Speelgoed
Ze hadden een heleboel speelgoed: tinnen soldaatjes, een teddybeer, een doosje dat kon zingen en een motorbootje. In het park haalden ze hun speelgoed tevoorschijn en legden het in het gras. De speelgoedbeer en het doosje dat kon zingen zetten ze op een parkbank, het motorbootje zetten ze in de vijver.
– Neem je speelgoed mee.
– Dan kunnen we samen spelen.
Dat zeiden ze. Dus ik bracht de bellenstok mee die je me gegeven had. Hij was gemaakt van een heleboel ijsblokjes aan koordjes, die tegen elkaar tinkelden als ik liep. Ik nam ook ijsvis mee die ik zelf had gemaakt. Ik vertelde hen dat mijn speelgoed een beetje wonderlijk was, dat ik het zorgvuldig met mijn eigen handen had uitgekerfd en dat het er elke keer anders uitzag. Maar ze konden het niet zien en ze geloofden het trouwens ook niet.
Onderweg naar het park was de ijsvis … lees meer