponeert de verwringende schilderwijze in een navrante monoloog waarin de vergelijkingen lijken te ontsporen. De herkenbaarheid van het schilderij, een sterk staaltje van inleving, gaat over in vervreemding. Een zelfbeeld houdt slechts eventjes stand, klaar om te vervluchtigen. Ook ineen toeristische context waarin je verwacht dat het oog, geholpen door de zakelijk beschrijvende reisgids, zich op de pittoreske buitenwereld richt – de brug over de Moldau in Praag – brengt de weerspiegeling in het water een gevoel van depersonalisatie en derealisatie teweeg. ‘bij elk gutsen van het water / bevonden we ons in de kritieke positie van stukgetrilde / beelden’ (‘Heiligen op de brug, overvloeiende Nepomuk’).

De concentratie op het zien, los van de gewoonteblik, doet aan Rilkes personage Malte Laurids Brigge denken die ‘Ich lerne sehen’ als levensmotto heeft. Net als Rilke gebruikt Poschmann vaak vergelijkende woorden (‘als’, ‘alsof’, ‘zoals’ …), zij het met een belangrijk verschil. Bij Rilke werken de vergelijkingen verduidelijkend. Het zijn oriëntatiepunten om het ongewone voor ons denken begrijpelijk te maken. Poschmann hanteert ze (zie bijvoorbeeld ‘Mikado’ en het al genoemde zelfportret naar Bacon) om een te gemakkelijke identificatie met het vertrouwde te bemoeilijken. Denk niet te gauw dat je het ongrijpbare in handen krijgt.

Dat laatste vormt natuurlijk een raakpunt met de wat uitdagende titel Geistersehen, die niet esoterisch is bedoeld (‘geesten zien’), maar wel metaforisch. De alledaagse werkelijkheid wordt in Poschmanns gedichten transparant – niet, zoals in symbolistische of natuurmagische poëzie, als sluis naar eeuwige Ideeën, maar om de gelaagdheid in elke waarneming te tonen. Zintuiglijke prikkeling, ordenende hersenactiviteit, projectie van je innerlijk op de buitenwereld, interpretatie van de buitenwereld als weerspiegeling van je binnenwereld … ‘In het vreemde het eigene herkennen en in het eigene het vreemde.’ (Novalis)

De poëzie van Marion Poschmann leeft van fascinatie voor het zichtbare en van wantrouwen ertegenover. Ook als je zoiets vertrouwds als herinneringen wil oproepen, blijken die vol leemten te zitten. Ze zijn fragmentarisch, niet veel meer dan hallucinaties die er aanspraak op maken ‘waargebeurd’ te zijn (‘Herinneringen aan wat’). Misschien is de beste manier om een zelfportret te schetsen het te construeren als een geestverschijning, een synthetische hallucinatie, en tegelijk als het zwakke (na)beeld van wat je kan zijn geweest in de ogen van de anderen, die je, zoals Sartre zegt, tot object maken. Zo ontstaat het gedicht ‘Zelfportret als witte dame’: ‘het kind dat ik was […] / terugschrikkend voor zichtbaarheid’.

Er zit zowel melancholie als geestkracht in Poschmanns poëzie. ‘Vanitasgedachten overdag’: als de mens uit een paradijs verdreven is, dan is het dat van de kindertijd. Toen kon je zo opgaan in wat je zag dat je jezelf vergat, dat je het andere was. Het volwassen ik, gekortwiekt door het utilitaire en redelijke, ervaart een verlies: ‘al mijn kanten weggesneden / alsof ik alleen nog plek ben. amper plek, niet plek genoeg’. In de plaats ervan bezit het de winst van inzicht zoals je dat krijgt bij het dichten – en bij het lezen. Of zoals Poschmann in een interview zegt: romantiek (het poëtiseren van de wereld) en verlichting (de moed je van je eigen verstand te bedienen) sluiten elkaar niet uit.

_____________________________

De vertalingen die Erik de Smedt maakte van gedichten uit Geistersehen van Marion Poschmann staan hier.

Erik de Smedt (1953), vertaler en criticus. Recente publicaties: Ann Cotten, Alle zwanen heten Reinhard en andere gedichten (2011), Spiel auf Leben und Tod. Die Auferstehung des Konrad Bayer (2012).

Over de auteur:

Erik de Smedt (1953), vertaler en criticus. Recente publicaties: Ann Cotten, Alle zwanen heten Reinhard en andere gedichten (2011), Spiel auf Leben und Tod. Die Auferstehung des Konrad Bayer (2012).