Naar huis rennen
Het is een avond in de zomer en ik ben niet ouder dan acht of negen. Ik ben bij mijn vader en broers, we drijven een kudde schapen bijeen, jagen ze een stal in aan de rand van het erf. Aan mijn vinger zit een zilveren ring, een cadeautje van mijn Amerikaanse tante van eerder die zomer. Hij is bezet met een rijtje gekleurde stenen en de eerste echte ring die ik ooit heb gehad. Van mijn hand maak ik een vuist om hem niet te verliezen. Maar als ik op en neer ren en met mijn armen zwaai in de chaos van langs elkaar stuivende schapen, blaffende honden en het waarschuwend geroep van mijn vader, vergeet ik de ring die ongemerkt van mijn vinger glipt en op de grond valt.
Later speur ik in de rondte, wroet met een stok in het vuil, zoek uren, dagen lang, het platgetreden terrein doorkruisend, ervan overtuigd dat ik hem zal vinden, in de klei gestampt door gekloofde hoeven. Ik herinner mij hoe, op bepaalde momenten in die zomer, de aanblik en het gevoel van de ring, en alleen al de gedachte eraan, een rilling van vreugde door me heen joegen. En hoe de ring ’s nachts op mijn kaptafel naast mijn verhalenboeken lag, … lees meer