thema:

Vier gedichten

Vertaling: ,

Het appartement van de identiteit

Dank je wel Anne

Ik zou graag naar de wind willen kijken. Hem zien. Hem vast
willen houden. Ernaar staren. Elk fragment van mezelf willen
uitademen naar een ander zelf. De taal valt uiteen. Iemand kijkt
naar mij als met de ogen van een natie vanuit het raam
van zijn appartement, in de Eugene Suestraat, al voorbij
het verlaten dat voorbij zal gaan. Vier grote grijze wolkenformaties
drijven over. Zij vormen een kruispunt van wind in de hemel.
Witte wolkenpartijen daar nog boven. Zij bevatten de bibliotheken
Noord en Zuid. Ze komen uit alle windrichtingen. Hompen taal
breken de identiteit, woordenboeken raken in wanorde,
na Frankrijk, na Afrika. De avond valt
terwijl sirenes van een ambulance klinken. Wij leerden
in ons eentje toen we nog samen waren. De walm
van jouw lichaam maakt dat er taalkiemen groeien
uit het stof op het balkon van het appartement. Tabaksrook
haalt een dichter op die nu nog in zijn reiskoffer zit. Vogels,
betrouwbare kinderen van het seizoen, vertellen waakzaam
verhalen uit de kruidentuin. Linialen meten de dood,
en een werkloze steekt een betoog af in een wagon
terwijl de metro station Stalingrad voorbij rijdt.

Dat appartement bevat:
– Het oproer van schoenveters uit het gebied van het Kubisme
– Een dia van een trouwring op een tong
– De onvolkomen dans van Henri Matisse
– Bloemen die zichzelf ombrengen in Saint-Michel, in de Notre-Dame
– Een oude zwarte man die tegen zijn beide grote tassen praat op metrostation Duroc
– De teloorgang van het Post-Modernisme in de internationale geldstromen

Het alarm in het appartement trilt alle geluiden los van de muren,
bakolie verkoolt op het elektrisch fornuis. De rook wordt een wolk
van roet. Ik kan niet zien, niets vasthouden, niet meer staren,
een identiteit uit de koffer pakken die maar mee blijft schudden
zonder bankrekening. Een waaiend kruispunt maken voor de foto’s
van de wonden van elke staat.

Vergeet mij. Vergeet mij nadat alle culturen stilgevallen zijn.

 

 

 

 

 

De machine die schaduwen vastnaait

Hallo Ulrike Draesner

Nacht, vóór het holst van de nacht. Boeken ontdoen
zich van de echtgenoot voordat hij zijn mannelijkheid
verliest. Afstand die nooit verandert tussen de lijsten
van de inkomende en uitgaande post. Een operatiemes
op het scherp van de taal, flessen met infuusvloeistof
van achter de poorten van Berlijn halen de nachtlampen weg.
De maat van een overhemd kan niet de schaduw vergroten
van een man buitenshuis. Wat poëzie is, vraag jij. Tussen
taalcursussen, het verplaatsen van stadscultuur
van een muurschildering van de East Side Gallery
naar een andere muur, en de geur van boter realiseert
een tong tussen mespunten. De onttakeling van herinneringen
vanaf de baarmoeder tot aan de karkassen van vliegtuigen.
En lager nog tot het besef van een geweldige rotzooi.
Je merkt dat poëzie jouw ziel grijpt om de schaduwen van de taal
te ondergaan en de ruimte daarvan heeft buitenkant
noch binnenkant. De zwaartekracht van de liefde doet de afstand
tussen werelddelen teniet, voert een Indiaas kind naar jouw knuffels.
Maar hoger nog, woorden die elke vorm van vertegenwoordiging
ondermijnen. Van ’s avonds tot na middernacht. Je ervaart
dat de wanden van je huis nog steeds elke herinnering voelen
die uit de geschiedenis ontsnapt, door te lezen, op de manier
zoals ik heb geleerd. Bruggen waar verhalen over binnenkomen.
Wat poëzie is vraag ik me af: een afgescheurd treinkaartje op station
Beusselstrasse dat een windvlaag oproept tot aan de Rosenthaler Platz.
Het verschuiven van poëzie tussen de continenten, van de valstrik
van de woorden, van elke vertaling die naar een wond stinkt. Ik steek
mijn armen in de taal, jij plant een wit seizoen in jouw glimlach.
Ik kan nog steeds de kruiden ruiken die ik ooit achterliet, die me in de war
brengen tussen Javaanse tierelantijnen en mijzelf, die vermenigvuldigd
word in het kopieerapparaat. De nacht is nu bijna voorbij. Wat is poëzie?
Wij allen zijn de afbeelding van de taal. De schaduwen zijn afgebladderd.
Het licht uit elke baarmoeder halen die leven wil geven. Wat poëzie is:
een naaimachine die de schaduwen lijf na lijf vast blijft stikken.
Een geluidloos opflakkeren in verlaten kleren. Nacht, een nanacht
die niet meer hier is.

 

 

 

 

 

IJsblokactiviteiten

Die jongeren weten wel, dat hun lichaam een ijsblok
zonder nummer is. Ze smelten om te kunnen vrijen.
Ze smelten om werk te vinden. Ze smelten
om schoenen te kopen. En om daarna weer
te bevriezen. Ze smelten om weer een ijsblok
te worden. Ze vriezen dicht om te smelten.
Ze worden een blok ijs om het huis binnen te gaan.
Om naar school te gaan. Ze stollen en smelten als water
dat in de koelkast wordt bewaard.

Om zes uur ‘s morgens beginnen ze al te smelten om voor één uur
‘s middags weer een blok ijs te worden. Ze willen de zon laten schijnen
in de nacht. Een zon in het teken van het politieke klimaat. Een nachtelijk
dak om de geschiedenis van zich af te schudden als elektriciteit
die uitvalt. Wees geen held om anderen te beschadigen. Een land
is als een maag vol stenen. Om acht uur ’s avonds begint het blok ijs
te druipen, het water zoekt de laagste temperatuur om opnieuw te verstijven.
Langzaam maar zeker beginnen hun hersenen en hart hard te worden.
De nieren, de gal. Een blok ijs.

Het blok ijs laat de koude lucht vrij. Het ijsblok. Het is zo vreselijk
koud. Een kou die de stroom van het blok ijs lamlegt. Een kou
die jou onwetend maakt. Ben ik dat, ben ik het die zich in
of buiten die koude luchtstroom bevindt? Ben ik het ijsblok
dat in paniek raakt? Ben ik een rotsblok dat met verhalen worstelt
die volop aan het bevriezen zijn?

Het tikken van de tijd klinkt zo koud in jouw stad.

 

 

 

 

 

De papiervernietiger

Kom, drink maar. Nee. Ik ben geen jonge kokosmelk
meer. Eet maar, als dat klopt. Help maar. Nee. Ik ben
geen nasi rames meer. Kom maar in mijn badkamer,
help maar als je geen dorst hebt, als je geen honger hebt,
als je er genoeg van hebt om te eten. Laat me je
goed onthalen omwille van alle verlangens die de muren
van mijn ego verbrijzelen. Hoe kan ik naar buiten gaan
als jij niet binnen komt?

Je kunt horen dat mijn badkamer de taalregels wast,
met de overtuigingskracht van een teleseller. Geef
je hand maar, laat me je leiden. Jij daar, kom maar
hier. Het nu in het toen. Kom maar binnen als je niet
van grammatica houdt. Werk maar mee als dit zo is,
vervang jouw kleren door de mijne.De wasmachine
heeft alles al gewassen nadat ik van de drank moest braken,
nadat ik huilde, nadat ik twaalf minuten geleden zelfmoord
pleegde. Stel je mijn lichaam in de kleding van die leegte voor.
Lees gerust over al jouw verdriet:

“Gisteren was ik verveeld, vandaag ben ik verveeld en morgen
zal ik al net zo verveeld zijn als gisteren.” Moet de theorie
van de taal in een ijsjesmuseum veranderd worden, zodat jij
je niet hoeft te vervelen. Alsjeblief. Alles wat in de naam
van de taal is gedaan, vormt een masker van vuur. Gelegenheid
om jouw lichaam te veranderen in een papierversnijder.
Help een handje, ik ben slechts iemand in proza als deze tekst,
een reiziger die geactiveerd wordt door een woordenboek.
Een somber vers in de mond van een dode dichter.

Help me slapen in jouw onvertaalbare stilte.
Een papierversnipperaar die alleen in jouw verhalen
bestaat.

Over de auteur:

Afrizal Malna (1965) is geboren in Jakarta. Hij is niet alleen actief als dichter, hij schrijft ook proza en voor theater. Hij studeerde filosofie aan het Driyakara College en laat zich beïnvloeden door de chaos van de internationale urbane cultuur. Hij beschrijft zijn gedichten als 'een visuele grammatica van dingen.' Zijn werk is vertaald in het Engels, Duits en Portugees en hij won ondermeer een prijs van de RNW (Radio Netherlands Worldwide). Op het moment woont en werkt hij in Berlijn.

Over de vertalers:

Albert Hagenaars (1955) schrijft behalve gedichten ook vertalingen en kritieken. In zijn werk staan de thema's reizen en interculturele relaties centraal. Poëzie van zijn hand werd gepubliceerd in het Duits, Engels, Frans en Indonesisch. Zijn laatste boek is 'Bloedkrans' (In de Knipscheer, 2012).

Siti Wahyuningsih werd geboren in Yogyakarta. Zij studeerde bos- en tuinbouw, woonde in o.a. Jakarta, Singapore en Leeds en werkte voor Indiase, Japanse, Australische en Belgische bedrijven. Sinds 2006 woont en werkt ze grotendeels in Nederland. Enkele jaren geleden is ze samen met haar man systematisch Nederlandstalige poëzie in het Indonesisch gaan vertalen, en andersom.