thema:

De ruimte (fragment)

Vertaling:

Jij gelooft het vast ook niet, maar dit is wat CK ons vanochtend vertelt. Hij zegt dat er een grijze man in het schuurtje achter Ma Thano’s spazawinkel aan Miya Street woont, een man die geen man is, van ver naar de aarde gestuurd.
Waar we zijn is op de local, zo noemen onze ouders de plaatselijke lagere school hier in Bisho waar ze ons elke ochtend naartoe sturen, en CK vertelt dit ons op de laatste schooldag terwijl we met z’n vieren, hij, Thando, Thobela en ik, onderuitgezakt achteraan in de les Afrikaans zitten, zoals altijd, terwijl onze lichamen vanbinnen langzaam in schaafijs veranderen omdat we weten dat we weer een thuistoets in die taal hebben verpest.
CK praat door.
Hij vertelt dat de man, die achter Ma Thano’s spazawinkel, anders is dan alle andere die hij ooit heeft gezien. CK leunt voorover en zegt dat we deze figuur, wát hij ook is, echt met onze eigen ogen moeten zien. 
Ik knik, maar terwijl CK verder fluistert, terwijl hij briefjes over de grijze man voor ons blijft schrijven, blijf ik kijken naar mevrouw Siviwe, onze lerares, naar hoe ze rode strepen zet in ieder schrift dat onder haar pen belandt.
Ze slaat het volgende schrift open.
CK praat door.
Hij zit links van mij en wippend op zijn stoel zegt hij me te laten weten wie van ons meedoet. Hij draait zijn hoofd verder naar achter om hetzelfde tegen de anderen te zeggen. Thobela en Thando reageren simpelweg door te knikken.
Ik richt mijn blik weer op mevrouw Siviwe en terwijl ik haar bestudeer, mindert de minutenwijzer van haar klok vaart tot hij volledig tot stilstand komt. De klok hangt boven haar kalender, zo’n glimmende waarbij je de maand naar achter kunt klappen als hij voorbij is met een grote, babyblauwe ’92!’ erop – de kleur van de school – en zodra die klok stopt, wordt het geluid van haar pen op het papier nog harder en vanaf mijn plek kan ik hem over het papier horen krassen als een autoband die over beton slipt. 
‘Ik doe mee,’ zegt Thobela, die ziet dat zijn schrift langzaam maar zeker vol komt te staan met remsporen.
‘Ik doe mee,’ zegt Thando, zonder zijn ogen van zijn etui af te wenden.
Ik draai de andere kant op en kijk uit het dichtstbijzijnde raam.
Vanaf mijn plek ziet het gras op de speelplaats er groen en symmetrisch uit, alsof de hitte een vaste vorm heeft aangenomen en het veld heeft platgedrukt en gladgestreken.
Het is er erg vredig.
Een paar seconden lang stel ik me voor dat ik me er uitrek en ontlaad.
Toen ik vorig jaar overging naar standaard drie haalde ik goeie cijfers en toen mijn moeder dat hoorde kocht ze onderweg naar huis een sponscake als toetje – we zaten zelfs met z’n drieën, ik, mama en Nana, aan de lange eettafel waar we anders nooit aan aten. Dat was in 1991 en algauw hadden we de smaak te pakken en duikelden we de oude ballonnen en slingers op die we ook hadden gebruikt bij het voorgaande Nieuwjaar en de vrijlating van Nelson Mandela uit zijn eilandgevangenis. Nadat ma voor ieder van ons een stuk cake had afgesneden, vertelde ze dat ze promotie had gemaakt op haar werk en dat het, zoals het er nu uitzag, misschien best mogelijk zou zijn me van de local af te halen en me naar een model-c-school te sturen zodra ik overging naar standaard vijf.
Als ik voor de zoveelste keer opkijk zie ik dat mevrouw Siviwe me aanstaart.
Ze heeft mijn schrift geopend vast.
Zodra ze het dichtslaat en het hoofdschuddend boven op de stapel rechts van haar legt, kijk ik weer naar beneden en schrijf ik een briefje aan mijn vrienden.
Ik kondig aan dat ik meedoe, waarop CK zegt: ‘Mooi.’
Dan zegt hij: ‘Morgen gaat het gebeuren.’
Met zijn drieën knikken we naar hem.
We zeggen: ‘Morgen gaat het gebeuren.’  

 

* 

 

Thobela is voor de rest van het jaar benoemd tot groepsleider. We kwamen tot dat besluit omdat hij van iedereen in onze gang de meeste spullen heeft gestolen. Het einde van het jaar is weliswaar nog niet in zicht, maar dit keer streden CK en ik al vrij vroeg niet meer mee – om precies te zijn gaven we het in mei al op – en wat Thando betreft, nadat zijn vader, de bisschop, met zijn Mazda weer terug hun garage en het leven van zijn moeder in reed, is hij extra voorzichtig met het soort problemen dat je je op de hals haalt als je chocola en actiefiguren bij je ballen propt.
CK en ik zijn eigenlijk altijd amateurs geweest.
Zo’n groot verlies is het niet.
Het begon met zwartrijden naar de stad, maar we raakten al snel uitgekeken op de stenen leeuwinnen die uitkijken over het plein voor het parlementsgebouw, de volwassen wereld van felroze baksteen, toeterende auto’s, typmachines en glibberige gebraden worst.
Bij ons thuis mochten we van mijn moeder geen computerspelletjes meer spelen nadat onze rapporten uitwezen dat we het collectief verknoeid hadden, maar zelfs de echte soldaten boezemden ons niets meer in, met hun kaken en doen en laten even stijf als de standbeelden die waakten over de maatpakken van Parliament Hill.
Ze schoten nooit eens met hun geweren of zo.
Dus begonnen we te stelen van de plaatselijke OK Bazaar aan de overkant van het Amatola Sun Hotel, waarvan de glazen toegangspoortjes lonkten maar het ons vaak onmogelijk maakten naar binnen te glippen en het casino voorbij te lopen, op blote voeten van het koude witte marmer naar het zachte rode tapijt, dan aan de achterkant naar buiten waar in de hoek  vlak voor het zwembad waar we voor het eerst een witte vrouw zagen  een nieuw Street Fighter-apparaat aanlokkelijk oplichtte: nog geen vijf piek per potje. 
Tijdens onze korte carrière bij OK had ik een Bruce Lee-poster weten te bemachtigen en een actiefiguur van Spider Man; CK had twee identieke zilveren revolvers gescoord waarmee je balletjes kon schieten. Later, op een koude zaterdag halverwege april, werd iemand die geen deel uitmaakte van onze gang, een dikkige laaitie die niet bij ons op de local zat, opgepakt en al jammerend afgevoerd naar een donker kamertje achterin de supermarkt. Drie keer raden welke sukkel z’n ouders daar op hem stonden te wachten. CK en ik lieten alles wat we in onze kleren hadden gepropt op de grond vallen en liepen langzaam naar buiten. We kenden de verhalen over de kale beveiligers in dat achterkamertje, met hun wapenstokken en schoenen met stalen neuzen. Hun enige missie op aarde was om gasten als wij aan te pakken.
Thobela is natuurlijk een ander verhaal. Ten eerste is die gast er nog beter in dan wij in onze stoutste dromen zouden zijn en ten tweede steelt hij alleen maar damesondergoed.
Echt waar.
In een goeie week pikt Thobela zo vijf stuks, eitje, en hij bewaart ze overal: in zijn tas, in zijn zakken, in zijn etui, en de jongens op de local zijn hem erg dankbaar. 
Dus als degene die me een lift zou geven me laat stikken na Afrikaans, is hij de persoon die ik om hulp vraag.
Thobela.
Ik loop terug van mijn hoek op Siwane Avenue en zie hem bij de ingang van onze school tegen de muur geleund staan.
Met een dolle grijns op zijn gekreukelde en bezwete gezicht lijkt het alsof hij daar maar wat stond, het gebouw overeind te houden of zo.
Thobela is ook een beetje gezet, wat aan de korte kant, en aan de voorkant van zijn haar heeft hij inhammen en achter is het het langst.
Ik vertel hem van mijn probleem en hij zegt dat het geen probleem is.
Bij het hek van de local stappen we in zijn bestelbusje en slingeren Circular Drive op. Meestal rijd ik mee met Petros, mijn chauffeur die de hele buurt tot één straat voor die van CK voor zijn rekening neemt, en eigenlijk nooit met Thobela, omdat hij van iedereen uit de gang het verst weg van ons in het noorden woont. 
We stappen achter in terwijl Thobela’s chauffeur, Thabo, aan zijn leren stuur draait en een nummer van Sipho Hotstix opzet. We slingeren naar rechts en rijden over Independence Avenue, waar geen drempels zijn waardoor Thabo gas kan geven.
Thobela grijnst en zegt dat hij me iets wil laten zien.
Ik kijk en het is zijn nieuwste exemplaar: lichtblauw met een klein strikje op de voorkant gestikt. Er zit een vale gele plek in het midden waar het katoen moet zijn gekreukt doordat het meisje met haar benen over elkaar heeft gezeten
Dat zal wel een doorlekvlek zijn.
Mijn eerste.
Achter in het busje wrijft Thobela met zijn duim voorzichtig en eerbiedig rondjes om de vlek gebroken wit. Hij pakt zijn rugzak erbij en we bewonderen het stukje stof. Door slijtage is het zo dun als de bladzijden van een Gideonbijbel.
‘Ze kan nu kinderen krijgen,’ legt Thobela uit.
Ik kijk toe terwijl hij het paar opvouwt en terugstopt in zijn tas.
Ik word afgezet aan het einde van Rharhabe Road, een dikke vijf minuten lopen van mijn huis, en Thabo, die helemaal hierheen is gereden, zegt dat ik hem geen briefje van twee rand hoef te betalen – hij zegt dat ik het moet zien als een gunst aan mijn moeder: ‘We zijn alle drie oomkhaya, weet je nog, we zijn van dezelfde clan,’ zegt hij.
Thobela heeft nog een minuut of tien achter in het busje te gaan dus ik zwaai hem uit. Dan loop ik naar huis.
Eenmaal thuis kom ik erachter dat ik een beetje ben gaan zweten waardoor mijn kraag nog viezer wordt, en dat onze stop-nonsense, die al meer dan een paar maanden aan restauratie toe was, omver is gevallen en zo de instabiliteit van ons gezin heeft tentoongespreid in de tuin van onze nieuwe buurman.
Al is meneer Sithengi eigenlijk niet zo nieuw meer.
Het is inmiddels al meer dan een jaar geleden dat hij voor het eerst aanbood een bakstenen muurtje te bouwen met een rode afwerking die past bij onze garage, maar ma heeft zijn vrijgevigheid steeds afgeslagen.
‘Ik hoef geen liefdadigheid,’ hoorde ik haar eens zeggen vanuit Nana’s slaapkamer.
Nu kan ik vanaf de veranda hun groene gazon op kijken. Een schommel gemaakt van een tractorband wiegt langzaam heen en weer aan een eik. Het lijkt op een foto uit een tijdschrift. De tuin van een gelukkig gezin.
Ik haal het hangslot van de tralies voor de deur, ga naar binnen en doe het weer op slot.
Op het toilet trek ik me twee keer af, fantaserend over de eerste de beste meid die in me opkomt. Dan was ik mijn handen en zet ik thee voor Nana.
‘Hoe was het op school?’ vraagt ze als ik met het rammelende dienblad haar kamer binnenloop.
Nana kletst graag tot haar thee genoeg is afgekoeld. Dan roer ik zodat de suiker oplost en geeft ze mij de eerste slok.
‘Het was oké,’ zeg ik. 

 

* 

 

De volgende dag ontwaak ik al vroeg uit een natte droom en een nachtmerrie over de grijze man. De situatie is dat het een zaterdag is en zelfs in mijn kamer, met de gordijnen dicht, voel ik de hitte van de dag zijn lange vingers rond mijn hals sluiten en mijn slaap stelen.
Omdat ma mij mn klusjes al de avond van tevoren geeft, weet ik wat me ’s ochtends te doen staat. Op zaterdag heeft ze graag rust en Nana zorgt ervoor dat ik haar daar genoeg van geef.
Nadat ik uit bed stap reik ik eerst in mijn tas. Ik pak mijn Afrikaans-schrift en stop het onder mijn matras. Ma controleert zo nu en dan of ik de lunches die ze me meegeeft wel opeetZo nu en dan krijgt ze er een slechte dag van, een migrainedag, als ik die steeds maar in mijn tas laat zitten.
Ik stroop mijn onderbroek af, trek een andere aan en nadat ik mijn toets heb verstopt loop ik de gang op, zo stil als slaap, en dan richting het gezoem in de keuken.
Eenmaal daar pak ik eerst onze grote pan.
Ik gooi het water weg dat ik erin had gedaan om de aangekoekte resten pap van gisteravond te laten weken. Daarna doe ik de rest van de afwas en veeg ik de vloer. Ik vul een plastic emmer met water en Sunlight en dweil de keukenvloer.
Dan pak ik een pak havermout en drie kommen, voor mezelf, mijn moeder en Nana, en terwijl het water heet wordt, stap ik de keuken uit de ochtend in. De dauw op het gras komt tussen mijn tenen en het kriebelt. Ik haal diep adem en kijk toe terwijl de lucht van roze naar wit gaat. Na een poosje veeg ik mijn voeten en dan ga ik terug naar binnen.
Ik maak een kom havermout voor mezelf.
Dan breng ik nog een pan water aan de kook en giet hem leeg in een vaskom die ik meeneem naar mijn kamer om me te wassen. Als ik klaar ben smeer ik mezelf in met een dikke laag Vaseline en trek ik een zwart shirt en een rode korte broek aan en bekijk ik die pokketoets nog maar eens.
Met de hakken over de sloot, dit keer.
Ik stop hem terug onder het matras en schrijf een briefje aan mijn moeder dat ik ben gaan spelen met Thobela en de rest. Dan loop ik naar buiten en ga ik op de stoep voor ons huis zitten wachten op onze leider.
Het beton voelt koud aan tegen mijn bovenbenen.
Ik ga op mijn rug liggen en kijk toe terwijl de lucht van wit naar blauw gaat. 

Over de auteur:

Masande Ntshanga (1986) is een Zuid-Afrikaanse schrijver. Hij won de PEN International New Voices Award in 2013. Met zijn korte verhaal 'Space' ('De ruimte') was hij een van de finalisten voor de Caine Prize in 2015. Zijn romandebuut The Reactive (2014), met als hoofdpersonage een seropositieve jongeman die een moord op zijn geweten heeft, toont het complexe Zuid-Afrika waarin Ntshanga's generatie volwassen werd. Het boek kreeg wereldwijd aandacht en lof. Zijn tweede roman, Triangulum, verschijnt in januari 2019.

Over de vertaler:

Koen Boelens (1991) en Helen Zwaan (1995) ontmoetten elkaar tijdens de Master Vertalen in Utrecht, waar zij allebei voor het literaire Engels-Nederlandse traject kozen. Na dat studiejaar besloten ze de krachten te bundelen, wat resulteerde in een publicatie in de derde editie van PLUK, de oogst van nieuwe vertalers. In april 2018 hebben ze als duo een ontwikkelingsbeurs gekregen van ELV, waarmee zij onder begeleiding van Anneke Bok hun eerste boek hebben vertaald: het Australische kinderboek Echte duiven vangen boeven, dat in september verscheen bij Billy Bones. Daarnaast maakt Koen sinds kort deel uit van de redactie van PLUK en werkt Helen als bureauredacteur bij uitgeverij Atlas Contact.