thema:

Verloren in Mictlan

Waar de honden onze zielen leiden

in de koude schemer van het noorden,

op de vlakte van het dode gras, zinken wij

daarginds, aan gene zijde, weg onder de grond.

 

Ay, ik dwaal nu rond, beangst,

ontvleesd, in schimmig licht;

de hond gaat voor mij uit – een straffe wind

snijdt kil als lavaglas in mijn gezicht.

 

Ons lot ligt vast als wij ter wereld komen.

Wij dalen af en moeten vier jaar dolen

tussen uilen, spinnen en geknakte wezens in de nacht.

Ik zing een klaaglied op de Oever van de Negen Stromen.

 

De duisternis verdicht, ik doorwaad

de Negen Wateren tot waar de god

Mictlantecuhtli in de poort van de verdwijning

met zijn vrouw al op mij wacht.

 

Ay, zijn ogen puilen, nachtkijkers

waarmee hij de verdoolden messcherp ziet.

Voor de poort van de verdwijning

is een laatste, flauwe lichtschijn nu gedoofd.

 

Het tweespan van Mictlan tovert zwermen

grauwe zielen spoorloos weg.

Keren wij ooit nog terug?

Ik, de zanger, huiver van mijn lied.

 

 

De schrik voor de onderwereld zat er goed in bij de Azteken. Dat geldt niet minder voor de hedendaagse Mexicanen, met dit verschil dat een geheel andere onderwereld nu een gewelddadige bovenwereld is geworden die in de afgelopen jaren meer mensenoffers heeft geëist dan de Azteekse goden in twee eeuwen vroegen.

De oude, beminnelijke Nahua-dichter Juan Tepepan, eertijds onderwijzer in het stadje Zacatlán, is de maker van het bovenstaande gedicht. Hij schreef het enkele jaren geleden in de stijl van zijn voorouders uit de precolumbiaanse tijd, waarbij hij zich bediende van beelden en gebruiken uit de poëtische traditie van de Azteekse dichters. Juan betreurde de teloorgang van het kleurrijke veelgodendom, dat onder dwang vervangen was door het destructieve monotheïsme van de katholieke indringers uit Spanje. De vertaling uit het Nahuatl was overigens geen sinecure, maar is uiteindelijk gelukt. Van Juan Tepepan – Juantzin voor zijn vrienden – is al geruime tijd niets meer vernomen, zodat het ergste wordt gevreesd.

Zijn lied gaat over het dodenrijk Mictlan, de ‘Streek van het Mysterie,’ dat de Azteken obsedeerde. Het weerspreekt de vaak geuite opvatting, dat de dood de Mexicaanse indianen tamelijk onverschillig liet. Zo laat Nezahualcóyotl – de beroemde dichter en vorst van Tezcoco – zich herhaaldelijk uit over de vluchtigheid van het aardse bestaan en zijn diepgewortelde angst voor wat hem staat te wachten in Mictlan. ‘Mijn hart is triest,’ schrijft hij. ‘Ach, door droefheid is het overmand. / Ik ben zanger op de Oever van de Negen Stromen.’ In een afscheidslied klaagt de vorstelijke dichter, dat hij ‘daar, op gindse oever’ naar het onderaardse domein van de dood moet afdalen. Hij beseft ‘met krimpend hart’ dat hij zal ‘heengaan en verdwijnen’.

Het lichaam werd verbrand of begraven, de ziel vertrok naar elders – naar een gebied dat vele namen kende, maar voor iedereen het onomkeerbare ‘daarginds’ betekende. Er moesten negen rivieren worden doorwaad om de poort naar de vergetelheid in het negende district van de onderwereld te passeren. De tocht daarheen nam vier jaar in beslag en kon niet zonder begeleiding worden afgelegd. Dat is niet ongebruikelijk in de mythologieën die wij kennen. De onderwereld wordt doorgaans met de hulp van een gids of psycho-pompos bereikt. Bij de Azteken werd die taak door een mythische hond vervuld. Aan het einde van de reis wachtten de Heer en Vrouwe van het dodenrijk de zielen van de gestorvenen op. Mictlantecuhtli (Miestlan-tecoegtli) en Mictecacíhuatl (Miesteka-siewatl) zijn hun namen. De laatste was ook de Meesteres van uilen en spinnen, die de onderwereld bevolkten om de angst te vergroten.

Al ver voor de bloei van het Azteekse rijk in de 14e en 15e eeuw werd de Heer van Mictlan in keramische vorm uitgebeeld als een skelet. Bij de Totonaken aan de oostkust (± 600-900 n. Chr.) met een eivormige muts en gekruiste armen die op knokige knieën rustten; bij de Mixteken aan de westkust (± 1250 n. Chr.) met een vuurstenen mes in zijn hand en een vaas of wierookvat op zijn rug. Het doodshoofd zelf bezat bijna altijd twee grote, ronde knikkerogen, waarmee het de verzworven zielen in de totale duisternis kon zien.

Rest de vraag of iedereen zonder aanzien des persoons naar de onderwereld werd verbannen. Dat blijkt niet zo te zijn. Twee groepen waren uitgezonderd: enerzijds de krijgers, anderzijds de boeren – aangevuld met verongelukte mensen en tijdens de bevalling overleden vrouwen. De krijgers waren ‘arendsgezellen’ die de zonnecultus en de oorlogsgod dienden. Na vier jaar werden ze als honingvogels (kolibri’s) herboren en vlogen ze eeuwig van bloem naar bloem.

De boeren vereerden de regengod Tlaloc, van wie ze volledig afhankelijk waren. Na hun dood gingen ze naar Tlalocan, het paradijs ‘in de vochtig-warme tuinen van het oosten’. Zij die door de bliksem waren getroffen of het kraambed niet hadden overleefd, waren uitverkoren om dit paradijselijk geluk met hen te delen.

Het is niet bekend of de vorsten en de cultureel-politieke elite van het Azteekse rijk de dodentocht door Mictlan zijn ontsprongen. Hoe fraai en persoonlijk ook, de verzen van koning Nezahualcóyotl berusten voor een groot deel op de kunst van de retoriek en de gestileerde jammerklacht. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij samen met de massa van ‘gewone’ zielen tot de Streek van het Mysterie zou zijn veroordeeld.

Over de auteur:

H.C. ten Berge (1938) is dichter, prozaschrijver, essayist en vertaler. In 2006 ontving hij de P.C. Hooftprijs. Ten Berge is de oprichter van het tijdschrift Raster (1967-2008, tijdschriftraster.nl), dat beschouwd kan worden als de literaire voorganger van Terras. In 2016 verscheen zijn nieuwste dichtbundel Splendor. Een spreeuw voor Harriët(essays, dagboekbladen & veldnotities) is vrijwel voltooid.