Blog | , februari 24, 2015

Liederlijkste kraaienzang

Anneke Brassinga. Het wederkerige. De Bezige Bij, 2014. 72 blz. €18,50

 

‘De liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden van taal in poëzie is de constante van haar werk’, schreef de jury die Anneke Brassinga afgelopen december onderscheidde met de P.C. Hooftprijs. Ik knikte instemmend toen ik dat las, maar er was ook iets wat aan me knaagde. Dat ‘iets’ was de laatste bundel van Brassinga, Het wederkerige, die kort voor de toekenning van de belangrijkste oeuvreprijs in het Nederlandse taalgebied verschenen was. Niet dat die bundel niet getuigde van liefde voor de taal: met frasen als ‘Yellende wattige zwenkingen van wingerdmeeuwen’ en ‘Ik stoot beschroomd mijn oude zebrastrepen af’ spat die eerlijk gezegd van elke pagina af. Problematisch waren eerder de ‘onuitputtelijke mogelijkheden van taal in poëzie’, en wel in het licht van het gedicht ‘Kolos’:

Om te schrijven als geen ander moet u eerst
lezen alles wat geschreven staat, alles weten
wat sinds Adam gedacht is en gezegd. Alleen dan

is er kans iets onvergetelijks bij te dragen.
Toe maar, u kunt het best: deemoedig genoeg zijn
om van al dat voorafgaands u geen jota

te besparen, van alef af. Zo ooit uitgelezen
zult u stukken groter zijn en wreder
dan uzelf – weergaloze schaduw die bliksemend

zich werpt op wat er nog te zeggen rest.

‘Toe maar, u kunt het best’: het is een aansporing tot naïviteit zoals ze alleen in poëzie kan bestaan. Dat wordt fraai onderstreept door de dubbelzinnigheid van de laatste twee regels: wordt ‘uzelf’ een ‘weergaloze schaduw’ of is uzelf dat reeds? Grammaticaal gezien valt het niet uit te maken, waardoor de taal het hier ‘van alef af’ wint. Toch lijkt er sprake van een pyrrusoverwinning: de lezer weet immers dat ‘uzelf’ er niet in zal slagen ‘iets onvergetelijks bij te dragen’, want voor ‘lezen alles wat geschreven staat, alles weten’ zullen we door Moenen in eigen persoon verleid moeten worden.

Moraal van dit verhaal: Brassinga heeft weliswaar liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden die taal in poëzie biedt, maar lijkt die mogelijkheden in Het wederkerige tegelijkertijd te relativeren. Er zijn zelfs gedichten waarin de poëzie voor even een reality check krijgt, zoals het korte ‘Over en weer’:

‘Ti amo!’
‘Grazie…’
Een keigoed bikkelhard beschaafd gesprek
op de valreep van je zoveelste vertrek.
Het altijd weer bijeenko-
men behoeft geen kunst van conversatie.

Brassinga houdt hier haast opzichtig vast aan de dichtkunst, gezien het eindrijm in regel drie en vier en het wel erg iconische enjambement in ‘bijeenko- / men’. Daarmee ontstaat onherroepelijk een spanning met de inhoud van het gedicht, waarin de vlakke dialoog uit de openingsregels dan wel wordt geïroniseerd, maar desondanks wordt vastgesteld dat de ‘kunst van conversatie’ – en in het verlengde daarvan ligt de poëzie – onnodig is om herenigd te worden na een afscheid. Intussen is die hereniging wel van fundamenteel belang in het wereldbeeld dat Brassinga in Het wederkerige ontvouwt – de titel spreekt al boekdelen, evenals die van de vierdelige reeks ‘Orfisch’. ‘Wat is een leven zonder liefdesglans?’, vraagt Brassinga zich in de openingsregel van het aan Hugo Bousset opgedragen ‘Aardse warande’ af, en op talloze plaatsen in de bundel blijkt dat het antwoord ‘niets’ is: ‘Wat ons bindt, is vluchtig te zijn en elkaar te beminnen’. De taal hebben we daarvoor echter niet zo hard nodig, althans niet in al haar mogelijkheden en facetten: met de dialoog ‘Ti amo’ – ‘Grazie’ komen we er ook wel, als het moet.

Dat inzicht zou een taalkunstenaar als Brassinga somber kunnen stemmen. Gelukkig laat ze zich niet door linguïstische scepsis verlammen en is het niet de relativering van, maar de liefde voor taal die in Het wederkerige domineert. Het grootste deel van de bundel bestaat uit oorspronkelijke poëzie die Brassinga onder de noemer ‘Romantisch’ heeft verzameld; daarna volgen de reeks ‘Vijf vertalingen’ (van werk van Deborah Digges) en een ‘Epiloog’, eveneens een vertaling (van een gedicht van Edna St. Vincent Millay). Het is niet zonder betekenis dat Brassinga ervoor kiest om haar eigen poëzie als ‘Romantisch’ aan te duiden: met de romantici deelt zij een onvermoeibaar estheticisme, alsook een focus op de woestheid en weidsheid van de natuur (‘Soms volstaat één blik / op de overweldigende wilde natuur / om weer te gaan slapen als een wild dier –’). In het openingsgedicht neemt de identificatie met de Romantiek zelfs nostalgische trekken aan, als Brassinga schrijft: ‘Lichter dagen / doorwandelde het ondermaanse toen er poëzie // rooskleurig aan de takken hing’. Het zijn regels waarin het eerder gesignaleerde relativisme doorklinkt: in het hedendaagse ‘ondermaanse’ – vrij in te vullen als de contemporaine consumptiemaatschappij waarin de dichtkunst niet rendabel wordt geacht? – staat het er voor de poëzie kennelijk niet rooskleurig voor.

Juist omdat zij houvast vindt in de romantische verworvenheden, weet Brassinga ook die scepsis echter te doorbreken. Haar leidsman blijkt Novalis, over wie zij in ‘Het ware leven’ schrijft:

Hoe mensen erin slagen vast te houden aan
de nergens op gestoelde onderstelling dat zij spreken
om belangrijke, zinvolle zaken bij te dragen
vond Novalis al in 1797 bewonderswaard.

De woordgroep ‘bij te dragen’ brengt Novalis’ verwondering in direct verband met het gedicht ‘Kolos’ en de daarin aanwezige veronderstelling dat ‘iets onvergetelijks bijdragen’ welbeschouwd onmogelijk is. Van lichtvoetige ironie is ditmaal echter geen sprake, want Brassinga zet Novalis in om een hoofdzaak uit haar poëtica te verwoorden: dat ‘de taal, / abstract van aard, uitsluitend zich bekommert / om zichzelf’ en dat de woorden zich door ‘ons gepondereer’ niet laten storen. Het is de kern van de autonomistische literatuuropvatting: poëtische taal is niet uit op het overbrengen van een eenduidige boodschap van een zender aan een ontvanger, maar bouwt een eigen universum op waarin de woorden en al hun connotaties hun eigen weg gaan. Die visie klinkt op allerlei plaatsen in Het wederkerige door, vooral op de momenten waarop Brassinga de ruis in de communicatie expliciet benoemt: ‘Woorden zijn gruis in een taalloos kabaal, / zelfs mijn knie / snapt niet wat ik zeg’, schrijft zij bijvoorbeeld, en ook: ‘Al dat zinnentuig, en dan nog geen sjoege’.

Toch schuilt in dat eigenwijze zinnentuig ‘Het ware leven’. Waar wij vluchtig zijn en elkaar slechts in tijdelijk verband kunnen beminnen, daar is de poëzie wederkerig: zolang er liefdevolle lezers zijn, wordt het gedicht vergast op nieuwe ontmoetingen. Het wederkerige bevat opvallend veel gedichten die zijn opgedragen aan een overleden dichter (Hans Groenewegen; Erik Menkveld), kunstenaar (Loes van de Horst) of vertaler (Marianne de Ree). In de eerste en voornaamste plaats is dat een treurig gegeven, maar het past ook bijzonder goed in deze bundel, waarin de levendigheid van de taal veelvuldig wordt geconfronteerd met de eindigheid van degenen die zich van haar bedienen. Brassinga stelt de dood voor als een oord dat zwijgt: ze spreekt van ‘velden van vergetelheid, / geen klank / komt ervandaan’. Wederom biedt het romantische geloof in de kracht van het woord een tegenwicht, wat wellicht het sterkst blijkt uit het gedicht ‘Denkend aan Eliot ga ik in rook op’. Ook daarin wordt de verstikkende stilte van het einde gememoreerd, maar er staat iets tegenover:

Van koele meren niets te bekennen;
elke stem vervliegt als het gestotter van de nachtegaal
maar wat gezegd is blijft, herhaalt

altijd en altijd anders de boodschap
van het furieuze, voortkruipende, onuitblusselijk
dolende vuur.

‘Wat gezegd is blijft’: het is een adagium dat door menig canoniek dichter werd gehuldigd, en het valt moeilijk te ontkennen dat het voor menig canoniek dichter zijn kracht ook wel bewezen heeft (hoewel ik wel eens zou willen weten in hoeveel verstofte en vergeelde bundels van totaal vergeten figuren dat geloof ook wordt beleden). Intussen begint dat dichten als verzet tegen de dood ook wel comateuze trekken aan te nemen: je vraagt je af of je nog moet overgaan tot reanimatie als het een tijdje niet van stal is gehaald. Daarin schuilt uiteindelijk een bezwaar tegen de poëzie in Het wederkerige: soms betwijfelde ik tijdens het lezen of Brassinga’s liefde voor de taal genoeg was om de niet bijster urgente inhoud van haar werk te compenseren.

Ik zou mijn leeservaring echter verloochenen als ik die vraag uiteindelijk ontkennend zou beantwoorden: Brassinga’s taal sleepte mij volledig mee. Het wederkerige bevat zelfs het mooiste gedicht dat ik in tijden las. Dat gedicht getuigt, geloof ik, van Brassinga’s rotsvaste, romantische vertrouwen in de kracht van de poëzie, alle tegenslagen en relativeringen ten spijt. Het is echter beter als ik het voor zichzelf laat spreken: door mijn gepondereer zullen de woorden zich immers niet laten storen.

Auf Flügeln des Gesanges
III

’k Zal eerder vissenlippen eten te Shanghai,
gerijpt in ossendrek, gemarineerd en gefrituurd,
om stom te worden als een vis en kil

als een reptiel – dan dat ik ooit vergeten zou
wie mij verzuurd en galdoordesemd heeft,
zijn roggenstaart vol gif geplant diep

in mijn spreng. Gezengd van lust nu
levenslang, antwoord ik als één haan nog
naar mij kraait, met liederlijkste kraaienzang.

Over de auteur:

Jeroen Dera (1986) werkt aan de Radboud Universiteit aan een proefschrift over literaire kritiek in de niet-papieren media radio, televisie en internet. Daarnaast schrijft hij regelmatig over hedendaagse poëzie in verschillende literaire tijdschriften. Dera is kernredacteur van 'Dietsche Warande & Belfort', bestuurslid van de Jan Campert-stichting en lid van de Adviescommissie Poëzie en Essay van het Vlaams Fonds voor de Letteren. http://www.jeroendera.nl