Een man met het hoofd van een jaguar
zit aan de bar. Hij heeft alle kranten gelezen
en al veel te veel koffie gedronken, en nog is het vroeg,
maar nu, door de patronen die hij op de koperen
barstang slaat, en door zijn grote achterpoten
als twee basdrumpedalen op de sport van zijn stoel
hoort hij een heel andere muziek; niet de verontschuldigende
klanken van de draaiorgels, noch de grootspraak
van de narcocorridos, en ook niet het geroep om wraak
vanwege een gebroken hart, waarop altijd wordt afgestemd
door de schoonmakers en taxichauffeurs als ze op zoek zijn naar iets,
wat lijkt op de stilte van Mexicostad.
De jaguar spint, hij gromt, en op slag van twaalf,
nipt hij van zijn Pacifico en gaat door met wachten.
De percussiegolven zwellen aan en houden stand,
terwijl chicas en matrones, de bankiers en bedelaars,
de flikken en de tot de tanden gewapende militairen,
heen en weer lopen langs de magische verbindingen
van Zocalo tot aan de verste sloppenwijk. Dus wie
zou de jaguar durven vragen of hij ook verzoeknummers
doet en zich geroepen voelt om hardop het lied te zingen
dat zijn vacht en spieren rimpelen laat, iets wat zijn witte hemd
en stemmig zwart pak niet kan verhullen, dit lied van dood en paradijs?
Jij soms? Alsof de jaguar het snapt, simpelweg door jouw kant op
te kijken als je langsloopt, hij schudt nauwelijks merkbaar zijn hoofd,
en zijn gouden blik, ook al betekent deze dat jij onwaardig bent
om zelfs maar te durven vragen deze geheime muziek te mogen horen,
er desalniettemin in toestemt dat iedereen geboren is om hoopvol
te leven ondanks de groeiende bewijzen.
PoetTrio: Jaguar
Vertaling: Elma van Haren, Sean O'Brien, Willem Groenewegen