Blog | , maart 8, 2019

bij zwaal z’n zeesnede

hurkend op lijf weegt hij zijn hand

gekropen kierdicht licht

stil verrukt staat de stoelgewende

ween slaat van de klokken

koude kerk en ik ineengeschrompeld

nul en loos     grijs is in liefde

voor streepje

rood

 

stil     langs de bomen

staat stil     de wil de tafel

de takken breken de luchten

boomdraagblad een vogel vliegt

moeizaam tegen de wind leegte en wak

we stonden daar

niets luistert

stamelduin

 

Zo kun je een gedicht schrijven van de verzamelde aanheffen in de eerste afdeling van zwaals eerste bundel fiere miniature oftewel, tevens, fiëre miniatoere. Die titel laat al zien en horen dat ieder woord van zwaal is wat het lijkt, en tegelijk iets anders. Dat geldt natuurlijk voor bijna alle dichters en voor alle woorden, maar niet altijd is de meerduidigheid zo verruimend als in het geval van zwaal. Want ook het consistente van zijn trant is verruimend: die leert je een open oog te hebben voor interpretaties waar je bij een ander niet zo gauw aan zou denken.

 

Is een pelvis bijvoorbeeld een schelvis die zich pellen laat, en zou die dan tegelijkertijd een schoot zijn, een engelse bekkenschaal? En kunnen we, lezend dat óók ineens engelse woord bilgewater, dat tevens lezen als bil-gewater? In een gedicht dat begint met ‘om godeswillen’ (en nadat we elders ook al het woord mildbil hebben aangetroffen), kan aan dit lichaamsdeel vast wel water ontspringen.

 

Bij zwaal is immers alles water, alles stroomt en vloeit, ook de lucht. Wie hem leest, merkt dat de geest daarbij alle kanten op schiet, want zwaal is een zwaluw. Hij wiekt en scheert, je ziet hem in een soort knipvlucht door het luchtruim van de blanco bladzij suizen, een flits, en dan alweer foetsie, weg, maar niet spoorloos verdwenen, want in het lege van het papier staan de sporen gekerfd, vaak in minuscule lijnen:

 

verte

glij

 

ijl

onder

tij

 

Het ijle ijlt, moet ijlen (er zit ook een gebiedende wijs in), de vluchtigheid verglijdt aan de einder, want de getijden gaan altijd door, zonder einde. Poëzie zonder interpunctie kent geen tijd. Het summiere maar onophoudelijk in gang zijnde weet zwaal even summier te verbeelden. Eén gedichtje was zelfs zo klein dat ik het tot op heden niet heb kunnen terugvinden – wel herinner ik me dat de slotregel was

 

craqueleer

 

In het voorafgaande was er sprake van een breken, een vallen of net nog hangen, het leek een ultra-minimalistisch minnedicht. Net als het allereerste gedicht uit die allereerste bundel:

 

hurkend op lijf

schortend

de hemel in

 

Dat is ontroerend, en in juist z’n eenvoud volledig universeel. Het kan een steentijdmens betreffen of een gewiekste bankier — hoe dan ook, hortend, schokkerig, iemands rok opschortend, stijgen wij in andermans lijf, gehurkt, naar opperste genietingen op. Al schort er van alles aan ons. Het doet denken aan Beckett of Getrude Stein, die ook vaak de context weglaten en tegelijk weer toevoegen, als stille lading. Heel mooi vind ik ook:

 

vaar weer

 

veer van licht

 

veer van water

 

veer van later

 

kom nog niet

 

‘veer’ is hier een veerpont, een mansdeel, het bootje van Charon, een vederlichte vogelveer, zachtheid, gedragenheid, het over en weer van het verende liefdesspel dat van de ene oever — het ik — naar de andere oever — het jij — pendelt. De slotregel vat dat geheel samen: ‘kom nog niet’. Liefde en lust wil immers duren; en de pont komt heus wel, net als de dood.

 

De zwaluw die zwaal is, brengt bij al dat wieken en scheren klanken en woorden ten gehore waar je van opkijkt — zoals je ook verheugd opkijkt bij het geluid van de gierzwaluwen, als ze weer terug zijn. Zwaal is niet alleen gevogelte, zwaal is taal. De dichter voedt ons, in zijn scheervlucht, met talige bevrijdingen vanuit ‘de kom der schoten’. Wat en waar dat is, kan ik hier niet nader toelichten, dat zoekt u maar op in het boek. Zelf gebruik ik de term ‘composynthese’, een volstrekt nieuw begrip.

 

Composynthese begint met componerende handelingen, taaldaden, die als componenten in iets wat  op een mentale erlenmeyer lijkt, dooreen worden geroerd, op zachtzinnige wijze geklutst, gecomposteerd als het moet, en dan, ineens, onverhoeds bij deze prewetenschappelijke procedure maar wel in het volle licht van de semantisch-vocale perspectieven — ineens geschiedt de transformatie: de tekst versmelt tot een gebeuren. Dat kan van velerlei aard zijn, maar altijd, in zwaals geval, vanuit één grondslag: de al genoemde ‘kom der schoten’.

Soms lijkt het een scheppingsverhaal, zoals:

 

 

zwelt hen

met zijn zeuggolf

zwijnmanshoog

 

brak gors geersteland waggelree

zien

kreekbleek

 

schoft der zeee

ontbloedt hen

 

Soms worden weidse ruimten aan de lezer geopend, met verrassende uitzichten:

 

melkschoon de bolling

der oneindige aarde

 

het beknepen land toont

tiet

 

Soms gedijen die ruimten in diepste eenvoud:

 

oever

drinkt

oever

 

Hoe simpeler de zegging, des te verder de reikwijdte.

 

Hoe etherisch kun je worden in je zwaluwende, geladen evocatie? Als tegenwicht is er aan zwaal ook een andere kant: daar verdonkert zijn werk tot ontzaglijk bloemkolende, bloezende regenwolken van taal, en dan spelen er zich barokke, burleske en dramatisch tonelen af. Het lijkt of de dichter vanuit zijn lucht- en waterspiegelingen op de chaotische aarde is beland, waar altijd gevaren en verlokkingen ons belagen:

 

een gewrichtenwijzer stuntelt bij viersprong en schipluiden.

het bolt daar op en het bewegingsapparaat is sloerie en van slag.

[…]

de klap van pijn is knol en het beeft daar zonder stag van

sokophoudersdestillaat dat neerslaat sans souci de geur.

 

Een hoogtepunt in deze uitspattingen, waarbij het woord ons, en de dichter zelf, overvalt als een hoosbui, is voor mij het droomgedicht ‘de buren bevaren de nachtbaren’. Het achteloos surreële, de laconieke precisie, zijn welhaast kafkaïaans.

Zwaal heeft zijn contrasterende kanten zelf samengebracht in één dichtregel:

 

de snijsnede is vormzedig maar redeloos tureluurs loops op draf

 

en voor beide contrasterende kanten geldt dan evenzeer de regel die erop volgt:

 

nooitgedachten avanceren

 

Van al die avances, tastend, doortastend of insinuerend, kunnen we nu in één zeesnede gaan genieten.

Dank u.

 

Deze inleiding werd uitgesproken bij de presentatie van ‘Zeesnede’ (Wereldbibliotheek) in Perdu op 2 maart 2019

Over de auteur:

Anneke Brassinga, geboren 1948 te Schaarsbergen, studeerde vertaalkunde in Amsterdam en was daarna werkzaam als literair vertaler en gaandeweg tevens als schrijver. Zij heeft werk vertaald van Sylvia Plath, George Orwell, Oscar Wilde, Samuel Beckett, Denis Diderot, Jean-Jacques Rousseau, Hermann Broch en vele anderen, en is betrokken geweest bij muziek- en dansvoorstellingen. In 2008 ontving ze de Constantijn Huygens Prijs voor haar gehele oeuvre, in 2015 de P.C. Hooft prijs.