thema:

De ondergrond van de ondergrond

Hoe kunnen we leefbare werelden vinden op een uitgewoonde aarde? Kolonialisme, kapitalisme en klimaatverandering, om drie grote verhalen van vandaag te noemen, hebben ons niets anders te bieden dan een verhaal van de afgrond, van een klif waar we met zijn allen van af rennen, om vervolgens te pletter te storten. Is dit boze ondergangsverhaal het enige wat we delen? Literatuur, als verhalenmachine, moet tot iets anders in staat zijn. Niet tot een verhaal van een afgrond, met in het beste geval een zacht kussentje op de bodem, maar een verhaal over gezamenlijk overleven. Rehabilitatie, zo herinnert de Amerikaanse denker Donna Haraway ons in Staying with the trouble, betekent weer bewoonbaar maken, op beschadigde aarde.
Misschien biedt het werk van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) zo’n verhaal – een van deze verhalen, want het zullen er meerdere moeten zijn. Andrej Platonov was behalve schrijver ook ingenieur, en die technische belangstelling zet zijn werk apart van andere schrijvers die zuiver en alleen tot de intelligentsia behoorden. Op het nippertje ontsnapte hij aan de zuiveringen onder Stalin. Gedurende de jaren twintig en dertig schreef hij een reeks romans die lezen als een ondergrondse geschiedenis van de opbouw van het socialisme – het graven van slenken, funderingen en putten, het aanleggen van elektriciteitsnetwerken, watersystemen en andere infrastructuur, de hele basis van de basis waarop de socialistische heilsstaat zich kon vestigen. Geen van alle verschenen ze tijdens zijn leven. Dit viertal boeken – Tsjevengoer, De bouwput, De gelukkige Moskou en Dzjan – werd pas in de loop van de jaren negentig ontdekt en uitgegeven, toen de censuur was opgeheven en ze opdoken uit de archieven van de KGB of uit de eigen familiebezittingen.
Wat zijn werk zo bijzonder maakt is het perspectief: hij laat de periode van de revolutie tot de Tweede Wereldoorlog zien van onderaf. Zijn romans zijn composities van bovenwerelden, onderwerelden en de werelden daar weer onder, de werelden die we altijd vergeten in onze zoektocht naar het ideaal, een geruststellende fundament. Het is die onderste laag, de meest morose, meest troebele, meest vulgaire, die Platonov zichtbaar maakt. De personages die hij opvoert behoren vaak tot het subproletariaat, of het zijn ingenieurs en andere technische functionarissen, maar wat ze gemeen hebben is dat ze verslingerd zijn aan hun socialistische idealen en moeten overleven terwijl ze genadeloos worden blootgesteld aan de domme kracht van inerte natuur, onderdrukkende staatsverhalen en de geschiedenis, met haar voortdurende uitwissing van levens. Platonovs proza is een mengeling van sentiment, ideologische ernst en gefnuikte overtuiging. ‘Moskou Tsjestnova had gelijk dat liefde geen communisme [toekomst] is en dat hartstocht verdriet betekent’.
Toch bespot Platonov niet, bedrijft hij geen satire over de rug van zijn personages. Eerder krabt hij de hoogglans van het socialistisch realisme af, op zoek naar een nieuw realisme dat zich kan meten met de situatie ter hand, hoe krap ook. Hij weigert zijn handen af te trekken van de moeizame totstandbrenging van een leefbare wereld. Ik lees zijn werk als een poging om uit de negatieve dialectiek van hartstocht en verdriet iets te laten bloeien, om revolutiegeloof te verbinden aan de alledaagsheid waar ze anders, als we niet beter weten, onder zou bezwijken. De ijver van de personages, die zich op absurde wijze vereenzelvigen met hun technische taken, is niet blind, maar gericht op het verwerven van inzicht in hoe de dingen werken.
Gereduceerd tot basale levensdrang, op het meest viscerale niveau van honger, dorst, slaap en liefde, houden ze zich koste wat kost vast aan een reeks problematische proposities die het leven en zijn reproductie mogelijk moeten maken. Lauren Berlant zou die gehechtheid aan wat niet werkt aanduiden als wreed optimisme. De levens van zijn personages zijn versmald tot een soort gerumineer over de mogelijkheid om iets, al is het maar iets, te realiseren in de wereld. Zijn romans en verhalen bevatten aanwijzingen om door te gaan, zonder grote ideologische, technologische of zelfs maar praktische zekerheden. De ingenieur Sartorius, die gedwongen wordt ‘de grote weg van de techniek’ te verlaten en zijn zoektocht naar een zuivere weegschaal te staken; Vosjtsjev die een verzamelaar wordt van allerlei klein schroot als ode aan de planloze wereld; het personage in Tsjevengoer dat zich richt op de praktische problemen van het socialisme in het hier en nu, zodat hij niet overweldigd wordt door het terugwijken van de communistische horizon.
Zulk denken en handelen met beperkingen is actueel in ons eigen leven in een tijd zonder grote beloftes. Platonov leest als een tijdgenoot voor ons eigen leven, niet in socialistische, maar in kapitalistische ruïnes. Al zijn hoop is gevestigd op het werken met het weerbarstige en ongenaakbare, in plaats van over de troebelheid heen te stappen. Dit is de opdracht, als we de wereld willen blijven bewonen: om leren gaan met de grond waar we op staan, waar we in staan, zonder daarvan onze fetisj te maken, het zoveelste prachtige idee waarmee we af kunnen komen van de smeur op onze handen die de fetisjen van de bovenwereld – revolutie, vooruitgang – daar hebben achtergelaten.

Over de auteur:

Frank Keizer (1987) is een dichter die ook essays schrijft. Hij debuteerde in 2016 met de bundel Onder normale omstandigheden bij Uitgeverij Polis, is redacteur bij nY, tijdschrift voor literatuur, kritiek & amusement en geeft boeken uit bij Perdu.