Je hoeft helemaal niet op pad te gaan om te kunnen vertalen. Het kan vanuit je luie stoel. Je moet wel zorgen dat je van alles bij de hand hebt, maar tegenwoordig is de hele wereld met één enkele druk op de knop binnen te halen. Ook op koude dagen, als je hoofd nergens naar staat en er omineus nieuws binnenkomt uit een van de actuele oorlogsfronten. Het begrip luie stoel is ofwel een belediging voor de Zeitgeist of een ontkenning van de inspanningen die je je getroost als je vertaalt. Gedichten bewegen al alle kanten uit, en vertalingen zijn ook nog eens een graadje organischer en levendiger dan originelen – vertalingen kunnen veranderen waar je bij staat, ze geven steeds een andere dimensie aan de oorspronkelijke tekst. Je ziet het er natuurlijk vooral aan af als er verschillende Bovary’s of Borgessen gepubliceerd zijn, maar het zit ’m ook in de ervaring van het vertalen zelf: van de lichamelijke daad van het vertalen, wel of niet vanuit een luie stoel. Dat is zeker het geval bij poëzie: de woorden glippen onder je vingers weg als palingen, hebben verborgen graten als bij makrelen of smaken als langoesten veel zoeter dan met het zout waar ze vanaf hun geboorte in rondzwommen. Water. Ik las op een gebouw de bewering dat de beste ideeën juist niet ontstaan onder de douche (mind you: het betrof een reclame voor een consultancybedrijf), maar onder de douche gedij ik zelf wel. Hoe ontspannen en lui-makend ook die plek feitelijk is. Of juist daarom. Ineens schiet een woord dat je zoekt je te binnen, zonder enige aanleiding. Je moet wel geduld hebben. Zo worstel ik al een poos met een goede vertaling van Ingeborg Bachmanns beroemde ‘gestundete Zeit’,[i] dusdanig dat ik niet denk er ooit uit te komen. Ik douche bij het leven, maar het wil niet komen.
Ontken je de wereld als je doucht of thuisblijft? Hoe veilig is het om te vertalen vanuit het vertrouwde? Vooralsnog vliegen er hier geen drones rond, evenmin worden we met raketten bestookt. Wel ontploffen er vaker explosieven in vaderlandse portieken, maar meestal is dat dan in Vlaardingen, waar ik niet woon. Hier is het Oog in Al, een sensationeel intrigerende vertaling van het woord panorama. We zien de hele wereld, in vrede. Toch kan de oorlog prompt binnenkomen, bijvoorbeeld bij het verkennend vertalen van het lange gedicht ‘Aprillen’ van Yevgeniy Breyger (uit de bundel Frieden ohne Krieg, kookbooks, 2023). Breyger is in 1989 geboren in Charkiv maar al lang woonachtig in Duitsland, dus lang voordat zijn geboortestad een van de brutaalste brandhaarden werd in de Oekraïene-oorlog. Deze Breyger begint zijn nieuwe dichtbundel met een zelfgeschreven motto: ‘ik vlieg over bergkammen, ik vlieg over rivierdalen / ik vlieg over de mount-IK en duik door ’n / SPEEKSELOCEAAN / er zit een oorlog in me, die aan me wil trekken / maar aan anderen trekt / en ik denk alleen maar / denk erheen’. Dit motto wordt gevolgd door een soort noot, aangemerkt met een asterisk: ‘*na deze regel breekt de oorlog uit’. Ook ‘Aprillen’ begint met diezelfde noot, gevolgd door de beroemdste regel over april die er bestaat (die van T.S. Eliot, ‘April is the cruellest month’). Het gedicht is consequent drietalig: grote lappen in het Engels, onderbroken door Russisch en hier en daar Duits. Het gaat steeds ook over het vinden van de juiste woorden in de juiste taal; tussendoor worden er verhalen verteld, of althans: lichtjes aangeduid – je krijgt de ruimte om ze zelf in te vullen. Maar je ontkomt er niet aan oorlog te zien opdoemen. De verhaalflarden worden opgehangen aan naar Celan verwijzende polen, ‘vergessen und erinnerung’, roes en memorie: ‘troost – consolation. rouw – sorrow. amidst / decaying shapes, smell of almond blossom, which / rouses me from terror. will I ever / leave my skin?’ Over flegmatiek vertalen gesproken: hier hoefden alleen ‘trost’ en ‘trauer’ omgezet te worden. Maar het gaat natuurlijk om de wrede tendens, om wat er gebeurt. En om het waarom. Door de cyrillische regels onttrekt zich nogal wat aan mijn blik. In welke oorlog ik beland weet ik ook niet altijd. Als er sprake is van een voetmars vallen er namen, vrouwennamen: ‘lieve Масьенька, mooie Зоенька, dierbare Катенька’. De desbetreffende voetmars gaat naar Kazimierz, wat me op het verkeerde been zet, want we zijn ineens in Polen, in Krakau, in de ooit zo joodse wijk. De tekst wordt er nog gelaagder op. Ik had het kunnen weten: eerder was er ook al sprake van ‘de slag van Sobibor’ – nu moet ik kijken of de befaamde opstand daar plaatsvond in april. Nee, dat was in oktober.[ii] Misschien werd Charkiv in april bestookt. Of massaal verlaten. Breyger schrijft ook over ‘kindheit’ en een ‘großmutter’ die door een raam naar buiten staart en op vakantie zou zijn gegaan naar Jalta, een kuuroord op de nu bezette Krim, maar die nooit terugkeerde (‘aber es wusste in dir, da, wo sie ist / von dort kommt niemand zurück, höchstens / als wortlose stimme und duft, danke / tauben geleiten den weg – lass dich frei.’[iii] Als tijdperken zo door elkaar lopen en Jalta dus een naam voor iets anders kan zijn, kan oktober ook een van de aprillen zijn.
Het is een stille dag, een soort april in januari, vandaag wordt er gebombardeerd in Jemen. En hier in Utrecht wordt er vertaald. Ligt mijn geweten in een spagaat? Ik neem gerust een tweede kopje thee en zak weg in foute tevredenheid, al dan niet gespleten of uit gemakzucht (al met al leef je door dus). Ik neem mijn gewone gang van en naar mijn werkzolder of ga kort naar buiten. De zon schijnt, de kou kwijnt. Hier heerst rust. Dan ga ik ook nog naar de bioscoop, naar Perfect Days nota bene, een film van Wenders over routines en geluk die een flinke schep zen bevat. Ik ben de laatste die de zaal uitgaat en kan zien dat aan het eind van de aftiteling het woord ‘komorebi’ verschijnt, het Japanse woord voor het spel van licht en schaduw als je op zonnige dagen de zon door een bladerdak van bomen heen ziet blikkeren. Past bij de film, en bij de hoofdrolspeler die dat flitsen vastlegt, een minnaar van het moment.
En er komt een mail van Jevgeniy binnen. ‘Aprillen’ wordt momenteel in het Frans vertaald en in het Litouws, laat hij weten. De Fransen laten de drie talen staan op het Duits na dat Frans wordt; de Litouwers vertalen alles in het Litouws en willen met voetnoten aangeven in welke taal iets staat. Scheutig met informatie is hij verder niet, maar Sobibor staat niet centraal en hij denkt niet dat het de moeite loont om op onderzoek uit te gaan ‘terzijde van het sowieso geschrevene’. Dat is voor mij een uitdagende, prikkelende uitspraak. Ik wil alles weten en veer op uit mijn luie stoel. Wat gaat er schuil achter de cyrillische woorden, is de eerste vraag, en wat zijn de verhalen die verteld worden en vol dreiging zitten? Het Engels biedt de duidelijkste beelden (‘100,000 / people on the run on saturday, 300,000 / on sunday, on monday 500,000 people on the run.’ – je denkt: Oekraïene, ja; en ook ‘in exchange for the destruction of / my home street. a hawk flies up –’). Het Russisch maakt alles zwart, het is me duister wat er staat. Het Duits leest als commentaar in de vorm van metaforen, verwikkelingen, toespelingen. Trapsgewijs schrijft Breyger het op: ‘ik verstop me als een godin in een schets / kijk maar, je zit / tussen de gebruikelijke doden. in je dagboek – wreedste / maand, april.’
[i] Paul Beers vertaalde de regel uit het gelijknamige gedicht met ‘tijd in onderpand’, een interessant voorstel dat je aan het denken zet. Maar uitstellen, aanhouden, inhouden, opschorten en beteugelen zou ook allemaal kunnen. Beslissend is de discussie die je voert (in je hoofd of met anderen) over wat de implicaties zijn – in ieder geval moet er iets in zitten dat wijst op de jaren na de laatste wereldoorlog waarin er met een zekere spanning en dreiging geleefd moest worden, in ieder geval met het idee dat de oorlog ineens weer zou kunnen uitbreken. Een actueel gevoel dus.
[ii] Nog maar een paar maanden geleden verscheen er een boek waarin Rosanne Kropman vertelt over de rol die ‘een Nederlandse kapitein’ in die opstand speelde: zij gaf hem een naam, Jozeph Jacobs: Het donkerste donker. Een geschiedenis van Sobibor. Nieuw Amsterdam 2023.
[iii] ‘maar het wist in je, daar waar ze is / van daar komt niemand terug, hoogstens / als woordloze stem en geur, dank / duiven begeleiden de weg – laat je vrij.’ Ik riskeer voorlopig dat ‘het wist in je’ maar. Het is intrigerender dan ‘je wist’. Of misschien ‘het is geweten dat …’?