thema:

Flüela

Het geluid van motoren kaatst af tegen de steile gneiswanden van de Flüelapas. Een potlood maakt lawaai op een wit papier en tekent de loop van precies dezelfde weg. Twee passerbenen zwenken uit en komen neer op plekken die niet eerder door een mens werden aangeraakt. Ze werden nooit in ogenschouw genomen, omdat de architect achter zijn bureau bleef zitten en de pas ontwierp vanuit de stad waar zijn kantoor stond. De nieuwe lijn zoekt haar verloop. Zeventien bochten (niet te scherp) volgen het landschap. Daar waar ze passen, vlijen ze zich neer. De weg tekent zichzelf. Het ijs schetste de doorgang eerder al.

*

De naam Flüela, klinkend als fluweel, vlucht en vlo tezamen, maar komt van Fluh, Flühe, een woord dat is afgeleid van Felsen. Het is een diminitief, het verkleinwoord van rots. Kleine rots, bij de kleine rots of bij de kleine stenen. De naam lijkt haaks op het landschap te staan. Of toch niet? Vele kleine stenen omlijsten deze pas; ze werden aan de kant geschoven, gesorteerd in de loop der tijd en op maat langs de weg gelegd door erosie en mensenhanden.

*

Aan beide poorten tot de pas, zowel in Davos als in Susch, staan resten van torens die als verdedigingswerk golden. De restanten zijn getuigen van vloeibaar asfalt en gesmolten sneeuw. Stel dat het mogelijk is de bochten van de pas langzaam uit het landschap los te trekken, zoals je een sticker verwijdert, warm gemaakt met een verfbrander. Misschien kan de warme, droge valwind aan de lijzijde van de bergketen daartoe ingeschakeld worden.

*

In 1867 werd de pas begaanbaar voor wagens en koetsen en nu al ligt de weg als een rivier uitgesleten, meanderend door het maanlandschap. Waar zijn ze begonnen met graven? Misschien wel vanuit beide dalen tegelijk; ze vonden elkaar precies halverwege.

*

Pas, passen, oppassen, passus, passé, passie, passief, en passant, pasfoto, kompasnaald, passage, passeerbaar, passeerhoorn, passagier, passpiegel, pastorale, pasgeborene, waterpas, van pas komen, paswoord, passimeter.

*

Eerder zijn er mensen overgestoken. Zij baanden hun eigen weg met zout, graan of boter op de rug gebonden, ezels en ossen hoedend, die even zwaar bepakt waren als zij. In de winter versperden lawines het pad en moest de karavaan soms rechtsomkeert maken.

*

Ooit versperde mond- en klauwzeer de pas. Alleen de postauto mocht passeren. De chauffeur wierp brieven door het raam van Flüela-Hospiz zonder de waardin aan te kijken. Oogcontact zou op deze hoogte besmettelijk kunnen zijn.

*

Maar waar zijn ze begonnen met graven?

*

In elke bocht veranderen we van onderwerp alsof de curve die we tekenen daadwerkelijk invloed heeft op het gesprek. We slingeren mee in ons praten.

*

In het voorjaar loopt hij met twee blikken verf omhoog. De wit-rode schildering moet van twee kanten te zien zijn, zodat wandelaars het pad van dal naar dal kunnen blijven volgen en niet op de gletsjer belanden. Sommige stenen zijn verschoven of verloren hun markering door de bleking van de zon. De kwast heeft zich vol met verf gezogen. Sporadisch belandt een rode spat op een nabijgelegen steen. Een witte druppel verlaat traag de rechthoek waarin hij thuishoort vlak nadat de schilder is weggelopen. Het veroorzaakt een rafelige wegwijzer. Het melkachtig blauwe smeltwater wordt langzaam helder kristallijn en vloeit af naar de Jorimeren. Op het wateroppervlak drijft de top van de Wisshorn.

*

‘s Winters ligt er zoveel sneeuw dat een schuiver de vlokken niet kwijt kan. BMW oefent zijn nieuwste banden op het beijzelde asfalt. Er kan geen burgerauto meer rijden: het is er te glad om te stijgen, te glad om te dalen.

*

Alpendieren zijn sterk behaard: zoogdieren, hommels, sprinkhanen en vlinders. Het record verbreken de gletsjervlooien. Zij leven in dichte drommen en hebben of acht of geen ogen en een gevorkt springapparaat dat in rust onder het achterlijf wordt geklapt. Bij verstoring slaan ze de vork naar achteren, zodat ze met een salto centimeters in de hoogte worden geslingerd, al kunnen zij zelf niet precies de richting bepalen waarheen ze wegschieten. Zo springstaarten ze behendig over grote sneeuwvelden en dartelen rond op ijskristallen. Hun huid is bezet met waterafstotende wratjes. Zij lijken op versgemalen peper gemorst in de sneeuw. Hun zwarte lichamen zijn gevuld met antivries. Tijdens hun ontwikkeling vervellen ze tot veertig keer en toch maken springstaarten geen gedaanteverwisseling door. Ze zien er op jonge leeftijd al uit als volwassenen dieren.

*

Steeds weer vliegt er een kleine bruingrauw gestreepte vogel met een zuivere sidsid- alarmroep op. Tussen de rotsen klinkt het snijdende fied en het zachte wist-wist en meteen daarop volgend het dofklakkende getaktak van de zwarte roodstaart. Ook de sneeuwvink echoot zacht; met zijn geel geworden snavel verkondigt hij de winter. Raven, gevleugelde schepen van Wodan, krassen met hun basstemmen de ijle lucht open.

*

Voor het eerst verbaas ik me over het woord bergzadel, alsof je je er werkelijk op kunt hijsen om de berg te berijden.

*

Iemand vertelt over een koets gemaakt van ijzerdraad die door een circusvlo wordt voortgetrokken. Een andere vlo dribbelt op een gestippeld balletje en weer een andere vlo galoppeert rondjes in de piste, zowel linksom als ook rechtsom. Aan het eind van de voorstelling worden de vlooien gevoederd. De dompteur zet ze op zijn arm, zodat ze zijn bloed kunnen drinken. De talloze vlooienprikken vertonen soms een rood puntje in het midden van waar de beet zat.
Het zesspan is de eerste bocht al voorbij, een knallende zweep en een briesende koets, twee rijen van drie paarden, hun hoeven bewegen zo snel dat ze niet meer één voor één te zien zijn. Ze hebben alle zes hetzelfde been voor en een witte bles oplopend in grootte: van een kleine vlek, als een op de neus gevallen pluk sneeuw tot een geheel witte neusaftekening.
Ze zijn niet te stuiten. Het stof op de weg waait als mist omhoog.

*

De helling komt naar beneden, de haarspeldbochten richten zich op. De man met de blikken verf verdwijnt uit zicht. Net voor de bocht minderen alle bestuurders vaart. Het zijn de voeten op het gaspedaal die me steeds weer aan het potlood van de architect doen denken.

Over de auteur:

Miek Zwamborn is schrijver, vertaler en beeldend kunstenaar. In haar werk spelen landschap en geschiedenis een belangrijke rol. Zij publiceerde de romans Oploper (2000), Vallend Hout (2004) en de dichtbundel Het krieken van sepia (2008). In 2013 verscheen haar derde roman De duimsprong bij uitgeverij Van Oorschot.