thema:

lapidair museum (uit: de steen der wijzen)

Vertaling:

in de dalen van dit gebergte marcheren we dagenlang onder
het loofdak van reusachtige platanen. in hun takken zingen
artificiële vogels. als ze stilvallen, gooien we er een muntstuk
in en ze zingen verder. we klimmen hogerop in de bergkloven
en echte beren en wolven kruisen onze weg. zwermen van
witte en zwarte arenden van metaal vliegen op uit hun holen
in de rotswanden. we bereiken een hoogvlakte en voor onze
ogen openen de rotsen van de dalwand zich als een kloof tot
een smal zijdal, waar een kleine beek door stroomt. standbeelden
wandelen tussen taxushagen van papier-maché. de
uitwendige behuizingen van verguld messing laten enkele
openingen vrij zodat je alle bewegingen van het drijfwerk
zonder moeite kunt bekijken. een leeuw uit blik komt ons tot op
enkele passen tegemoet. als we met onze bergstokken naar
hem slaan, springt het lijf van het dier stuk, twee stalen platen
schuiven opzij en uit de gespleten borstkas dringt een bloemenruiker
met 26 bloesems. elke bloem is de nabootsing in
zilver van een van de letters van ons alfabet. met plezier slaan
we met onze echte vingers op dat klavier en een schriftrol
springt uit de muil van het beest en fladdert voor onze met
bloed gevulde voeten. op de plaats waar de beek uit de rots
komt, ligt aan de linkerkant een ruime natuurlijk gevormde
grot. de rotsen zijn van plastic. murmelend en klaterend vloeit
het vloeibare nylon, nadat het de enge, donkere schacht verlaten
heeft, langs een kunstmatige eend die echte graantjes
oppikt en echte drek uitscheidt, slingert zich dan door het sappige
groen van nagemaakte bloemen en echt struikgewas, nu
eens helemaal verdwijnend onder overhangende takken van
celluloid, dan weer wit kabbelend over de keien van geperste
luchtblokken. dampen van tin snijden onze adem af. als we
door de beek naar boven klimmen om bij de grot te geraken,
stoten we op een groot, diep bekken, dat de beek daar in de
rots heeft gewassen. we kunnen het niet laten een bad te nemen.
goudgele noordzeekrabben uit messing glippen met ratelend
uurwerk geschrokken in hun schuilhoeken. vissen van
kunsthars stoten tegen onze benen. enkele drijven met hun
buik naar boven aan het oppervlak. door de melkglasruiten
van onze ogen zien we dat de tandraderen niet meer draaien.
voor het overige is er rondom ons een gefluit en gezoem en
een sterke geur van ammoniak en benzine omgeeft ons. nadat
we onze pulserende kleren weer aangetrokken hebben, zetten
we het beklimmen van de grot voort. bij onze aankomst
vliegen er 8 grote, ijzeren arenden op. de grot heeft rechts nog
een kleiner platform dat verder gaat als smalle galerij die rond
de steil oprijzende bovenste hartwand leidt, en naar buiten
toe slechts enkele ronde openingen van geringe diameter.
uit het geaderde rotsplafond boven ons hangen reusachtige
lappen huidweefsel, als draperieën. men kan zonder al te
veel moeite naar boven klauteren tot de bovenste verdieping.
in deze smalle, lage gangen bewegen we ons alleen gebukt
voorwaarts en overal suizen schildpadden over de weg,
met zoemende elektromotoren onder hun sierlijke pantsers.
bloed loopt langs de wanden. verder naar boven, in de bijna
verticale rotswand bevinden zich nog vier zorgvuldig uitgevoerde
grafkamers, en wel tegenover de ingang. moeizaam
klauteren we langs de wanden naar boven, terwijl we steeds
weer ijzeren krammen in de rots slaan, en trekken ons aan het
touw meter voor meter op aan de hartwand. voor ons ligt een
klein meer met een diameter van ongeveer 40 voet. daar borrelt
een vettige, warme smurrie waaruit in korte tussenpozen
manshoge fonteinen met geraas opstijgen. achter de wanden
van ijs worden vliegwielen en aandrijfriemen zichtbaar. de
stampende zuigers maken onze zinnen onverstaanbaar. de
hartpompen dreunen. op de oever van het meer breken uit
verschillende openingen gloeiend hete dampen door de ijsschollen.
op onze melkglaspupillen groeien ijsbloemen. donderend
lawaai van machines vult de grot. de echo breekt in
wouden van druipsteen. druipstenen van magnesium flitsen
op. het ijs verbrandt gloeiend. alles wordt blauw. de steen der
wijzen is blauw.

Over de auteur:

Konrad Bayer (1932-1964) behoorde tot de Wiener Gruppe. Hij schreef (eerst beïnvloed door het surrealisme en de zwarte romantiek, later meer analytisch) gedichten, proza, montageteksten en toneelstukken. Daarin worstelt hij met de beperkingen van de taal, het lichaam, de waarneming en het denken. Hij speelde ook zichzelf in films van Ferry Radax (o.a. Sonne halt!). Zijn Sämtliche Werke verschenen in 1996 bij Klett- Cotta en werden vorig jaar herdrukt.

Over de vertaler:

Erik de Smedt (1953), vertaler en criticus. Recente publicaties: Ann Cotten, Alle zwanen heten Reinhard en andere gedichten (2011), Spiel auf Leben und Tod. Die Auferstehung des Konrad Bayer (2012).