thema:

Moeder en zoon met bolbliksem (1928)

Vertaling:

foto OP bolbliksem

Het lichtverschijnsel op de foto geeft aan de foto niet alleen haar algemene betekenis, maar is ook het ‘plaatsvinden’ daarvan in een bijzondere betekenis, als het ware met alle beslistheid, d.w.z. ook voor hersens die geen werkelijke betekenis erin zien, trachten waar te nemen of meteen in het schild voeren – nee, zoals hij over enkele hoofden heen springt, is de bol ook nauwelijks helder: behalve in contrast met dezen; wanneer hij, zoals de foto laat zien, ‘uit de diepte van de ruimte’ (zoals hij zich graag geciteerd ziet) op de sluiter afkwam, inderdaad van achteren dus, over hoofden heen die in een lens kijken, die in hun ogen te zien is, waarin immers een deel van het lichtverschijnsel geabsorbeerd wordt, iemand anders, teruggekaatst, de ontspanner machtigt om op het moment van ‘het plaatsvinden’ te klikken.

Toch is het mechanisme in relatie tot de foto nog niet zo eenvoudig. Doordat ten minste twee hoofden eraan deelhebben hoe van achteren komt wat zij van voren zien en wat hen van voren aankijkt, wat achter een lens allemaal bijeengekomen is, verschijnt het lichtverschijnsel als ‘kinderjaren’ (zenit), in die zin dat het doordat ten minste twee hoofden het teweegbrengen van tevoren al ter plaatse was, zodat niemand het zag komen en niemand meer ter plaatse zal zijn wanneer het komt – zo zal het zijn; en het is zinvol, tautologieën (bolbliksems) onder ogen te zien, omdat men immers alleen met open ogen kan beweren, dat het anders duister zou zijn. Duistere definities echter komen tevoorschijn, want later zijn ze voorbij.

Zo vraag ik me bijvoorbeeld af, of de knaap, die volgens het bijschrift van de foto (ommezijde) 0 tot 1 jaar oud is, deze foto eigenlijk wel een keer voor de eerste keer te zien heeft gekregen. Dat kan ik niet geloven, want hoe frequenter ik er een betekenis in zie, zelfs maar door van een lichtverschijnsel te spreken, des te vaker kijk ik me over mijn schouder in het gezicht. Het is een kwestie van tijd. Bovendien verbruikt het lichtverschijnsel een hoop verbeeldingskracht. De generositeit waarmee het uit het onnozele schuurtje naast het kippenhok komt, is omgekeerd evenredig aan de halveringstijd van zilvernitraat en duurt nu al 55 jaar, maar raast nog altijd op de foto af – daar is geen Hanomag tegen opgewassen. De jonge moeder heeft een pagekopje, de ouwe jongen poseert nietszeggend & fideel als crucifix; een pink steekt obsceen (theedrinkerig) omhoog; wat een Isenheimer! Deze scène had haar voorbeeld: Wachten op E.T.

Een logische vraag is nu: wat zoeken moederhart en broekenman met een bolbliksem in een Hanomag voor een kippenhok – anno 1928! Verhoogde activiteit veroorzaakt protuberanties. Dus ook een ransel, een rebus, een spierkoortssyndroom (regel van drieën): Flik de zon, flik de maan, maar flooi de liefduh. Onmiddellijk wordt er ontwikkeld, vergroot, bewonderd, vastgebonden. Wat op de foto ontbreekt, is de geaardheid. Momentje, waar is de windhond gebleven? Uit het oog, uit het zwart. Mijn theorie is zo slecht nog niet: Adam Riese, kreupelturnen, vraagteken

(gefascineerd), robben in de sneeuw – klik. In het hoofd verschijnt het negatief: Fritz Lang … Moeder laat haar tanden zien (rozenstruik). Jongen breekt woord (Hagen), de misthoorn klinkt. Achter het zwarte gat (materie) kakelt Siegfried, witte kingkongballen tussen de veren – Chronos eet Goya’s kinderen op. Van het een komt het ander.

Zij het tamelijk futloos. De foto flirt met de vlakte waarop ze ligt; de cognitieve neus (Eskimo) duwt zich plat tegen de gelatine – geen spoor van de Niagara (eerste naamval). In de volle luiers roert zich de vrije wil; we bevinden ons in een karos met tweetaktmotor. Zodra ik de foto ook maar een beetje scheef houd, verandert de hellingshoek. Ik vraag me af wat afgezien daarvan überhaupt tot ‘plaatsvinding’ komt. Het probleem voor recensenten van een lichtverschijnsel is onbelangrijk met het oog op de visie dat het er is.

 

 

______________________

Hanomag: kleine auto, product van de Hannoverische Maschinenfabrik AG.
Isenheimer: verwijzing naar het Isenheimer altaarstuk van Matthias Grünewald.
Adam Riese: zestiende-eeuwse rekenmeester, vergelijkbaar met onze Willem Bartjens.
Hagen: figuur uit het Nibelungenlied.

 

Zie het nawoord van Wiel Kusters bij deze vertaling.

 

Oskar Pastior

Oskar Pastior (1927-2006), Roemeens-Duits auteur en vertaler. Hij vluchtte in 1968 uit Roemenië en vestigde zich uiteindelijk in Berlijn. Hij publiceerde aanvankelijk in het Roemeens en later in het Duits en publiceerde tientallen boeken. In 2006 zou hem de Georg-Büchner-Preis uitgereikt worden. Dat gebeurde postuum, zeventien dagen eerder overleed hij.

 

Wiel Kusters

Wiel Kusters (1947) is dichter, essayist en honorair hoogleraar aan de Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen van Universiteit Maastricht. In 1985 publiceerde hij een door hem gemaakte selectie uit het werk van Oskar Pastior: Een Nederlandse titel (Querido). Daarop volgden tal van kleine creatieve samenwerkingsprojecten, waarvan er twee te vinden zijn in Oskar Pastior: Werkausgabe. Band 4 (Hanser, 2008): ‘Der Tanz der Schere’ en ‘Zonder weerga / Seinesgleichen’.

Over de auteur:

Over de vertaler: