elk huis zijn eigen titanic
de weg is recht, voet voor voet lopen we langs huizen waarvan de schoorstenen als driemasters boven de golfplaten uit varen en je houdt mijn hand vast alsof we op het punt staan te zinken. je hebt het over nakende feestjes, reizen, de toekomst van ons kind en ik denk na waarover ik na kan denken. ik denk na waarover ik nu na kan denken zonder over mijn schouder te kijken, uiteindelijk kijk ik toch en zie dat niemand het ziet, ik slik. ‘kom’, zeg ik, ‘we gaan maar eens terug.’ als iemand nu eens zo hard en zo veel door een raam had gekeken, dat het raam zich het brandpunt van die blik nog herinnert, zich de pupillen herinnert die voor hem ineenkrompen of verwijdden zodat er later, als een soort van indirecte reflectie en slechts als … lees meer