thema:

elk huis zijn eigen titanic

de weg is recht, voet voor voet
lopen we langs huizen
waarvan de schoorstenen als driemasters
boven de golfplaten uit varen en je houdt
mijn hand vast alsof we op het punt
staan te zinken.
 
je hebt het over nakende feestjes, reizen, de toekomst
van ons kind en ik denk na
waarover ik na kan denken.
 
ik denk na waarover ik nu na kan denken
zonder over mijn schouder te kijken,
 
uiteindelijk kijk ik toch en zie
dat niemand het ziet, ik slik.
‘kom’, zeg ik, ‘we gaan maar eens terug.’
 
 
 
 
 
 
 
 
als iemand nu eens zo hard en zo veel door
een raam had gekeken, dat het raam zich het brandpunt
van die blik nog herinnert, zich de pupillen herinnert
die voor hem ineenkrompen of verwijdden
 
zodat er later, als een soort van indirecte reflectie
en slechts als het pand verlaten is en alleen de stilte
nog kraakt, silhouetten op het glas verschijnen
van hen die op die ogen het meeste indruk maakten.
 
zou dan bijvoorbeeld een naakte vrouw
tevoorschijn kunnen komen? eentje in profiel
die het licht aanknipt en omkijkt naar het bed
en dan beseft dat de allerbeste uitverkoren man
 
daar gewoon voor het grijpen ligt?
 
 
 
 
 
 
 
 
in die tijd hadden we zoveel geluk
dat we dachten dat we droomden.
niet dat bloemen opengingen
wanneer we voorbijkwamen, maar
ze deden toch hun best. alles rook
naar leven, niemand brak een been.
 
na een poos werden we onzeker,
we moesten de plaatsen maar vermijden
waar we sinds de voorspoed
niet meer waren geweest, je wist
nooit dat net daar die losse tegel lag.
 
er rees een burcht, een ophaalbrug,
de mazzel kon geen kant meer op
en stierf een stille dood. gelukkig
hadden we tegen dan voldoende
lachbanden in de la gelegd.
 
 
 
 
 
 
 
 
ik heb zinnen als boterhammen
voor onderweg gestapeld om de tijd
met jou gezellig te maken. geloof maar
dat ik verstandig en ad rem ben.
 
ik weet niet hoe lang ik dit volhoud
en of we wel passen met al dat voorbereiden.
wat zeg ik als je continu bij me bent?
 
ik kan geen trompettist zijn
die zichzelf altijd weerspiegeld ziet
als hij speelt, ik snap wel waarom
ze het koper tezelfdertijd boenen
en bespuwen.
 
en zeg nu niet dat zulke zaken
naderhand beter worden,
wij zijn geen wijn.
 
 
 
 
 
 
 
 
geef een lichaam extra tijd, bijvoorbeeld
door het van west naar oost te vliegen,
en het zal klagen, op tilt slaan
met elke seconde die je het toegooit.
 
zulke tijd is een slobberbroek
die niet op te houden valt. liever
wurmen we ons in nauw korset, ademnood
lucht op.
 
geef twee lichamen blessuretijd
met elkaar en ze schuifelen zachtjes op sloffen,
nestelen zich in het bed waar hun vormen
op hen wachten en houden boven tafel
de handen dankend vast
 
want onder tafel
passen nog steeds vier voeten,
passen nog steeds vier voeten
naast vier poten.
 
 
 
 
 
 
 
 
om terug te zijn rennen er velen
trap op trap tot in de nok
en verwonderen zich tussen dozen
waarin alle zaken zitten van toen
 
ze nog zoveel mogelijk onmogelijke
dingen wilden doen. wind tellen,
regen sorteren, zon bewaren
in een potje voor morgen.
 
maar zij niet, zij trekt net
haar schaatsen uit, laat zich glijden
in een wak, koude grijpt
naar keel, haar handen
vriezen vast. ze meent:
 
als ik lang genoeg onder blijf,
kom ik dit wel te boven.
 
 

Over de auteur: