De winter bewoont dit land. Hij houdt zich in zijn plooien op als een huisdier. Hij rekt zich uit en duurt. Hij zet zich schrap. Hij houdt stand. Hij heeft zijn deugden. Hij is op zijn plaats. Mensen en dingen weten onder hem te leven, onder zijn gezag, hebben het geleerd, en zetten het dagelijkse leven voort.
De winter is oud, afgedragen als een kledingstuk dat ruikt naar lijf en huis. De winter is van goede kwaliteit, hij omhult, hij wordt niet weggegooid, hij kan altijd nog van pas komen, hij wordt bewaard. Voor volgend jaar, voor later, voor het hele leven. Hij wordt opzijgelegd.
De winter is gestreept met bruin, gespikkeld met doffe gelen. De kleur van winters is niet wit, niet altijd, niet voortdurend. In het putje van januari, van februari, komt het wit ongevraagd langs, het dwarrelt fonkelt gekscheert langs de bosrand, capitonneert de daken, put zich uit in vlagen, schittert onder het blauwe baldakijn van de opgespannen hemel. Dan is alles anders. Het is een ander land. Daarna trekt het wit zich op hooggelegen plekken terug om op het voorjaar te wachten.
De winter ruikt naar zwaar eten en, soms, naar houtvuur. Alles deugt om warm te blijven, het lijf te beschermen. Alleen bomen zijn blootgesteld aan het onherbergzaamste. Mannen, vrouwen zijn beweeglijk, doorkruisen landschappen in de auto, op elkaar gepakt in de mobiele cabine, ze zijn beschut, ze gaan en komen, ze houden het seizoen in bedwang. Ze worden door de winter gegrepen bij het verlaten van de stilgevallen, met mechanische middelen verwarmde machine, ze worden weer prooi, huid vlees pezen beenderen, ze haasten zich, wrijven zich in hun handen, ketteren, schudden zich verwensingen slakend binnenshuis uit.
De winter bewoont geheugens die getooid zijn met oude verhalen. Je hoeft niet ver te zoeken of diep te graven om de sporen van winterse dolaards op te delven, bezweken, alleen, met hun laarzen aan onder de opstuivende sneeuw, de overwonnenen, de mannen die in de nieuwe ochtend werden gevonden, te laat, als de kou had gewonnen, ze had meegenomen. Het is de oude strijd, allen denken er nog aan in een uithoek van hun hoofd. Zulke verhalen worden verteld, soms, bij de koffie, tijdens de nazit, als het lichaam verzadigd is. Zo weet je hoezeer je overleeft. Al langer dan de winter. Met zijn nachten die gloeien van puntige sterren.