Lastig aan de vergelijking van een dichter met een radio is dat radio’s
geen littekenweefsel ontwikkelen. De buizen branden door, of bij
transistors, wat de meeste zielen zijn, de al dan niet vervangbare
zenderschaal en batterijen, maar nooit zoals die
dronken vechtersbaas in de kroeg. De dichter
Neemt teveel berichten aan. Het recht van het oor dat hem in
New Jersey vloerde. Het recht te zeggen dat hij zes ronden standhield
tegen een kampioen.
Dan worden ze bierverkoper of gaan bij een sportcommissie, of, als het
littekenweefsel te zwaar is, laten ze in een kroeg zien waar de
onzichtbare kampioenen hem wellicht niet geslagen hebben. Het zijn er
teveel.
De dichter is een radio. De dichter is een leugenaar. De dichter is een
radio die terugslaat.
En die berichten (God zou ze nooit vervloeken) weten niet
eens dat ze kampioenen zijn.
Uit: Language, 1964