thema:

De keeper ben ik III

Vertaling:

4

De oude Sutter, Ueli zijn vader, is procuratiehouder in een bedrijf of zoiets. Best aardige vent, op zijn manier. Zat geloof ik in de gemeenteraad, toentertijd, of in een van die commissies. In ieder geval is hij nog oude school, gelooft nog in het goede en in het slechte, wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt.

Ach welja, die Sutter is best oké. Doet tenminste nog wat en engageert zich. Vroeger, toen we nog kids waren, heb ik natuurlijk nooit stilgestaan bij dat soort dingen. Toen zag ik alleen dat het huis van de Sutters net iets beter was dan dat van ons, en dat ze vooral een veel dikkere auto hadden. De Sutters hadden een vuurrode Lancia GT, en wij zo’n Opel Kadett, gewoon pijnlijk. Iedereen zag dat Ueli meer spullen had. Een leren bal, een paar Adidas Rom dat zestig frank kostte, en dan ook nog noppenschoenen om te voetballen én spikeschoenen om te hardlopen, zodat ‘ie niet uitgleed op de sintelbaan, want een tartaanbaan hoefde je toen echt nog niet te zoeken bij ons in het dorp. Hij had ook Atomic ski’s met Salomonbindingen en skistoppers, terwijl wij nog steeds van die suffe leren riempjes hadden enzovoorts.

Bij mij thuis zeiden ze alsmaar dat het niet op het merk aankomt. Of je een goede sporter bent, hangt nog steeds meer af van jezelf dan van je spullen. En de Sutters, zeiden ze, waren nou eenmaal de Sutters; en wij waren wij. Je mag dankbaar zijn dat je überhaupt ski’s hebt, was het dan; andere kinderen hebben helemaal niks en zijn toch tevreden. Ik had wel kunnen brullen en tieren van pure wanhoop, iedere keer dat ik weer naar díe plaat moest luisteren.

Misschien was het ook allemaal wel waar, nondeju, maar dat boeide mij toch niet! Het enige wat ik zag, was dat ik er op dat voetbalveldje bijliep als een achterlijke gladiool, nee, als de allerachterlijkste van de achterlijke gladiolen. Ik was op dat hele veldje de enige idioot in van die vieze, versleten, meelijwekkende achterlijke-gladiolen-sportschoentjes van zeildoek. Die zijn tegenwoordig weer helemaal in, maar daar had ik toen natuurlijk niks aan. Daarom, en alleen daarom, heb ik het toen maar tot mijn gewoonte gemaakt om het commando te gaan voeren. Zolang ik de baas uithang, dacht ik zo, komt het in niemand op om wat te gaan zeggen over die pijnlijke schoentjes van mij.

Maar wat ik wilde zeggen: ik kan Ueli toch niet gaan redden, alleen omdat zijn vader door de telefoon zei dat hij zich zorgen maakt? Ueli en ik, wij zijn vrienden. Dat klopt, dat is een feit. Maar het is ook een feit dat Ueli al jaren omgaat met een aantal figuren die ik onguur vind. Niet dat ik anders of beter ben dan Ueli, maar ik heb wel de indruk dat ik mijn vrienden beter heb gekozen dan hij de zijne. Zelfs in de moeilijkste tijden heb ik er nog een beetje over nagedacht met wie ik wat voor deal uitonderhandelde.

En dan zou ik er nu voor moeten zorgen dat hij weer terugkomt op het goede pad? Uitgerekend ik?

Ben ik soms maatschappelijk werker? Ben ik dominee? Ben ik arts? Ben ik, of all people, nou echt degene die Ueli Sutter weer terug moet krijgen op het pad van de deugd? Nee, ik ben niks.

En bovendien ben ik een enorme sukkel, omdat ik, toen gisteravond thuis alles voor mijn ogen draaide nadat ik de maat was kwijtgeraakt bij het pimpelen en me uiteindelijk klem had gezopen aan zo’n peperdure fles Gran Riserva, à raison van drie tientjes de fles, ben gaan bellen. Met Regula. Om één uur ‘s nachts.

Dat is nou precies het soort idiote actie dat je onderneemt als je jezelf een eind de euforie in zuipt en je wijsmaakt dat alles goed is en dat jijzelf zeer goed bent, terwijl helemaal niks goed is. Ik weet het ook wel, maar ja, daar had ik vóór dat telefoontje aan moeten denken.

Ik dus Regula gebeld. Het duurde vrij lang, dus ik maar wachten. Krijg ik Budi aan de lijn.

Wie is daar? vroeg hij.

Ik ben het, zei ik, Keeper. Of hij zo goed wilde zijn om Regula even te roepen.

Wat wil je? vroeg hij.

Regula, dus.

Ja, maar wat ik van haar wilde, op dit uur.

Dat zeg ik haar liever zelf.

Of ik niet wist hoe laat het was.

Jawel, dank je, weet ik. Ik heb namelijk een tophorloge, nog steeds die oude Tissot. Die moet ondertussen wel 15 jaar oud zijn, maar niet kapot te krijgen. Een Automatic Seastar, echt een super horloge, die Tissot Seastar, totaal betrouwbaar. Niet meer in productie, maar nog steeds super goed.

Hij hoefde mij dus echt niets te gaan vertellen over de tijd. En bovendien belde ik om iets belangrijks met Regula te bespreken.

Regula slaapt, zei hij.

Dan maak je haar maar wakker.

Wie ik eigenlijk dacht dat ik was.

Wie hij eigenlijk dacht dat hij was.

Ik waarschuw je, zei hij.

Oh, eng! Je kunt me beter niet bang maken, zei ik, en dat de zenuwarts tegen me had gezegd dat ik moest waken voor te veel stress, qua zenuwen.

Of ik aan de drugs was, wilde hij weten.

Of hij eigenlijk mijn moeder was, vroeg ik terug.

 

Zo ging dat nog een minuut of vijf door, steeds wat harder, tot ineens op de achtergrond haar warme, prachtige stem klonk.

Ze zei dat hij haar de hoorn moest geven. Misschien was het wel belangrijk.

Hij blafte alleen maar dat ze stil moest zijn, en terug het nest in. En tegen mij zei hij dat ik het niet nog een keer in mijn hoofd moest halen om hem op dit uur te bellen, anders zou ik hem leren kennen.

Ik zei maar eens niets. En vroeg na een pauze of hij haar nou eindelijk even aan de telefoon kon roepen. Dat ik haar iets moest zeggen wat dringend was, iets wat niet kon wachten, iets wat besproken moest worden onder intelligente mensen.

Hij gilde iets vulgairs en smeet de hoorn erop. Toen was er alleen nog de zoemtoon, hard en koud. En toen helemaal niets meer.

 

Zo staat het er nu voor. Geen goed idee, dat telefoontje vannacht, echt niet. Maar volgende week begin ik in de drukkerij, en dát is wat nu telt. Ze kunnen me ook allemaal wat. Van mij mogen ze verrotten en vergaan, met hun slaappillendromen van een eigen huisje met parketvloer en tafel-met-stoeltjes in de tuin en een wintertuin en zelfgespaard particulier vermogen bovenop de AOW en al hun dichtgemetselde levensontwerpen.

Had ik mijn kat nog maar! Voordat ik de bak indraaide had ik een katje, een tijgertje. Dat was leuk, tussendoor zo’n beestje in de buurt hebben. Ik heb hem afgemaakt, omdat ik het niet over mijn hart kon krijgen om hem naar een asiel te brengen. Ik zou er weer een kunnen nemen, maar het is vast niet meer hetzelfde.

Misschien koop ik van mijn eerste salaris wel een fatsoenlijk koffiezetapparaat. Ik krijg zo langzaamaan het zuur van die stomme espressokan om dicht te schroeven, waarbij je nooit weet wanneer die hele koffiezooi tegen het plafond spuit of, nog erger, in je gezicht.

 

Ik moet naar buiten. Het plenst en het is koud en donker. Maakt niet uit, ik doe wel mijn jas aan. Het is een goede jas. Daar kun je ook in nat weer urenlang in rondlopen en hij ziet er nog goed uit ook, donkerblauw, dure stof.

Toen Ueli en ik nog naar school gingen, speelden we vaak dagenlang in de regen. Hij was Netzer, en ik was Cruyff. Sommigen denken dat ik alsmaar in het doel stond, omdat ik overal Keeper word genoemd. Dat klopt niet. Die naam staat los van de positie.

In het doel stonden altijd de lui die er niets van konden. En ik kon er wat van. Ik heb op dat hobbelige veld meer doelpunten gescoord dan alle anderen bij elkaar. Het was ook niet echt een voetbalveld, maar gewoon een strook gras, tussen manegeplein en hoofdstraat. Meer had onze wijk niet te bieden, maar voor ons was het voldoende. Toen was sowieso alles voldoende. Als het goed gaat met je, is alles voldoende. En met mij ging het goed, als kind, heel goed, al had ik dat toen niet door, natuurlijk.

 

Ik weet helemaal niet waar ik heen wil lopen. Ik wist alleen net ineens dat ik naar buiten moest.

Ach, ik loop eens richting Schoren. Misschien is Ueli thuis en zet hij een kopje thee voor me of zo. Zou kunnen. Dan kunnen we wat ouwehoeren over vroeger, toen we nog kids waren en toen alles nog goed was. Nou ja, bijna alles dan. Beetje kletsen over Etter, bijvoorbeeld, die bij het voetballen overal een foul in zag en maar bleef roepen: ‘penalty!’ Ach welnee, joh, dat is toch geen penalty! Vergeet het maar. Hou je waffel, Etter! Je droomt, Etterli, dat was nooit en te nimmer een overtreding, echt niet. Ik heb je nauwelijks aangeraakt. En hij languit op de grond, één hand aan zijn scheenbeen, de andere in de lucht: penalty; dat was een penalty! Terwijl wij allang gewoon verder speelden.

 

Ueli woont op de begane grond van zo’n klein bijgebouw van een boerderij. Niet slecht. Beetje klein misschien, maar lekker goedkoop. Boven hem woont een oude vrouw, die niets meer hoort. Dat is handig, qua muziek en zo. Maar het is nu even helemaal niet handig. Ze kijkt me aan, staat bij het open raam en hoort niets van wat ik zeg. Ik wijs op de deur beneden. Begint zij over het weer. Of ze weet waar Ueli is en wanneer hij weer terugkomt. Of ze hem heeft zien weggaan.

Ja, zegt ze, gister al de hele dag, en dat terwijl hij voor gister en vandaag nog mooi weer voorspelde.

Wie? Wie voorspelde mooi weer?

Dat zeg ik toch: ze hebben het steeds vaker mis, die lui van het weer. Maar ach, wij nemen het maar zoals het komt. Ja toch? Wat wil je ook anders? Als we het weer ook al zelf konden bepalen, zou het ook niet goed komen.

En Ueli dan, die van de begane grond?

Ach weet u, ik geloof ze zo langzaamaan echt niet meer.

 

Vergeet het gewoon, Keeper, zeg ik tegen mezelf. Maak je niet druk. Misschien word je op een dag ook zoals die oude vrouw, maar zeer waarschijnlijk toch maar niet. Zeer waarschijnlijk ga je eerder dood.

Ik loop het dorp in en haal een paar videofilms. Of nee, geen videofilms, want daar sla je alleen de tijd mee dood. Ik kan beter een paar boeken halen. Boeken houden je langer bezig en vooral heb je erna niet zo’n leeg gevoel in je hoofd, als je ze uit hebt. Althans als het een beetje goede boeken zijn.

Shit, het was leuk geweest om nu met Ueli een beetje op te scheppen over vroeger. Wat zou vriend Etter inmiddels doen? Ik geloof dat die de kweekschool deed en leraar werd. Is direct na de kweekschool voor de klas gaan staan, in een of ander dorp. Dat is alles wat ik weet. Die is nu vast schoolhoofd of hoe dat heet. Altijd een streber geweest, die Etter, en altijd aan het janken over zijn penalty’s.

 

Dat is een penalty!

Hou je waffel, Etter! Dat is never nooit een penalty, suffe aap!

Als hij het team mocht samenstellen, koos hij mij nooit als eerste. Waarschijnlijk wilde hij me bewijzen dat hij mij niet de beste vond.

En kleine Balsiger dan? Wat zou die toch doen tegenwoordig? Die bleef alsmaar over als er ploegen werden gevormd, tot iemand zei: die kunnen jullie hebben.

Nee, nemen jullie hem maar. Wij hebben hem niet nodig.

Nee, jullie nemen hem! Wij zijn sowieso al met eentje meer dan jullie.

Maakt niet uit, hij is van jullie!

Doe toch wat je wilt!

Niemand wilde kleine Balsiger hebben, en toch heeft een van de teams hem uiteindelijk altijd wel genomen. Godsamme, dat waren goede momenten! Echt goede momenten. Die middagen komen nooit meer terug.

Ik weet niet waarom, maar de enige met wie je vandaag de dag nog serieus kunt praten over die tijd, is toch Ueli, ondanks alles. De andere jongens zijn óf allang vertrokken, óf ze kunnen zich er niets van herinneren, omdat ze een slecht geheugen hebben of geen geheugen wíllen hebben. Zoals de hele verdomde wereld tegenwoordig geen geheugen meer lijkt te hebben.

Succes verdraagt geen geheugen en niemand wil zich dingen herinneren, omdat de optimisten, de visionairen, de zonnebankwentelteven van televisie en al die adviserende paljassen van tijdschriften en zo ook altijd beweren dat je altijd maar vooruit moet kijken.

Je breekt een poot. Maakt niet uit: je moet vooruit kijken! Je raakt je baan kwijt. Maakt niet uit: je moet vooruit kijken! Je gaat failliet. Maakt niet uit: je moet vooruit kijken. Je hebt kanker. Vooruit kijken!

Ja, sorry, hoor: waarheen precies? Waar moet je precies heen kijken als je merkt dat je lijnrecht tegen de vlakte gaat? Schei toch uit met dat gelul! Als het er achteruit beter uitziet dan vooruit, dan kijk ik liever achteruit.

En als dat geplens buiten binnenkort niet eens ophoudt, dan blijf ik in deze bibliotheek zitten tot een van de bibliothecaressen of desnoods de conciërge me eruitgooit. Maar eerst zeg ik nog tegen ze dat ze een taxi moeten bestellen voor me.

Dat maakt altijd indruk op ze, dat met de taxi, omdat hier geen mens een taxi neemt zolang die nog zelf kan lopen. Dus als dan iemand als ik een taxi neemt, van de bibliotheek naar huis, dan hebben ze iets om over te praten.

 

 

 

Dit fragment is het vervolg op ‘De keeper ben ik’ deel I en deel II van Pedro Lenz, die eveneens online zijn verschenen: https://tijdschriftterras.nl/der-goalie-bin-ig/ en https://tijdschriftterras.nl/de-keeper-ben-ik-ii/

Over de auteur:

Pedro Lenz (1965, Langenthal, Kanton Bern, Zwitserland) leeft als dichter, schrijver en columnist in Olten. Na voltooiing van zijn opleiding tot metselaar in 1984 heeft hij in 1985 alsnog zijn toelating tot de universiteit behaald en een aantal semesters Spaanse Literatuur gestudeerd. Sinds 2001 werkt hij voltijd als schrijver. Als auteur is hij lid van het project “HOHE STIRNEN” en van de Spoken-Word-beweging “Bern ist überall”. Lenz heeft ook teksten geschreven voor verschillende toneelgroepen en voor de Zwitserse publieke omroep Radio DRS.

Over de vertaler:

Jolanda Ammon (1961) is geboren in Bern en beëdigd vertaalster Nederlands-Duits en Duits-Nederlands. Ze begon als secretaresse bij Ammann in Schemerdal ehm Langenthal, werd daarna assistent-persvoorlichter en later campagnecoördinator bij Amnesty Zwitserland; verhuisde 1991 naar Nederland en werd in-housevertaler bij Tauw in Deventer en ondertitelvertaalster bij het NOB in Hilversum. Sinds 2002 werkt ze bij de Dienst Verslag en Redactie van de Tweede Kamer. Ze is daarmee in 166 jaar stenografische dienst de eerste niet-moedertalig Nederlandse die meewerkt aan de Handelingen.