Acht dingen om te weten over Yu Xiang en haar poëzie
- Yu Xiang geldt als een van de markantste figuren van de generatie Chinese dichters die bekend is als ‘post-1970’.
- Yu Xiang werd in november 1970 geboren in Ji’nan, hoofdstad van de noordoostelijke kustprovincie Shandong, en begon in 2000 te schrijven. In 2006 verscheen haar debuutbundel, Haqi (Uitademen).
- Yu Xiang doet weinig om op te vallen in Chinese literaire kringen. Overdag heeft ze een kantoorbaantje, en net zoals haar echtgenoot schrijft ze poëzie en is ze beeldend kunstenaar in haar vrije tijd. Publiceren doet ze spaarzaam; schrijven uit financiële overwegingen doet ze niet.
- Naar eigen zeggen vindt Yu Xiang haar leven weinig interessant en zelfs ronduit vervelend, maar ze zal beslist niet ontkennen dat precies daar een poëtische dimensie kan worden ontdekt.
- Uit Yu Xiangs werk blijkt een zekere bekendheid met een aantal Latijns-Amerikaanse auteurs, Elizabeth Bishop en Emil Cioran.
- Gespletenheid is een belangrijk kenmerk van Yu Xiangs poëzie. De dichteres is intens aanwezig in haar gedichten, en tegelijk voel je hoe ze met ironische afstandelijkheid zichzelf en haar poëzie waarneemt.
- Yu Xiang leest graag boeken over religie en spiritualiteit.
- Ziekte is een frequent terugkerend thema in Yu Xiangs poëzie. Vroeger hadden we mogen wijzen op het feit dat Yu Xiang in haar jeugd vaak ziek was of in ziekenhuizen verbleef, maar nu Westerse academici in de ban zijn van de opvatting dat het kunstwerk volledig los moet worden gezien van de biografie van de kunstenaar kan dat niet meer.
- Deze selectie kwam tot stand op basis van verscheidene Chinese blogs, een in 2015 verschenen Chinese papieren werkuitgave getiteld Xiang tamen yonglai (‘Naar hen opwellen’) en een tweetalige (Chinees-Engels) bloemlezing (vertaling Fiona Sze-Lorrain) getiteld I Can Almost See the Clouds of Dust (Hong Kong, 2013).
2002, ik heb
ik heb een deur, en daarop staat geschreven:
opgelet! misschien verdwaal je
ik heb een paar vellen papier, van de soort zonder ruitjes
gevuld met mijn onbedeesde zinnen
maar waar zijn de leuke momenten die ik heb gehad naartoe
ik heb een verschrompelde geldbeugel en een heel klein beetje talent
als ik een gehoorzaam meisje ben
word ik wellicht een goede dochter, een goede burger, een goede minnares
dan verlies ik mijn vrijheid en schrijf ik geen gedichten
maar ik ben een vies mens, met een paar vuile voeten en een goedkope sjaal
daardoor wordt mijn man een echte man
dat maakt hem gelukkig, dapper, plotseling verliefd op het leven
ik heb een echte man
ik heb armen om mee te omarmen
ik heb een rechterhand, om mee vast te houden weg te gooien vreemden aan te raken
ik heb een linkerhand, om mee te strelen en om mee te beminnen
maar waar zijn al die pijnlijke kwesties naartoe
die complicaties, overbodige sleutelbossen en formules
ik heb sigaretten die mijn longen zwart kleuren en mijn vingers geel
ik heb zelfkennis, ik heb fanatisme en ik heb ook wonden
ik heb elektriciteit, als je een pijnlijke schok krijgt word je blij
ik heb een schuilplaats, een brievenbus met een lang geheim nummer
ik heb pillen tegen zwangerschap en om beter te slapen
ik heb een telefoon, die rood is als begeerte
ik heb de gewoonte nummers te draaien, ringtones ben ik moe
waarom bel ik altijd naar een plaats
waar niemand antwoordt
ingehouden
een blad valt
in een hele nacht valt slechts een enkel blad
elke nacht in elk van de vier seizoenen van een jaar valt een blad
bladeren vallen
vallen. zonder hoorbaar geluid
als een mens die heel lang alleen heeft geleefd, en daarna sterft
lijdende persoon
de persoon in de spiegel lijdt meer dan ik
al haar lijden heeft met mij te maken
alsof ze ter wereld is gekomen om op mij te vitten
alsof ze het leuk vindt haar neus in mijn zaken te steken
ze ontdekt wat er mis met me is
een nieuwe rimpel of een nieuwe witte haar
een tand met een gaatje en mijn stinkende adem,
die ze niet op tijd wist te ontwijken, in haar gezicht
ach. te zware benen, te dikke kont
een trui waaraan een knoop ontbreekt
schoenen en kleren die niet bij elkaar horen, een al te schreeuwerige sjaal
deze haarsnit past niet bij dit gezicht
ach. dit gezicht is niet opgemaakt, huilt vaak. is opvliegend
lui, rookt, drinkt te veel, houdt van mannen
ze lijdt onder al die dingen
ze lijdt omdat ze niet weet of een gelaatsuitdrukking wijst op scheel zien
van de honger koorts bij een verkoudheid of verliefd zijn
ze lijdt omdat ik haar aanstaar
ze lijdt omdat ik doe alsof ze niet bestaat
ze lijdt omdat ik haar lijf schrob met een dweil
ach. wanneer ik lijd lijdt zij
en wanneer ik blij ben lijdt zij ook
de persoon in de spiegel lijdt meer dan ik
ze lijdt omdat ze als twee druppels water op me lijkt
ze lijdt omdat ze mij niet kan worden
een windvlaag
je klopt op mijn deur
als een man die stiekem een relatie met me wil
liefste, je mag openlijk en onbeschroomd mijn man worden
je mag openlijk en onbeschroomd om het even welk ding worden
je mag een sleutel zijn
binnendringen in mijn sleutelgat, mijn deur opendoen
je mag mijn wijnfles aan stukken slaan, mijn sigaretten oproken
plat op je buik op de vloer liggen als een hebzuchtige hond
wijn oplikken. liefste, je bent wel degelijk een hebzuchtige hond
je slaat dit boek open
en daarna dat boek
vlak bij de typemachine gluur je naar mijn weinig schitterende schrijfsels
je kunt niet wachten om mijn lichaam binnen te dringen. liefste,
je mag mijn lichaam binnendringen, door mijn spleet
mijn poriën gaan open, als een honingraat
je kunt binnendringen op plaatsen waar geen man naar binnen kan
je laat me voelen hoe leeg mijn lichaam wel is
hoezeer het gevuld wil worden. je mag me opvullen
je verbindt de kabels, laat de elektrische stroom binnen
op dit moment is mijn schreeuw beslist geen gejammer
ramen
de ramen waar ik aan denk zijn prachtig
omdat ze voorbijgaande taferelen omlijsten
van binnenaf bekeken is dat altijd het geval
ik weet niet hoe de mensen het buiten waarnemen
en ik wil het ook niet weten
mijn mama’s raam is op de negentiende verdieping
telkens wanneer ik het zie
denk ik: naar buiten stormen
mijn eigen raam is op de begane grond
het omlijst toevallige voorbijgangers
en iemand die opzettelijk hiernaartoe komt
mijn werkruimte is in het souterrain
het raam is een opening helemaal bovenaan
in een smalle kleine rechthoek
ik moet omhoog kijken
om rioolwater te kunnen zien, en aarzeling, en verlies
autisme
1
het ene oog volgt het andere oog in een trance
waarop het andere neerslachtig wordt
ze groeien op hetzelfde gezicht
verspreiden dezelfde hallucinatie
maar het ene kan het andere niet zien
2
wanneer ik dorst heb
heb ik nood aan een mond ter bevochtiging
om me te bevochtigen en te overtuigen
maar gewoonlijk zijn mijn lippen volstrekt bloedeloos
nagenoeg hetzelfde als mijn huid
ik laat ze zo, gebruik nooit lippenstift
3
ik verf mijn haren
verveeld en angstig, keer op keer
ik verf de haren die je zomaar kunt afknippen
verf tot ze verdorren verdorren verdorren
ik ben nog steeds aan het verven, hoor hoe iemand zegt
die persoon gaat zo verdwijnen
4
wanneer ik oud ben
is verlatenheid mijn met rimpels bezaaide lijf
eenzaamheid is het litteken van het mes op mijn onderbuik
het maakt dat ik me niet durf te ontkleden
of op iemand verliefd te worden
verten
ooit viel ik op
de weg die omhoogvoert naar Mount Everest
twaalf jaar later
vloog ik langzaam
van de top van de Himalaya
vanuit de verte die in de verte begon
wit en koud
ooit viel ik daar op
de hoogvlakte, mijn vingertoppen raakten de sterren aan
‘verte’ is het hoofd laten hangen. oogverblindend. bijtende kou
Tibet is een verte. Lumbini
is een verte verder dan Tibet
de kinderjaren zijn een verte
en ook de in donkerrood fluweel gewikkelde telescoop
tempels zijn een verte
en verliefd zijn. en de diepe zee. en een begraafplaats
en een boogscheut. en een mens
en een geest die het wereldse vaarwel zegt
ik ben naar vele vele verten geweest
nieuwe verten lieten oude verten achter zich
de echte verte
is op een verre plaats nog verder
die zwelgt in wat niet te zeggen valt
dokter minnaar
ongeacht het beroep dat je uitoefent
als je eenmaal mijn vriend bent
word je dokter minnaar
ongeacht het aantal verdwaasde ogen dat je hebt aangestaard
het aantal tanden dat je hebt getrokken
het aantal gaatjes dat je hebt gevuld
het aantal sarcomen dat je hebt weggenomen
het aantal harde stukjes waar je in hebt geknepen
ga dieper –
steek er stijve vingers in, buigtangen en naalden en vijlen
zachte vingers, antiseptische watten en geneeskundige extracten
dikke en dunne buizen die hard noch zacht zijn
en een grote stapel koude vingers
maatbekers en meetlatten en peilstokken en tongen
ga nog dieper –
zet de röntgeninstallatie en de voorhoofdlamp en het zaklampje in werking
als er geen gelaatsuitdrukking is
ben je een goede dokter
verscheur de overbodige recepten
ik heb je professionele toewijding nodig
ik heb je professionele ervaring nodig
bij een paar patiënten heb je ooit hemiplegie, spierkrampen, dementie en zelfs de dood
veroorzaakt
o zoveel mislukte operaties, omdat jij
geest met lichaam verwarde, je had de zenuwen niet moeten aanraken
en ze niet verkeerdelijk moeten aanzien voor de ziel
bijna een psychologische misdaad, een misdaad van wetenschap die kunst onderdrukt
een misdaad voor de wet. regels hebben nog nooit wonderen of schoonheden voortgebracht
psychologen zijn geen dokters
ik heb je vaardige vakmanschap nodig, niet je medelijden
als jij afweegt of ik al dan niet pijn zou kunnen hebben, snijdt
je scalpel vast op de verkeerde plaats
vraag niet welke ziekten ik vroeger heb gehad
als je eenmaal mijn vriend bent mag je niet meer op liefdespad
dokter minnaar, op dit moment zie ik
hoe je je mondmasker en medische handschoenen afneemt
je bent net bezig door middel van nieuwe bewegingen
je oude reputatie van geilaard weg te wissen
je loopt naar me toe:
gehuld in een zwart gewaad, in je handen een zak vol glimmende messen
tovenares
ik ben van gevorderde leeftijd. zou om het even wiens grootmoeder kunnen zijn
wanneer mijn rechterhand een masker omhooghoudt
houdt mijn linkerhand een hart vast, ik ben zonder enige twijfel
door de wol geverfd. als bezitster van antiek vakmanschap
scheer ik de pels van muizen. laat kandelaars ontploffen
word door luipaarden verzwolgen. ik laat straten kapotgaan van verdriet
uit elkaar gevallen mensen laat ik uit elkaar vallen
ik begrijp beschaamde rituelen
doe schoorvoetend afstand van wat ik koester. wanneer de zon opkomt over de bergen
en het midden van het podium verlicht
ben ik de traditie, door niemand overtroffen
wanneer ik de offerschaal in de lucht houd
spettert het geestenbloed erin over de rand. ik ben degene
die vernederingen in deze wereld verdraag
in de wereld van het denken ben ik de grootste wijsheid
het kleinste vernuft. verwissel linker en rechteroog
en genade en kwaad worden verborgen
maar op elk precies moment
meng ik tranen achter weefgetouwen
en verzamel het geld dat ik in ruil krijg
nu ben ik van plan om met pensioen te gaan
en een alledaagse onschadelijke persoon te worden
halve gedichten
zo nu en dan schrijf ik halve gedichten
ik ben nooit van plan ze te voltooien
een gedicht
is niet in staat me naar de dood te voeren
en evenmin is het in staat me als kostwinning te dienen
waarom zou ik het schrijven
met een gedicht kan iemand aan de haal gaan
iemand die je kent of iemand waar je niets mee te maken hebt
iemand die van je houdt of iemand die je moe bent
halve gedichten blijven bij jou