Blog | , februari 19, 2015

Dankwoord Charlotte Köhlerstipendium

Dichter Mischa Andriessen, redacteur van Terras, ontving op 4 december 2014 het Charlotte Köhler stipendium uit handen van jury-voorzitter Elma van Haren. Het stipendium is een aanmoedigingsprijs die Andriessen voor zijn hele oeuvre ontving, in het bijzonder de bundel Huisverraad (De Bezige Bij, 2012). Hieronder publiceren we het dankwoord dat hij bij de uitreiking uitsprak.

 

We stonden pat. Mij was de rol toebedeeld van vader, een die streng moest zijn en geheel tegen zijn wens het punt naderde waarop er nog maar een besluit mogelijk was: straf. Degene die naakt in de kamer stond, was mijn jongste zoon. Hij had zich lang verzet, me toen kortstondig het idee gegeven dat hij mijn gezag had aanvaard, maar de kleren die hij na lang tegenstribbelen had aangedaan, deed hij vlak daarna weer uit. Ik zette mijn gewichtigste blik in en begon te tellen, zoals ouders dat doen, dreigend maar traag, eer ik bij drie zou zijn en de straf onafwendbaar was, had hij nog alle kans die ongedaan te maken.

Die kans greep hij. Wacht, zei hij, legde een kruk op zijn kant, drapeerde er een deken overheen en kroop in het bouwwerk. Nu moet je er een stoel achter zetten, zei hij. Dat deed ik. En nu moet je de stoel weg schuiven. Dat deed ik ook. Hij kwam uit het bouwsel tevoorschijn en pakte zijn kleren. De raketman heeft niet langer zijn nachtkleren nodig, zei hij en lichtte toe: dat is zijn blootje. Terwijl hij een T-shirt aantrok, zei hij: de raketman wil nu zijn dagkleren aan.

Dit voorval trof me, omdat ik daarin voor een zoveelste keer de waarde van fictie, van een zelf geconstrueerd verhaal herkende. Mij, en dat door iemand die de taal op zich nog maar beperkt machtig is, werd voorgehouden, hoe een verhaal de mogelijkheid biedt je eigenwaarde te behouden en een elegante uitweg te kiezen.

Als er over verhalen wordt gesproken, wordt vaak beweerd dat verhalen zin geven of op zijn minst orde brengen in een chaotisch bestaan. Misschien is dat waar, maar ook dan blijft de vraag hoe lang die verhalen daarin slagen. Daarmee bedoel ik niet, dat verhalen an sich dat soelaas niet kunnen bieden, maar dat de ordenende, troostende kracht van een specifiek verhaal meestal maar een beperkte houdbaarheid heeft.

Is dat pessimistisch? Ik geloof het niet. Het zou in de eerste plaats ongepast zijn om op deze voor mij zo waarde- en eervolle dag wat voor mij uit te somberen, maar dat is natuurlijk een kwestie van etiquette. Daarnaast meen ik dat ik in wezen een optimist ben. Het komt goed, hetgeen niet betekent dat alles wat breekt, kan worden gelijmd. Ik moet denken aan wat Nomi, mijn vrouw die psycholoog is en dagelijks met beschadigde kinderen werkt, mij meer dan eens heeft gezegd: het is zo makkelijk iets kapot te maken. Dat is waar, we hebben een pantser van niets, zowel lichamelijk als geestelijk zijn we ondenkelijk kwetsbaar.

Ik ga nog een intiem gegeven met u delen. Op mijn werkkamer, pal naast de laptop waarop ik de definitieve versies maak van alles dat ik schrijf, staat een foto van mijn oudste zoon, gemaakt op de crèche, waar hij maar niet kon aarden. Hij staat rechtop, kijkt met open vizier naar de zoveelste nieuwe, beangstigende volwassene tot wie hij zich moet verhouden, in dit geval de schoolfotograaf. In zijn handen heeft hij een knuffeldier, een kleine adelaar. Je ziet hoe broos en breekbaar hij is, net twee, misschien nog niet eens, hij is bang en hij is dapper, de pluche roofvogel geeft hem kracht.

Die knuffelarend heeft hij al jaren niet meer. Op diezelfde crèche brak brand uit, heel het gebouw moest worden geëvacueerd, iedereen kwam ongedeerd buiten, maar in de paniek die ik me maar liever niet voorstel, heeft hij het beest dat hem troost bracht, laten vallen. We hebben er vele malen naar gevraagd, het dier kon niet weg zijn, maar het was weg en is weg gebleven, behalve op die ene foto, waarnaar ik altijd kijk op het moment dat de stroom gedachten in mijn hoofd stil valt, of wanneer ik in het soms eervolle, soms genadeloze beroep dat ik uitoefen, even moet incasseren; een project dat niet doorgaat, onterechte of terechte kritiek. Dan recht ik mijn rug zoals mijn eerstgeborene en klamp mij vast aan mijn knuffel: het verhaal.

U begrijpt dat dit voor mij een bijzonder vreugdevolle dag is. Toch dacht ik toen ik dit dankwoord voorbereidde voortdurend aan een zin uit een van de weinige negatieve recensies die mijn werk tot dusver ten deel gevallen is. De criticus van dienst was Ronald Ohlsen. Hij schreef drie recensies voor de Gruneger website Tzum, twee positief over zijn Groningse vrienden Jean Pierre Rawie en Ruben van Gogh, en een kwaadwillende over mijn tweede bundel Huisverraad. Ik noem hier man en paard omdat daaruit blijkt dat er weinig reden is, mij iets van het door Ohlsen geschrevene aan te trekken, en dat doe ik ook niet, met uitzondering dan van die ene zin: We zien een dichter aan het werk die er zeer goed van doordrongen is dat verhalen vertellen uit den boze is.

Waarom ik aan die zin blijf hangen? Omdat hier precies het tegendeel wordt gezegd van wat naar mijn idee de kern van mijn werk is. ik vertel juist wel verhalen, debuteerde met een bundel waarin vijfenveertig gedichten zich moesten voegen naar een verhaal, publiceerde daarna een tweede bundel waarin ik uitgerekend door verhalen te gebruiken, probeerde greep te houden op een situatie waarin het ene na het andere, dat er lang was geweest, er inenen niet meer was. Ik dichtte verhalen over gebeurtenissen die op zich te groot of zelfs te gruwelijk zijn, maar hopelijk door die verhalen voor even een uitweg kregen en daarmee het idee dat ook tegen het verschrikkelijke, al is het maar even, weerstand mogelijk is. Zoals in het gedicht Wallenberg dat ik nu ter ere van mijn schoonvader, die zoals mijn kinderen zeggen op de wolken zit, maar hier natuurlijk had moeten zijn, graag lees:

 

 

Wallenberg

 

Jullie stonden al klaar,

jassen aan, elkaar los

gelaten, twee dingen maar

mochten mee; je broer

een pot jam en een beer,

jij een beer en een boek.

Dadelijk zou het anders zijn,

het nieuwe huis een haven.

Ze zouden jullie komen halen,

niet schreeuwen; ze kwamen,

schreeuwden: ’opschieten,

opschieten nou.’ Hun gezichten

grauw als vuilgelopen sneeuw.

Je omklemde met beide handen

de laadklep, je broer de jam.

Jullie keken de verte van de straat in

waarin alles wat jullie kenden verdween.

Je broer huilde. ‘Niet bang zijn.,’

huilde je. ‘Ik ben niet bang.’

 

Ik vertel juist voortdurend verhalen; omdat ik mij naakt weet en niet naakt wil zijn, omdat ik vaak daar ben waar ik weg wil en omdat ik ook mijzelf dikwijls vaderlijk moet toespreken: flink zijn, en dus zeg ik dat u het hoort: als er iets niet uit den boze is, is het wel het vertellen van verhalen. Hoe lang de lijm houdt, is reden tot zorg, maar kortstondig lijkt wat gebarsten was heel. Mijn blik rust altijd op de wereld, maar om die goed te zien, doe ik minimaal één stap opzij.

Daarmee is het voor nu bijna gezegd. Ik wil graag op u toosten. Op de Vereniging voor Letterkundigen die deze avond zo uitstekend heeft voorbereid en mij een zeer dierbare muzikale en poëtische omlijsting heeft bedacht. Zeer veel dank daarvoor. Natuurlijk dank ik de gewaardeerde jury, wier oordeel mij hopelijk met gepaste fierheid vervult. Een groot dank je wel ook aan de mensen met wie ik werk; de titanen van Terras, van het Letterenfonds en de dichters en schrijvers die de status van concurrent of collega zijn ontgroeid. Ik dank vooral ook mijn uitgeverij, De Bezige Bij, alle mensen daar met wie ik heb gewerkt, werk en hoop te werken – alle dichters die toen ik begon te schrijven voor mij belangrijk zijn geweest, waren dichters van de Bij; Jules Deelder, Lucebert, Remco Campert, Hans Faverey, en ook de eerste bundel van Vladimir Majakovski verscheen als Literaire Reuzepocket bij de Bezige Bij. Ik ben gevoelig voor die traditie en alleen al te mogen rondlopen in het pand waar die traditie vorm kreeg, maakt mij trots. Dan een speciaal woord van dank voor mijn vrienden, ik heb een eigenaardig beroep waarin ik veel tijd verbreng in gesprek met mij vreemden, vaak in meer dan één betekenis. Daardoor wordt kostbare tijd gemorst, ben ik vaker dan ik zou willen niet op de plek waar ik zou moeten, ik dank jullie voor het aanhoudende begrip en dat zo vaak blijkt dat het hoe het was, nog is. En natuurlijk dank ik, tenslotte, maar voor alles, mijn familie en gezin. Schrijven draait niet om aandacht en ijdel zijn, het gaat om je kleren aan moeten en niet willen, om het worden vastgelegd wanneer je op je breekbaarst bent, en het gaat om het vinden van een uitweg, een roofvogel of raket die je meeneemt, naar waar je op eigen voorwaarden zichtbaar bent en een onverbiddelijk uitzicht hebt.

 

          

Over de auteur:

Mischa Andriessen (1970), schrijver, vertaler, recensent. Publiceert over jazz en beeldende kunst en vertaalde onder meer Graham Swift. Publicaties: Uitzien met D (poëzie, 2008), Huisverraad (poëzie, 2012) en Dwalmgasten (poëzie, 2016). Hij publiceerde proza in De Revisor.