Voor Terras #21 ‘Jungle’ schref Mariolein Sabarte Belacortu een essay over een boek dat zij veertig jaar eerder had vertaald, De diepe rivieren van de Peruaanse schrijver José María Arguedas (1958, 1980 vertaald). Nu, na haar overlijden op 9 oktober 2026, herleest de redactie van Terras dit essay en nodigt u uit om hetzelfde te doen. Ondertussen hielden we ons bezig met een Quechua-vertaalcel, waar we Mariolein graag voor hadden willen inschakelen. Haar vertalingen blijven, net als haar erudiete kijk op Zuid-Amerikaanse literatuur.
De enige jungle waarin de Peruaanse schrijver José María Arguedas (1911-
1969) zich ooit heeft begeven is die van de havenstad Chimbote, die zo’n vier-
honderd kilometer ten noorden van Lima aan de Pacific ligt. Zijn laatste, niet
voltooide roman, El zorro de arriba y el zorro de abajo (‘De vos van boven en de
vos van beneden’) handelt over de invloed van de groeiende vismeelindustrie,
de buurten waar de arme vissers wonen in deze hete en chaotische stad vormen
het decor. Er wordt een menigte sprekende personen opgevoerd, van afstamme-
lingen van Afrikaanse slaven, tot inheemsen die Quechua of Aymara spreken,
tot Japanners, afstammelingen van koelies die ooit naar Peru werden vervoerd,
nakomelingen van immigranten uit heel Europa en een verdwaalde Noord-Ame
rikaan. In dit boek wordt het toppunt van de chaos beschreven die Arguedas
zijn leven lang in zijn land heeft waargenomen en die hem zijn leven lang heeft
beziggehouden. Al deze mensen spreken hun eigen soort Spaans, allemaal met
hun eigen verbasteringen. Het levert een enorm ingewikkeld conglomeraat aan
verhalen op dat moeilijk te begrijpen, laat staan te vertalen is. Daar komt nog bij
dat Arguedas, die een bijzonder gevoelig mens was, steeds vaker werd gekweld
door depressies, waar hij geen geheim van maakte. In dit boek zijn zijn persoon-
lijke brieven aan de uitgever opgenomen waarin hij uitlegt waarom hij het niet
langer volhoudt en geen andere uitweg voor zichzelf ziet dan de dood. In 1969
heeft hij de daad bij het woord gevoegd en zich in de universiteit een kogel door
het hoofd gejaagd. Het boek, zijn zesde, is in 1971 postuum uitgekomen. Het
is niet gewaagd om te zeggen dat hij zich het lot van zijn land en met name dat
van de oorspronkelijke bewoners, zo sterk heeft aangetrokken, dat hij eronder
is bezweken.
José María Arguedas komt ‘van boven’. Hij werd in 1911 in een stadje in de
Andes, Andahuaylas in de provincie Apurimac, geboren als zoon van een advo-
caat en een dame van stand, in een witte familie. De moeder overlijdt als hij drie
jaar is. Zijn vader heeft weinig op met het ‘elitaire’. Hij reist te paard de dorpen
en gehuchten in de Andes af waar hij vooral inheemse mensen bijstaat in hun
strijd tegen de grootgrondbezitters, hij blijft vaak maanden weg. In de eerste vijf
jaar na de dood van zijn moeder, wordt José María opgevoed door de inheemse
vrouwen die voor het huishouden zorgen. Zij spreken Quechua en leven volgens
hun eigen tradities, al wonen ze in het huis van een witte heer. Na die vijf jaar
hertrouwt zijn vader en komt er een stiefmoeder met een zoontje in Arguedas’
leven. Het zoontje pest hem zo veel als hij kan, José Maria is doodsbang voor
hem. De stiefmoeder wil niets met hem te maken hebben, ze vindt hem al ‘een
kleine indiaan’. Voor bepaalde mensen, en dat zijn er helaas niet weinig, is dat
een probleem: ze zien de inheemse bevolking als inferieur en als de oorzaak van
alle moeilijkheden in het land. Deze gedachte leeft tot op de dag van vandaag, al
begint er wel iets te veranderen. De stiefmoeder verbant de stiefzoon definitief
naar de keuken en zijn ‘mamachakuna’, moedertjes. Zij leren hem alles: hun
taal, liedjes, muziek, geloof, de omgang met de natuur, planten, bomen, vogels,
dieren in het algemeen. Hier wordt de basis gelegd voor de enorme belangstel
ling voor de cultuur van de inheemse bevolking en de liefde voor het Quechua
van Arguedas, die bepalend zullen zijn voor zijn leven.
Even een bijlesje: Peru is een land dat bestaat uit drie min of meer parallelle
stroken: de kust, de bergen en het oerwoud. De bergen, de Andes, spelen een
hoofdrol in Arguedas’ werk: al zijn boeken spelen zich af in de bergen. Pas in zijn
laatste boek daalt hij af naar de kust, die een beduidend minder grote rol heeft,
en het oerwoud speelt bijna helemaal geen rol. Van oudsher bewonen de regel-
rechte afstammelingen van de Spanjaarden en degenen die zich mengden met
de inheemse bevolking, de mestiezen, het kustgebied. De inheemse mensen,
afstammelingen van de Inca’s en talloze volkeren vóór hen, wonen in de steden
en dorpen in de Andes. In feite beslaat de Andes het hele continent Latijns-Ame-
rika, vanaf het zuiden van Chili, waar het smaller is en vrijwel onbewoond, via
Peru, waar het breder en veel dichter bevolkt is, loopt het naar het noorden van
Colombia, waar het zich over de hele breedte van het land in verschillende berg
ketens heeft vertakt.
In Peru zijn dus veel dorpen en steden in de Andes, met Cusco, de navel van de
wereld volgens de Inca’s, als de beroemdste stad. Toch zijn er altijd mensen uit
de bergen ‘naar beneden’ gegaan, naar de kust, met name naar Lima, op zoek
naar werk en inkomsten, en deze migratie vindt tot op de dag van vandaag in
steeds grotere mate plaats. Arguedas wordt op zijn achttiende door zijn vader
‘naar beneden’, naar Lima, gestuurd om te gaan studeren, hij kiest voor cultu-
rele antropologie. In Lima wordt hij geconfronteerd met de desinteresse van de
kustbewoners voor de landgenoten en hun cultuur in de bergen. Maar hij komt er
ook in aanraking met de literatuur van de zogenaamde indigenistas, mensen die
schrijven over het leven van de inheemse bevolking in de bergen, met belang-
stelling of medeleven, maar die dat leven niet uit eigen ervaring kennen. In de
eerste helft van de twintigste eeuw was er een grote afstand tussen de kust en
de bergen, slechte wegen, amper een trein, en dus reisden kustbewoners amper
naar het Andesgebied. De indigenistas schetsen een beeld ‘van buitenaf’, dat
naar Arguedas’ mening die bevolking geen recht doet. Uit verontwaardiging hier-
over besluit hij om zelf te gaan schrijven. Hij zal later in zijn land bekend staan en
geroemd worden, of verguisd, als de auteur die die wereld ‘van binnenuit’ heeft
beschreven, ook al is hij zelf niet van inheemse origine.
Als hij eenmaal heeft besloten te gaan schrijven, moet hij eerst een talige strijd
leveren: hij vindt dat hij die Quechua wereld eigenlijk in de eigen taal moet
beschrijven. Hij doet een poging, maar het resultaat bevalt hem niet. Uiteindelijk
kiest hij er toch voor om in het Spaans te schrijven, waardoor veel meer mensen
zijn boek zullen kunnen lezen. Toch laat hij allerlei termen in het Quechua staan,
die hij in noten onderaan de pagina uitlegt, specifieke Quechua scheldwoorden,
namen van bomen en vogels, et cetera. Zijn beroemdste roman, Los ríos profun-
dos is gepubliceerd in 1958 en verscheen in 1980 als De diepe rivieren in het
Nederlands. Hierin zijn alle thema’s te vinden die Arguedas zijn hele leven heb-
ben beziggehouden: de botsing tussen mensen, de inheemsen en de witten, de
rijke witte grootgrondbezitters en de arme inheemsen, en tussen geografische
gebieden, de bergen en de kust. Het boek is sterk autobiografisch, de hoofdper-
soon Ernesto, een jongen van veertien, had heel goed José María kunnen heten.
Het is meteen raak:
Ondanks zijn ouderwetse, smerige uiterlijk had men ontzag voor hem. De notabelen van Cuzco groetten hem heel ernstig. Hij liep altijd met een stok met gouden knop; hij droeg een hoed met een brede rand, waardoor zijn voorhoofd enigszins in de schaduw kwam. Het was ongemakkelijk om met hem door de stad te lopen, want voor alle kerken en kapellen maakte hij een knieval en hij nam opvallend zijn hoed af als hij de monniken groette. Mijn vader haatte hem. Hij had als administrateur op verschillende haciënda’s van de oude gewerkt. ‘Hij staat op de toppen van de heuvels te schreeuwen als een verdoemde, om zijn indianen te laten merken dat hij overal tegelijk is. De vruchten uit zijn moestuinen slaat hij op en laat ze verrotten; hij vindt dat ze te weinig waard zijn om ze naar Cuzco of Abancay te brengen en te verkopen, maar dat ze te veel waard zijn om ze aan de colonos (soort lijfeigenen) te geven. Hij komt vast en zeker in de hel,’ zei mijn vader altijd.
Ernesto is voor het eerst van zijn leven aangekomen in Cuzco, de stad waar zijn
vader is geboren. Ze zullen er een ver familielid bezoeken, El viejo, de Oude,
een grootgrondbezitter die in een immens huis woont, zijn inheemse personeel
slecht behandelt. De vader verafschuwt hem, wat er precies aan de hand is
komen we niet te weten. De Oude ontvangt hen in zijn huis, maar laat hen in de
vieze oude keuken voor het laagste personeel slapen, waarmee het wel duidelijk
is hoe hij over hen denkt.
‘De Oude,’ dacht ik, ‘die ontvangt ons zó!’ Ik voelde me niet ongelukkig in die kamer. Hij leek erg op de keuken waar ik gedwongen werd te wonen toen ik klein was; die donkere ruimte waar ik de goede zorgen, de muziek, de liedjes en het zo liefelijke gepraat van de indiaanse dienstmeisjes en de concertados
(knechts die voor een jaarloon werkten) in me opgenomen had.
Ernesto heeft zich enorm verheugd op zijn bezoek aan Cuzco, als oude hoofd
stad van het Inca-rijk, en gaat meteen op zoek naar sporen ervan.
Hier verschenen de bewerkte houten balkons en de indrukwekkende, harmonieuze deuromlijstingen en het perspectief van de tegen de helling omhoog slingerende straten. Maar geen enkele oude Inca-muur! Die uitstekende balkons,
de stenen omlijstingen van de voordeuren, de gebeeldhouwde portalen en de grote binnenplaatsen met bogen kende ik al. Die had ik al gezien onder de zon van Ayacucho. Ik speurde de straten af naar Inca-muren.‘Kijk eens naar de overkant!’ zei mijn vader tegen me. ‘Dat was vroeger een Inca-paleis.’ Toen mijn vader naar de muur wees, bleef ik staan. Het was een donkere, ruwe muur; in het licht hellende vlak was iets dat aantrok. De witte muur van de eerste verdieping stond loodrecht op de Inca-muur. De muur begon op een hoek. Hij liep langs een brede straat en ging verder in een smal, donkerder straatje dat naar urine stonk. Dat smalle straatje voerde een heuvel op. Ik liep steen voor steen langs de muur. Ik ging een paar stappen achteruit, keek naar de muur en liep er weer naartoe. Ik ging met mijn handen over de stenen, ik volgde de golvende lijn die even onvoorspelbaar was als die van de rivieren waar de rotsblokken zich verzamelen. Zo in het donkere straatje en in de diepe stilte was het net alsof de muur leefde, op mijn handpalmen vlamde de voeg tussen de stenen die ik had aangeraakt.
Hij vindt alleen restanten van de paleizen uit de Inca-tijd die niet helemaal wer
den afgebroken door de Spanjaarden, maar die ze als basis voor hun eigen hui-
zen en paleizen gebruikten. Die Inca-muren zijn anders gebouwd dan de latere,
Spaanse muren. Het zijn een soort stapelingen van uitgehakte rotsen die ze
zonder cement in en aan elkaar weten te laten passen.
In het huis van de Oude, dat drie binnenplaatsen achter elkaar heeft, ziet hij de
pongo, de laagste knecht van de haciënda. Ernesto zegt direct iets tegen hem
in het Quechua, maar tot zijn schrik antwoordt de man niet, hij durft niet. Pas
op het laatste moment, als vader en zoon weer vertrekken, zegt hij een paar
woorden tegen de jongen:
De Oude gaf me een hand. ‘We spreken elkaar nog wel,’ zei hij. Ik zag dat hij tevreden was. Een eindje verderop stond de pongo tegen de muur geleund. Door de scheuren in zijn hemd zag je een gedeelte van zijn borst en zijn arm. Mijn vader was al op de vrachtwagen geklommen. Ik ging naar de pongo toe en nam afscheid van hem. Hij was niet zo erg verbaasd. Ik sloeg mijn armen om hem heen maar drukte me niet tegen hem aan. Hij wilde glimlachen maar kreunde slechts, terwijl hij in het Quechua uitriep: ‘Je gaat alweer weg, m’n jongetje, je gaat al weer weg! Je gaat al weer weg!
Ook een mager struikje op de tweede of derde binnenplaats wekt Ernesto’s
belangstelling en medelijden. Het is een cedrón, een heerlijk ruikende plant van
de verbenafamilie, die door de inheemse mensen voor medicinale doeleinden
wordt gebruikt. Als vader en zoon weer doorreizen, terug naar huis, observeert
hij de roofvogels, allerlei kleine vogels, de bomen en hun bloemen, de talloze
soorten rotsen in de rivieren onderweg. De titel van het boek slaat trouwens
niet op de diepte van rivieren maar op de diepe kloven en dalen waar ze door-
heen stromen. Om bij die rivieren te komen moeten enorme afdalingen worden
gemaakt. Beneden aangekomen luistert Ernesto naar de klank van het stromen-
de water. Overal hoort hij muziek … Je wordt als lezer een onbekende wereld
ingetrokken met bijna duizelingwekkende beschrijvingen.
De diepe rivieren zou je een Bildungsroman kunnen noemen. Uitgebreid wordt het
leven van Ernesto op het internaat bij de paters beschreven, waar het standsver
schil of het raciale verschil ook weer een grote rol speelt en tot gewelddadige uit-
barstingen tussen de jongens leidt. En op een dag komen de indiaanse vrouwen
in opstand omdat er geen zout meer is en ze ontdekken dat het wordt achterge-
houden in de opslagplaats. Ze gaan erop af, stelen het zout en delen het onder
elkaar uit. Maar ze gaan het ook naar de armste mensen op de haciënda, iets
buiten de stad, brengen. Ernesto gaat met ze mee. Maar die haciënda-indianen
willen het niet aannemen, doen het uiteindelijk toch. Er komen soldaten en die
halen het zout weer op, de orde moet worden hersteld. De jongen Ernesto loopt
tussen alles door, observeert en probeert te begrijpen wat er allemaal gebeurt,
hier bij die zoutopstand, maar ook op school tussen de jongens, met de paters
en in het dorp. In zijn pogingen vat te krijgen op het leven gaat hij er vaak van-
door, naar de rivier om die te raadplegen.
Daarom rende ik op zondag altijd haastig de school uit om door de velden te gaan lopen en me te bedwelmen met het vuur van de vallei. Ik liep de weg door de suikerrietvelden af, op zoek naar de grote rivier. Hoe meer de weg naar beneden ging, hoe stoffiger en heter hij werd. Er stonden zoveel pisonayes dat het bijna bossen leken. De molles [peperbomen, maar deze vertaling heb ik pas jaren later gevonden, MSB] waren hier hoog en dik.
De molle, die in de lauwwarme bergen doorzichtig is, met rode, muzikale bessen die tinkelen als belletjes als de wind erdoorheen blaast, was hier in de hete vallei een hoge, dichtbebladerde boom vol stof en als het ware loom van de slaap en zijn vruchtjes waren bijna onzichtbaar door het stof. De boom was, net als ik, bedwelmd door de dikke kalkdroge lucht. Precies op het moment dat ik me het loomst en bedroefdst voelde, was ik er. Ik ging op de rand van de grote brug naar de rivier staan kijken, terwijl ik tegen een van de stenen kruisen leunde die boven op de middelste pijler zijn vastgezet. De rivier, de gevreesde Pachachaca, komt daar met een bocht tussen gladde rotsen door, onder een steile wand langs waar alleen slinger planten met blauwe bloemen groeien. […] Ik wist niet waarvan ik het meest hield, van de brug of van de rivier. Maar allebei verlichtten ze mijn ziel, lieten hem volstromen met kracht en heldendromen. Zij wisten alle jammer klachten, twijfels en boze herinneringen uit mijn gedachten weg. En dan ging ik als nieuw, weer tot mezelf gebracht naar het dorp terug.
In de latere roman Todas las sangres (1964), in 1988 vertaald als De wegen van
het bloed, die zich ook weer in de Andes afspeelt, komt de problematiek van de
toenemende mijnbouw, vooral goud, aan bod, en de botsingen tussen de belan-
gen van de grote maatschappijen en de bevolking.
Arguedas heeft zich zijn hele leven ingezet voor het behoud, maar vooral voor
de erkenning van de waarde van de oude, oorspronkelijke cultuur van Peru.
Hij deed dat als schrijver, maar ook als wetenschapper. Zijn volledige werk als
auteur beslaat zes delen en zijn volledige antropologische werk vijf. Hij vertaalde
gedichten en mythologische verhalen uit het Quechua in het Spaans, hij zong
de liedjes, danste op de bijbehorende muziek, was bevriend met de grootste
inheemse muzikanten die de huaynos zongen en begeleidden op hun harp, viool
en quirquinchu of charango, een klein tokkelinstrument gemaakt van het schild
van een gordeldier, waarop de mensen dansten.
Sinds zijn dood is er veel veranderd in Peru: asfalt, auto’s, mobiele telefoons,
internet. Maar ‘het probleem van de inheemse mensen’ is nog niet opgelost en
zijn werk is nog springlevend. Enkele dagen nadat ik deze woorden had geschre-
ven, kwam het bericht over een enorm schandaal in het Peruaanse Congres: bij
het aanvaarden van zijn positie als voorzitter van de ministerraad had de heer
Guido Bellido het bestaan om zijn toespraak te beginnen in het Aymara en ver-
volgens verder te gaan in het Quechua. Dit is nog nooit vertoond! Onder applaus
en boe-geroep onderbrak de voorzitster van het Congres hem en maande hem
dringend Spaans te spreken, omdat zij en meer dan de helft van de toehoorders
hem niet konden verstaan … Dit optreden ligt geheel in het verlengde van het
werk van Arguedas en smaakt naar meer.
—
Hier draagt Mariolein een stuk voor uit ‘Het museum voor zinloze pogingen’ van Cristina Peri Rossi, verschenen in Terras #05, ‘Maken en breken’:
Mariolein Sabarte Belacortu – ‘Het museum voor zinloze pogingen’, Cristina Peri Rossi