thema:

Het monster

Vertaling:

Zonder muziek rijden, zonder geklets, onder zwijgend gebrom. In de auto zijn. Als ik niet met jou kan samenwonen, waar heb ik dan nog een huis voor nodig? Een bewegend doelwit vormen. Was de plek waar ik me het veiligst voelde niet altijd al mijn auto? De man die besloot in een auto te wonen. Sindsdien ben ik gelukkig, liet Dario de la Mancha weten. Mijn vrienden komen naar mij toe, en we praten met elkaar door het raam. Er komen ook mensen die ik niet ken, want ik ben een bekend persoon geworden. Dario de la Mancha rijdt zelden ergens heen, hij staat met zijn auto meestal aan de rand van een park van zijn woonplaats. Zijn vrouw brengt hem eten. En wie ruimt zijn uitwerpselen op? Nou, wie dan wel? 

Kopp trapte het gas in. 

Ik had dat meteen moeten doen. Geen tijd verliezen. Alsof je tijd kunt verliezen. 

Het gevoel dat hij zich in de stadskluwen bevond bleef op de autoweg nog een hele tijd hangen. Kopp was in die maanden binnenshuis langzamer geworden, het duurde even voordat hij aan de onverwachte gebeurtenissen in het verkeer gewend was. Een paar keer brak hem het zweet uit, maar op zeker moment was het over. Alsof je werd vrijgelaten uit een gesloten stad. Alsof van het ene uur op het andere afzettingen waren weggevallen die tot dan toe bij elke oprit stonden. Kopp was blij over het toenemende gevoel van bevrijding, hij hielp het gevoel een handje door alles wat hij zag zoemend te benoemen: bos, lucht, rijbaan, windmolen, elektrische leidingen, bos, lucht, brug, pijler, lucht, bos, rijbaan, zo breidde zich langzaam de al geruime tijd afwezige echte glimlach op het gezicht van Darius Kopp uit, en toen hij uiteindelijk de eerste landsgrens overging, lachte hij zelfs voluit. 

Zie je de schoonheid van de Sächsische Schweiz, van het Boheemse middelgebergte in de nazomer? Hier ergens woont mevrouw Rosenzweigova. Zie je hoe ik deze grens overga en niet meer bang ben? Of nu de gouden oorbellen in het oor van mijn moeder te nieuw blinken of dat een bankbiljet in mijn oksel onder de altijd te warme trui plakt of niet. Meer dan deze ene grens naar het oosten waren we nooit overgegaan. Iets leuks met het kind doen. De charme van een oude badplaats. Eén keer burchtheer zijn. Zo ver mijn oog reikt, alles van mij, akkers, bossen, straten, alle auto’s die daar rijden, ze tellen, niet eindeloos, slechts zolang het interessant is, in het onderste gedeelte van het beeld loopt een met doornen bewapende omheining, roofridders met mitrailleurs bespieden de burcht, maar dat ruim je ter plekke het best meteen op. Afgezien van de burchten zou ik ook toen het liefst alleen maar met de auto onderweg zijn geweest. Wanneer plotseling ergens water schittert, wordt iedereen op deze wereld blij. Ook al is het alleen maar het water van de uiterwaarden dat in de omringende akkers omhoogkomt. Het is niet anders mogelijk. Andere herinneringen beperken zich tot de cafeïneverslaving van zijn ouders. Stop eens: waar kun je hier koffie krijgen? Koffie! Koffie!! 

Darius Kopp lachtte, Flora, op de bijrijdersstoel, glimlachte. Het stel dat in een auto woonde. We kenden elkaar nauwelijks een paar maanden toe we allebei werkloos werden. Laten we gaan samenwonen, de goedkopere van de twee woningen opzeggen om te bezuinigen, maar ook in de andere moeten we niet te lang blijven. Kom, zei Darius Kopp tegen zijn vriendin, die, sinds ze een keer ’s nachts is overvallen, nauwelijks nog de straat was opgegaan, kom, we stappen in de auto en stoppen niet voordat we in Mimizan Plage zijn. My own private road movie. De blik op een landschap door een voorruit en een beetje ook door de zijramen is de blik die mij zo dicht mogelijk bij haar kan brengen. Een hele zomer lang kriskras door Frankrijk, eerst van oost naar het west, dan naar het noorden, helemaal naar het noorden, het Kanaal over, naar de Highlands, weer terug, helemaal naar het zuiden, over de cicadenevenaar naar Spanje, door Spanje naar Portugal, tot de Boca do Inferno – in elk land, in elk land, is er een plek die Hellemond heet – daar omkeren, weer omhoog, naar Zwitserland, door de tunnel naar Italië (daar had ze er al genoeg van), oversteken naar Sicilië (daar begon hij er genoeg van te krijgen, maar de Etna, de Etna! Het uitzicht op de Etna vanuit Centuripe!), Malta (dat was duidelijk te veel, ze werd zeeziek) – kunnen we nu weer terug, schat? Ja, we moeten tenslotte dit jaar ook nog trouwen, maar het was toch mooi, of niet? Ja, zei ze. Dank je. Ze streek over zijn haar en langs zijn arm omlaag en liet haar hand lang op zijn dij rusten. 

Dat razend makende gevoel van je afwezigheid. Hij durfde niet naar de passagiersstoel te kijken. Ik houd het stuur te stevig vast. Dat razend makende gevoel van je. Hij zette toch nog de radio aan, iets banaals, muziekachtigs was te horen, drie maten, toen zette hij hem weer uit. Het gaat wel weer. 

Door de hele laars terug, ze waren al in ondertrouw gegaan, de wittebroodsweken wilden ze gewoon thuis doorbrengen, en daar stonden ze dan twee dagen later dicht bij elkaar voor de tv uur na uur te kijken hoe de vliegtuigen in de torentweeling vlogen – daar gaat ook een vliegtuig, en nog een, en nog een, er is een vliegveld in de buurt – steeds en steeds weer de wolken, de wolk van het binnendringen, de wolk van het instorten, en mensen die uit de ramen sprongen, de hele dag sprongen mensen uit ramen, en deze keer niet door niemand gezien uit het wc-raampje op de derde verdieping op de binnenplaats. ’s Avonds ging Flora slapen, Darius keek nog de hele nacht hoe de vliegtuigen, de stofwolken, de vallende mensen. Sindsdien heb ik dat elk jaar weer bekeken. Ook afgelopen jaar. Ik bekeek de instortende torens, en dat razend makende gevoel van je afwezigheid overweldigde me en ik huilde, maar, nu moet je even opletten, ik maakte mezelf wijs dat ik om de zwarte man huilde die in perfecte schoenen in alle definitieve rust naar beneden viel, klaar met alles, hij probeerde niet te vliegen, geen gefladder, geen getrappel, maar misschien gaat dat ook helemaal niet wanneer je van zo hoog uit een gebouw valt, wat weten we daar nou van. De broekspijp van de vallende man gleed omhoog, zijn perfecte schoenen kwamen te voorschijn, halfhoge zwarte leren schoenen, waarop Darius Kopp opsprong, naar een verdieping lager rende en de versleten sandalen van zijn overleden vrouw in een plastic zak stopte, ik wil jullie hier niet meer zien! Ik zette de zak voor de huisdeur, en daar bleef ze staan totdat op zekere dag de huismeesteres vrijpostig genoeg was om te kloppen en hij onoplettend genoeg om open te doen. Wat moet er met deze zak gebeuren? Brandpreventie, rekening houden met andere huurders, blablabla. Gooit u hem maar weg! gromde Kopp en gooide de deur dicht. 

Waar kun je heen wanneer in plaats van een plaats een persoon je thuis is geworden? Waar moet je dan heen zonder die persoon? Door zijn woning niet meer te verlaten, vermeed Kopp de pijn van iemand die naar een leeg thuis moet terugkeren. Negen jaar lang was ze er altijd. Zelfs wanneer ze, wat zelden voorkwam, niet eerder dan hij thuis was, waren de sporen van het feit dat zij hem verwachtte overal te zien. Maar laten we eerlijk zijn: soms wachtte ze, en soms was ze alleen maar weer in een fase dat ze nergens anders dan in de woning kon zijn. 

Maar dat vond je alleen maar prima. 

Nee, dat klopt niet. Ik heb heel lang niet eens iets gemerkt. En later, toen ik het wist, was er nog steeds genoeg dankbaarheid in mij dat ik het wist, tenslotte was ze er toch vanwege mij. 

En nu was ze dus weg, en opeens was het onmogelijk je normaal door te kamers te bewegen. Lopen wordt onmogelijk, alsof er te weinig lucht is, of te veel. Deuren mogen in dat geval niet gesloten zijn. Achter elke gesloten deur zit iets wat naamloos is, onverdraaglijk. Ik heb leren huiveren, en dan heel goed: voor het niets namelijk. Dat razend makende. Open, alles open, alle kamers, alle badkamers, de keuken, zelfs het wasmachinehok, zodat ik duidelijk kan zien: daar is niets. In haar badkuip lagen resten van een laatste bad: bloesems en zand. Vanaf dat moment meed hij haar badkamer, hoewel hij daardoor om naar de wc te gaan telkens naar beneden moest, naar de onderste etage, wat hij anders alleen maar deed om de pizza in ontvangst te nemen. 

Zij was de wachtende vrouw geweest, nu was hij de wachtende man. Hij wachtte tot het voorbij was, tot de situatie zichzelf oploste, tot het vanzelf anders werd. Goede, naïeve Kopp. Alsof er geen mensen waren die veertig jaar lang quasi aan hun huis vast rotten. Niet eens meer op de bank, waarop al te veel lag. Niets wat je niet kon verwijderen, als dat zou kunnen, maar nee, liever meteen afstand doen van je plek, dieper dan in Gods hand op de grond kun je niet vallen, om je heen de stralenkrans van je consumptie: glazen, pizzadozen, afstandsbediening. 

Heeft je moeder je daarvoor op de wereld gezet? vroeg Juri. 

Geen idee waarom ze me op de wereld heeft gezet, zei Darius Kopp. Waarvoor heeft die van jou je op de wereld gezet? 

Om de heerser van de wereld te zijn, vanzelfsprekend. 

De wereld bedankt je van harte.

Ik moet de as wegbrengen. De as moet weg. Eigenlijk is mijn vrouw al bijgezet. In het crematorium. Laten we onszelf niets wijsmaken. Effectief gezien is dat wat wij haar sterfelijke resten noemen al opgeruimd. Aan de atmosfeer overgedragen. Wat ‘een graf in de lucht’ is, heb ik van mijn vrouw geleerd, daarom gebruik ik dat hier niet. Ook ‘door de schoorsteen gegaan’ is ongepast. ‘Dat staat met zwart krijt in de schoorsteen geschreven’ daarentegen kennen behalve zij en ik nauwelijks een paar miljoen mensen. Als ik geweten had dat er geen urn bestond die er niet als een vaas uitziet… Voor de plechtigheid wordt er nog een bos bloemen in gezet, zodat ze nog meer op vazen gaan lijken. Rozen of lelies, maakt niets uit. De rouwenden maken een buiging voor een bloemenvaas. Nou, dat heb ik kunnen verhinderen. Maar het zou beter zijn geweest het lichaam te begraven. Zwarte aarde, bruine aarde, rode aarde, witte aarde. Zand, sloef, leem, klei. Flora en fauna. Dat had ik moeten doen. Maar ik lette niet goed op. Nu heb ik de as. U moet er een juweel van laten maken! En dat in uw snijtand laten zetten. In uw tongpiercing. Alsof niet iedereen een leven lang op de vette waanzin zit te kauwen. 

Sorry. 

Hij keek naar de passagiersstoel. Ze keek uit het raam, in de avondschemering zag hij van haar niet meer dan haar donkere haar. 

Sorry, maar dat is een beetje eng. Het licht aandoen, de schaduwen anders verdelen. Maar voordat hij met trillende vingers de een of andere schakelaar had gevonden, constateerde een sensor dat de schemering nu ver genoeg was om automatisch de buiten- en de dashbordverlichting in te schakelen, en ze verdween. 

Ik ben nu tenminste eindelijk rustig, en dat niet vanwege het middeltje dat ze me hebben gegeven. Wat fatsoenlijk van die mensen dat ze niet zoveel hebben gegeven dat ik helemaal geen andere keuze meer had gehad dan nu in het een of andere ziekenhuisbed te liggen snurken. Er is niets gezegd over invloed op de rijvaardigheid. Vergeten of ze zijn er niet. Darius Kopp in rust en vrede op de Boheemse autoweg. 

Later die avond zou dat nog veranderen. 

Bij de Duits-Tsjechische grens hadden ze geen vignet voor de Slowaakse autoweg, en ook niet aan de Tsjechisch-Slowaakse, hij was gedwongen nog een keer bij een tankstation te stoppen. De parkeerplaats bevond zich achter het gebouw, en toen hij de autodeur openmaakte, wist hij al dat er een enorme fout werd begaan, er klopte iets niet op deze plek. Aan de rand van het struikgewas achter de parkeerhavens hing een man rond, hij droeg een blouson, hield zijn hoofd ingetrokken, hij had een hand in zijn broekzak, in de andere een peuk, hij maakte een dansje, van het ene been op het andere, alsof hij het koud had, in zijn buurt stond een auto geparkeerd, desondanks had je het duidelijke gevoel dat wat je daar ziet geen gewone rookpauze is. Je roep jezelf tot de orde. Echt belachelijk, nauwelijks een paar uur onderweg, en je denkt al dat je wie-weet-waar bent, ergens in het wilde oosten. Maar de onrust in sommige mensen, steeds maar heen en weer, ledematen die nooit stilstaan, zoiets irriteert terecht, het is bijna aanstekelijk, kijk maar naar Darius Kopp, die zelf heel nerveus werd, met een onrustige hand zijn vignet betaalde, bij het naar buiten gaan over de drempel struikelde, vloekte, vloekend in de richting van zijn auto struikelde. De roker was er niet meer. De geparkeerde auto wel. Misschien zit hij er in. In het donker. Of het was niet zijn auto. De eigenaar van het tankstation moet immers ook ergens vandaan komen. 

Kopp stapte in, reed de autoweg op, reed een paar meter en merkte: lekke band. Die smeerlap heeft mijn band lek geprikt! Darius Kopp jankte van woede. 

Niets dan afgunst en agressie, waar je ook kijkt. Dat ellendige stuk vreten. Afgunst, niets dan agressieve afgunst. Als hij mij werkelijk schade had willen berokkenen, zou hij ze alle vier lek hebben geprikt. Maar nee, hij wilde mij alleen maar een lesje lezen. Weten jullie dan niet dat ik me met jullie verwant voel?! 

Nee, hoe moeten ze dat ook weten. En vooral: wie zijn die jullie? 

De Oost-Europeanen. Ik bedoel: de Oost-Europeanen. 

Maar dat zijn geen Oost-Europeanen, maar struikrovers. Struikrovers horen nergens thuis! Ook dat heb ik, in een variatie, van mijn vrouw! Jullie verdomde ellendige hufters! Can you hear me?! Assholes! 

Darius Kopp, op een nauwelijks verlichte uitwijkparkeerplaats aan de rand van de Slowaakse autoweg, uit volle borst schreeuwend. Het kan me niks schelen of dat zinloos of lachwekkend is. Een vette Duitser maakt midden in de nacht herrie omdat iemand zijn auto heeft geblesseerd. Kan me niets schelen. Hij schreeuwt tot zijn keel zeer doet. Vanzelfsprekend schopt hij ook tegen het wiel. Hij is al helemaal bezweet. Later moet hij daarom rillend de band vervangen. Het ergste is dat ik bang ben. Ik ben bang dat dit allemaal onderdeel is van een groter plan: banden lek steken en vervolgens op de volgende uitwijkparkeerplaats staan enz. En het eigen gesnuif klinkt zo hard dat je helemaal niet kunt horen of er iemand aan komt. Een dergelijke angst heb ik al heel erg lang niet meer gehad. Nog nooit. Ik had het afgelopen jaar zeker gevoelens, al waren het er niet veel, de woede weet ik nog, de wanhoop, koppigheid en droefenis, maar bang was ik geen moment. Dus dat is de realiteit, toch?! Dat is de realiteit, dacht Darius Kopp. Wie uit zijn hol komt heeft, pats, een mes in zijn rug. In het begin kun je nog met je autootje rondrijden als in een computerspel, maar langzaam, nee, met een knal word je er weer aan herinnerd: de lichamen zijn doordringbaar. Hijgend, met zuurscherpe adrenaline in elke cel van zijn lichaam, verwisselde Darius Kopp de band. Hij begon zelfs knorgeluiden te maken. Toen hij het merkte, knorde hij nog harder, laat ze maar horen dat ik gevaarlijk ben. De wonden van het laatste gevecht zijn nog niet geheeld. Zijn ribben, zijn jukbeen, zijn armen begonnen weer pijn te doen. Is dat dus wat het is? Zich er letterlijk doorheen slaan. Mooi. Kom maar op, ik heb een moersleutel beet. Een geval voor de sensatiekrant van de dag. Rouwende weduwnaar, onderweg om zijn vrouw te begraven, door struikrovers gedood. Eigenlijk niet eens een beroerd verhaal. Ik vind het wel wat hebben. Korte, kernachtige verhalen, zoals het leven ze schrijft. En terwijl hij daarover nadacht, verdween de angst van Darius Kopp. 

Hij nam wraak op Slowakije door met de vervangende band naar Oostenrijk te rijden om daar, onder de hoede van de gezamenlijke taal, onderdak en een nieuwe band te zoeken. Hij zocht een motelkamer van waaruit hij door het raam de manke auto kon zien. Hij stond voor het raam en keer ernaar. Het merendeel van de woede was in de loop van de noodzakelijke praktische activiteiten verdampt, maar er was nog genoeg om hem over de resterende uren van de nacht te tillen. Ik heb het afgelopen jaar genoeg geslapen. Televisie kijken tot het niet meer gaat, en dan slapen tot het niet meer gaat. Het natuurlijke ritme, dat ontstaat tijdens een gevangenschap waarvan je zelf de parameter hebt vastgelegd. In zoverre is dat geen vrijheidsberoving, maar het tegendeel. Maar leg dat maar eens uit aan iemand als Juri. 

À propos. Misschien had je ook hem kunnen opbellen. Hoe laat is het? Je zou nog kunnen opbellen. Laten weten. Dat hoort zo. Van de andere kant: Juri belde ook niet op. Normaal zou hij opbellen. Zijn mensen ‘strak houden’. Ook z’n woord. Als hij niet opbelt, dan is hij ontevreden. En hij is ontevreden omdat het niet gelukt is bij Halldor. En het lukte niet, daarvan zal hij zeker overtuigd zijn, omdat hij niet goed geperformd heeft. Hoe dan ook. Een beetje, dat geef ik toe, vind ik dat toch vervelend. Mijn belangstelling juist voor dat baantje was minimaal, maar zelfs daarvoor niet goed genoeg of gewenst te zijn… En dan steekt ook nog iemand mijn band lek. Wat zijn jullie met mij van plan, hé? Wat-zijn-jullie-met-mij-van-plan? 

Niemand is iets met jou van plan. Er is niemand. 

Het materiaal dat ik van Judit heb teruggekregen lag op het bed. Ik kan daar nu onmogelijk in lezen. In plaats daarvan, en als afwisseling voor het raam, weer de beproefde televisie. Eigenlijk hetzelfde programma als thuis. Kopp ging zo staan dat hij met zijn ene oog de televisie kon kijken en met het andere uit het raam, naar de auto. Zo bracht hij de nacht door. Bij het tankstation was de hele nacht beweging. De mensen die ’s nachts reizen. Overdag slapen ze in de schaduw. Maar er zijn er ook die helemaal niet reizen, ze ontmoeten elkaar alleen maar bij tankstations om feestjes te vieren. Ze zetten de autodeuren open en dansen. Het schijnt dat op sommige plekken wel honderd auto’s bij elkaar komen. Hier waren het er maar drie, gevuld met jonge mannen in sportkleren. Een van hen legde de plastic tas die hij vasthield ook tijdens het dansen niet weg. Je had gelijk: de wereld is een vreemde plek. 

Over de auteur:

Terézia Mora (1971) werd in Hongarije geboren als lid van de Duitstalige minderheid in dat land. In 1990 ging ze in Duitsland studeren, en daar woont ze sindsdien als schrijfster (in het Duits) en vertaalster. Voor beide activiteiten werd ze bekroond met diverse prijzen. Das Ungeheuer, de roman uit 2013 waaruit hier hoofdstuk 3 wordt gepresenteerd, is het tweede deel van een trilogie over de ICT'er Darius Kopp; deel 3 moet nog verschijnen. Een eerdere roman verscheen in 2005 onder de titel Alle dagen in het Nederlands van Nelleke van Maaren.

Over de vertaler:

Jan Gielkens (1952) is germanist, historicus en vertaler. Tot zijn pensionering in 2015 was hij op het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis medeverantwoordelijk voor de wetenschappelijke editie van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans. Van Nobelprijswinnaar Günter Grass vertaalde hij dertien boeken, voor het laatste in deze reeks, De woorden van Grimm, werd hem de Filter Vertaalprijs 2016 toegekend.