thema:

De ongerustheid

Vertaling:

Een Overhaast Adviesorgaan, boven de familie staande, dat de immense grootte van al mijn onbenulligheidsgaven in beschouwing nam, verzond me toen naar steeds verder liggende vogelobservaties, en gaf me op een mooie juniavond ver in de zestig gevorderd, de titel van Hoogbevoegde in Geen land mee te bezeilen, met de speciale vermelding ‘denkt zonder de dingen’. 

Terwijl ik nu juist één gedachte per jaar had; en wel heel precies één per jaar, en die altijd op vrij plechtige wijze mijn hoofd verliet. 

Erg blij dat de dingen ook bij mij op een rijtje kwamen te staan, deed ik mijn best om niemand waar dan ook mondeling van te vergewissen, en besloot meteen dat ik alles schriftelijk moest opschrijven om er niks van te verliezen. Geen woord liet ik los ten opzichte van de rest van de familie, dat was toch maar voor dovemansoren spreken. En dus bleef ik als enige sprakeloos, in tegenstelling tot hen. 

Overdonderd door mijn stommiteiten dreigden ze mij opnieuw naar equatoriaal Australië te sturen! Diep in de rimboe, met blonde beren en kangoeroegaten die al na twee maanden wijd openstaan. In deze ellende heb ik mijn lot verkracht; en met beide handen sloeg ik het kinderschrift open, op de eerste pagina van mijn geregistreerde leven. 

Naam: ‘Jan die het zonder jeugd moest stellen tot op de avond voor zijn geboorte’, ‘Jan die de jeugd der registratie mee mocht maken’. Zeg wanneer! Het jaar zevenenvijftig: de dieren schaarden zich om mij heen, om mee te delen hoe ik mijn leven opstapel om te bestaan. Een eenvoudig leven zonder verbanning. Waarvan hierbij de grondbeginselen en de laatst gedachte ideeën. Slechts eentje per jaar, eentje aan deze zijde. In geboetseerde was, uit bot gesneden, gevlochten met scherven, met grove potloden, wat er ook maar voorhanden was: balk of ijzerdraad, alles wat ik viel bij het vinden, bamboestengels onder planken, overblijfselen van verbrand formica, en soms zelfs stomweg gewoon niets, met vlakke vingers en met de hand geschreven. 

Elf zinnen achterelkaar. Ik ben alleen de twaalfde kwijtgeraakt, en kan me de ontbrekende zinnen herinneren. 

Een. ‘Ik verklaar hier geweest te zijn. Ondertekend X’, eerste zin, gedateerd van een juni-zonder-datum. In schoonschrift opgesteld op een plataan zonder stevige takken. 

Twee. ‘Geen dokter die genoeg onder de voeten van een zieke heeft gekeken om te zien waarop hij staat’, genummerde gedachte Roche-sur-Ithon, negenhonderdtweeënvijftig, toen ik opnieuw hierbeneden woonde, tweeëneenhalf jaar te midden van de apostelen. 

Drie. ‘Niemand is een gatenjager, iedereen is een zelfdoder’, in Vitry-le-Sec, het jaar daarop, in een schuilplaats, langs een muur zonder vervolg. 

Vier. ‘De Allerhoogste zit beneden, en bovenaan zit de Allerlaagste niet.’ Bons-Saint-Didier, negentienhonderdzesenvijftig, in het groot gegraveerd op mijn voormalige wieg, die toevallig vochtig teruggevonden werd in een kelder, met het mes-potlood, of eerder gezegd, het hengsel van mijn beschadigde pot, die ik twee dagen tevoren uit de moederlijke zolder opgevist had. 

Vijf. ‘Het licht verduistert. Het licht verduistert. Het-licht-verduistert-de-nacht. Die verduisterde rond zevenenvijftig, tegen de zestig, bij La Roche-sur-Foron in de buurt. Men herinnert zich mij nog op Foron, daarbeneden aan de rand; men noemt mij daar nog soms regelmatig Andermans Kind, die met korte mouwen op bezoek kwam, vaak met fantastische sprongen, langs zijn daar vlakbij geboren gaten. 

Dit als herinnering aan die smerige tijden, toen ik nog een magnifiek groot gezicht bezat, op hele kleine pootjes gestoeld; en nog zeer laag bij de grond stond. Daarop neergestreken, was mijn gehoor al te scherp om nog aan het leven te ontkomen; want ik wilde me al heel vroeg aan het korte leven onttrekken, met z’n opgedroogde oevers die elkaar centimeter per centimeter opvolgen en de overhoopgehaalde gevoelens. 

Zes. ‘God is klein!’, Morzine, vijftien maanden eerder, voordat ik naar Tunis ging, net op het moment dat ik die gemeenplaats moest kerven, hard met een mes een betonnen plank aanvallend. 

Zeven. ‘Wie is de man die door dieren omringd wordt, zonder dat het ze lukt? Antwoord: het is een man die door dieren omringd wordt, zonder dat ze hierin slagen.’ Algerije, Plechtige Communie, het jaar later helemaal in hoofdletters onder een palmboom met een kris gekerfd. 

Acht. ‘God heeft me gezegend; hij hield van me; hij heeft me opgegeten: de man is een wolf voor de vrouw’, Viuz-en-Sallaz, het jaar daarna, in de leer voor de pubertijd bij een oplikker. Wij hadden het goed: we gingen iedere nacht voorjaarskluifzwammen plukken onder de Langin toren. 

Negen. ‘Goed, morgen zet ik mijn doodskop af!’, binnenin een schooltas van roze dij gekerfd, als nawoord: het jaar na het begin van mijn actie-stages op beesten in Meximieux. 

In Urgeon liep ik een lange slungel tegen het lijf. Ik wilde die dag priester worden. De volgende dag geen teken van leven meer: de slungel was ervandoor. Toen Virieux, La Couture, Cardy, Bossey-Val-Boisé, Givry-Patte d’oie, La Flèche-Louis-Aragon en allerlei andere lokalen ter wereld. In Bossey was ik nauwelijks plotseling zeven jaar geworden, of ik begon al de smaak in de mensheid te verliezen. 

 

Dit is een vertaling van de eerste bladzijden van de door André Macron gespeelde versie van L’Inquiétude. Deze wijkt op een paar punten af van de door uitgeverij P.O.L. gepubliceerde tekst.

Over de auteur:

Valère Novarina (1947, Genève) bracht zijn jeugd door in Thonon, aan de Franse zijde van het Meer van Genève. Hij studeerde filosofie, filologie en theatergeschiedenis aan de Sorbonne. Zijn teksten zijn in vele talen vertaald. Le Discours aux animaux (‘Toespraak tot de dieren’, uitg. P.O.L.) dateert uit 1987, en de twee theaterbewerkingen van deze tekst L’Animal du temps (‘Het dier van de tijd’) en L’Inquiétude (‘De Ongerustheid’) uit 1993. Een vertolking door André Marcon kwam uit op CD (uitg. Tristram). Novarina regisseert vaak zijn eigen teksten, ontwikkelde radio-uitzendingen en is zich sinds de jaren ’80 gaan toeleggen op tekenen en schilderen, met name voor installaties die verschillende kunstvormen samenbrengen. Hij schildert ook grote doeken voor zijn voorstellingen.

Over de vertaler:

Mike Sens (1961, pseudoniem van Michael Warren Tijssens) studeerde theaterwetenschappen aan de Sorbonne Nouvelle in Parijs. Hij is toneelvertaler van schrijvers als Werner Schwab en Howard Barker. Zijn werk wordt met name uitgegeven door Les Solitaires Intempestifs en Theatre & Films Books. Als oprichter en directeur van Media Writers & Translators verzorgt hij de vertaling en boventiteling van theatertournees wereldwijd. Michael Lonsdale regisseerde zijn stuk Le Pont Tournant de la Rue Dieu. Hij schrijft tevens dialogen voor de filmmaker David Dusa (Flowers of Evil, Acid programmering, Festival de Cannes) en leidt vertaalworkshops op toneelscholen, filmacademies en universiteiten.