Wesens
Mij noemt hij ‘wesen’. ‘Wesentje, wanneer sie ik je weer?’, vraagt hij als ik me ’s avonds klaarmaak om de deur uit te gaan. Ik heb hem nooit zomaar durven vragen waar hij de letter ‘z’ had gelaten, of hij hem überhaupt wel bezat. Mijn schroom, een gevoel dat ons allen regelmatig overvalt, kwam me van pas. Ik begreep meer dan ik aanvankelijk had kunnen vermoeden. Aan de andere kant heb ik me er tot op heden evenmin toe kunnen zetten om hem naar veel belangrijkere zaken te vragen dan die ‘z’. Ik kon maar niet besluiten om bij hem te informeren waarom hij mij überhaupt zo noemde. Er is immers ook niemand die mij ooit ‘wezen’ heeft genoemd. Het begon me pas later te dagen. Misschien omdat ik geen wezen ben. Wezens zijn gewoonlijk geneigd om ogenblikkelijk over van alles een besluit te nemen en zich er vervolgens het … lees meer