Lichtelijk teleurgesteld was ik na aanvankelijk verrukt te zijn geweest over de boodschap die die ene morgen tot mij kwam (alleen tot mij, verzon ik, helaas zonder de nodige dosis zelfspot), en wel vanaf het dak van het mooiste museum ter wereld. Daar stond-ie: een regenboog van de woorden WE ARE POEMS. Als dat geen geruststelling is in deze wanstaltige tijden, dacht ik. Naïef natuurlijk, maar toch. Het bleek te gaan om een kunstwerk van Ugo Rondinone, in 2011 aangekocht door dit prachtinstituut, de Fondation Beyeler. Ik mijmerde nog even door tot bleek dat het er niet al jaren stond, maar nu was aangebracht ter gelegenheid van het Eurovisiesongfestival.

WE ARE POEMS. Foto: Caroline Meijer
Ik was dezelfde morgen, toen ik de gordijnen opentrok, al bezig de wereld te duiden alsof zij er voor mij was. Ik keek uit op een weelderige bomentuin: een Japanse esdoorn, een pruikenboom, een ginkgo, een tamarinde en: een bloeiende paulownia. Die laatste kende ik eerst via de poëzie van Celan, pas daarna als boom. Hij zag paulownia’s voor zich als hij koffie dronk op de Place de la Contrescarpe en zich herinnerde hoe er onder deze bomen in zijn geboortestreek de Boekovina ooit ‘messen flitsten’. Of als hij ze met Ingeborg Bachmann in Wenen tot hún boom bestempelde; of gewoon als hij zijn voornaam hoorde. En als er iemand onder de dichters was die alles op zichzelf betrok (en dat betrekken ook vormgaf), dan was hij dat. De dichter die alles uit elkaar haalde, tot de woorden zelf toe, snakte evengoed naar samenhang. Ik herken het op dagen als deze.
Ik ben in en bij Bazel, kreeg de suggestie om op zoek te gaan naar een bijzondere Zwitserse dichtbundel, maar die bleek zo obscuur dat zelfs de indrukwekkende boekhandel Labyrinth hem niet in huis had. De boekhandelaar verloor zich in excuses en zei met lieve en licht betraande ogen dat hij met zijn winkel ging stoppen. Het had geen zin hem van dat voornemen af te helpen, al dacht ik in mijn zelfwaan even van wel. Op de weg terug bezochten we in de domkerk het graf van Erasmus, wat mij betreft de echte patroon van alle vertalers. Zijn graf bleek rechtop te staan en ingebouwd te zijn in een dikke pilaar. Ik ging er zo dicht mogelijk bij staan, zodat het bijna voelde alsof ik zacht tegen zijn botten stond te schoppen. Wie weet helpt het bij het vertalen, dacht ik.
Ik ben in Zwitserland. Wat is Zwitsers? Bepaalde kerkjes, bepaalde klanken, bepaalde kaas? Achter elk woord zet je -li, dusdanig dat je – eenmaal in Zürich – in een triemli stapt en je afvraagt waarom op de tram vermeld wordt dat het om een triemli gaat. Maar het is gewoon een bestemming. Dada is in Zürich ook al niet meer wat het geweest is. De foto van Hugo Ball in die enorme wc-rol is verwerkt in de vloerbedekkking van het hotel waar ik verblijf; Cabaret Voltaire is alleen op bijzondere tijden open en niet veel meer dan een opslagplaats; in het Kunsthaus hangt enorm veel, maar weinig van de vele dada die ze naar verluidt hebben. Zwitserland is netjes en geordend en misschien juist daarom een ideaal dadaland, al zie dat er niet meer aan af. Toch overtuigt Zürich, zeker als je in Mussolini-Joyce-Lenin-Zweig-etc.-café Odeon wat gebruikt. Of wat eet in het overweldigende Terrasse, waar ‘ze’ ook allemaal geluncht hebben. Zürich stelt ook gerust als je als poëziezoeker in boekhandels terechtkomt met namen als sec52 of Calligramme.

Etalage Calligramme. Foto: Caroline Meijer
De laatste heeft een fraaie etalage ingericht met boeken van de (niet erg Zwitserse) Friederike Mayröcker. Er ontspint zich een gesprek. Het blijkt de enige boekhandelaar te zijn die van uitgeverij pudelundpinscher gehoord heeft, die van de bundel die ik echt zoek. Ik ben blij, omringd door raspende g’s en een overdaad aan i’s (sprüngli, grüezi, züri schoggi). Onderweg ook steeds vergezeld van talloos veel bloeiende paulownia’s. En ze hebben allemaal hier gewoond en gewandeld (Klopstock, Lavater, Keller, Frisch). In het gebouw van Le Corbusier ga ik naar de wc: zeer corbusier. In de indrukwekkende botanische tuin kijk ik naar de namen van planten en bomen, ter zelfcontrole of ik in de gedichten van Celan alle plantennamen ontdekt heb in de woorden die net doen alsof het bijzondere neologismen zijn.
De naarstig gezochte bundel vond ik niet, maar alle reflectie – aan het meer van Zürich of rondwandelend in een sculpturentuin van een nonnenklooster – wierp haar vruchten af. De keuzes voor de bloemlezing zijn gemaakt, de principes staan vast, ik heb ideeën over de volgorde, alleen de titel ontbreekt. Als ik op weg terug ben, rijden we langs een Ierse verhuisauto met de leus: Get Cracking! Zowel mijn eigen vertaling als die van AI luidt online: Ga kraken. Vrij apart voor een verhuizer. Maar ik word snel beleerd, het is straattaal en moet zijn: kom uit je luie stoel, je moet nu snel iets gaan doen. Ik besluit ter plekke (als je dat kunt zeggen als je in een rijdende auto zit) om de dichtbundel die ik zocht online te bestellen. Bij pudelundpinscher dus. In 2006 fuseerde pudel met pinscher, begrijp ik nu; van 2006 tot 2010 waren ze gevestigd in de Stüssihofstatt in Unterschächen, kanton Uri; nu opereren ze vanuit Linescio, in Tessino, of ook wel Ticino, helemaal aan de andere kant van Zwitserland. Op hun site staat een foto met de leus ‘boeken zijn levensmiddelen’. Samen met WE ARE POEMS geeft dat een kannibalistisch gevoel. Je kunt op de site ook een artikel vinden over het echtpaar dat de uitgeverij runt: op de foto uit 2018 zitten ze blootsvoets op het dak van hun huis in Wädenswil. Dat ligt dan weer wel in het kanton Zürich. Als ze er gebleven waren, hadden we langs kunnen gaan. Het duurt overigens al even voordat het bestelde boek arriveert – het inklaren, blijkbaar noodzakelijk tussen Zwitserland en Nederland, is ingewikkeld, zelfs als je ‘geschenk’ op de bestelling vermeldt.
Meer dan een maand later is het nog altijd wachten op de bundel.
Nog een maand later komt het pakket, na bijbetaling. De domper (het is geen poëzie) wordt gesust door de wonderbaarlijke schoonheid van het boek en de wonderschone titel ervan: ‘Twee goddeloos mooie vosjes’, Zwei gottlos schöne Füchslein van Andreas Grosz, het omslag is van de poedel of pincher die Beatrice Maritz heet.