Blog, Projecten | , december 13, 2018

Brieven uit Harar

 

Lieve A,                                                                                                         Harar, 11 december

 

Ik heb onophoudelijk uit het busraam gekeken tijdens de rit van Addis Abeba naar hier. Op terrassen die tegen de heuvels zijn aangelegd verbouwen boeren teff en graan. In valleien van rode aarde barsten de bomen van de mango’s en papaya’s. Af en toe stopte de bus bij een provisorisch wegrestaurant waar ze injera serveren, hét nationale volksvoedsel van Ethiopië. En koffie! Onderweg maakte ik mijn eerste echte Ethiopische koffieritueel mee. Het was op een pleintje van aangestampte aarde langs een zandweg. Onder een mangoboom wakkerde een vrouw in traditioneel gewaad een houtskoolvuurtje aan. Op een platte schaal roosterde ze verse koffiebonen die langzaam even bruin en glanzend raakten als haar huid.

We zaten op kleine krukjes. De grond was bezaaid met gras, een teken van gastvrijheid. Wierook, dat blijkbaar een vast onderdeel is van het ritueel, kringelde omhoog en vermengde zich met de warme geur van de verse koffie. De bonen werden gemalen in een vijzel, overgoten met heet water en in kleine oorloze kopjes geschonken. Het was één van de lekkerste koppen koffie die ik ooit dronk. Aangezien het getal één hier ongeluk brengt en het getal drie voorspoed, volgden daarna nog twee rondes. Er bleek veel dat ik niet wist over koffie. Wist je dat koffiebonen eigenlijk bessen zijn? En dat koffie oorspronkelijk uit Ethiopië komt? Misschien dat het hier daarom met zoveel rituelen omgeven is.

 

We waren vroeg in de ochtend uit Addis Abeba vertrokken. Het was nog steeds ochtend, maar de zon was inmiddels op en wierp lange schaduwen op de zandweg. Herders dreven hun vee door het stof, kinderen in gekleurde uniforms waren op weg naar school. Een wervelwind stak dansend als een derwisj de weg over en viel op de vlakte uiteen in stof, takjes en dor blad.

Ik moest denken aan een gedicht van Wislawa Szymborska. Over het gelukzalige gevoel dat je soms zomaar ineens kunt hebben en het daarmee gepaard gaande besef dat dit misschien wel de gelukkigste dag van je leven is. Ik weet niet meer precies hoe het ging. Ik zal het opzoeken zodra ik thuis ben.

 

Na de koffie gingen we verder. Het landschap veranderde onophoudelijk. Van bergachtig gebied met alleen maar kale struiken tot glooiende heuvels vol wuivend graan en valleien vol fruitbomen. Her en der cirkelden gieren in de lucht, zoekend naar bezweken vee. Die zwevende beesten… het was schitterend en huiveringwekkend tegelijk.

‘Don’t look!’ De vrouw naast me met het meisje op schoot trok met haar vrije hand het gordijntje voor het raam. Ze glimlachte verontschuldigend. ‘Bad luck.’

Het meisje speelde met de armbanden rond haar moeders polsen. Om mij aan het lachen te maken verborg ze haar ogen af en toe achter haar handjes om ze even later luid schaterend te verwijderen en mij met grote stralende ogen aan te kijken. Haar lach werkte aanstekelijk en hulde de bus in een uitgelaten sfeer. De gesprekken waren licht en vrolijk.

 

Buiten de bus raakte het zicht voortdurend mistig van de Isuzu-vrachtwagens die ons in volle vaart voorbij denderden en in een stofwolk achterlieten. Die vrachtwagens zijn hier alomtegenwoordig. Het zijn uit het westen geïmporteerde tweedehands Japanse vrachtwagens die hier in Ethiopië met goedkope Chinese onderdelen in elkaar worden gezet. Ze zijn beladen met kratten cola, boomstammen of manden vol kippen en rijden als gekken. Soms zwenken ze pas op het laatste moment uit naar de goede weghelft, wat onze buschauffeur steevast hard en langdurig op de claxon deed slaan. Claxoneren is in Ethiopië net zo essentieel als ademen. Zonder overleef je niet.

De vrouw naast me met het meisje op schoot sloeg voortdurend kruisjes. Van haar leerde ik dat ze die Isuzu’s hier ‘Al-Qaeda’ noemen. Omdat het wegterroristen zijn.

 

We stopten in een klein dorp waar een markt aan de gang was. Vrouwen met ingevlochten haar verkochten groenten, kruiden, fruit, kippen en honing. Verderop was een gedeelte van het plein ingericht als toeristenmarkt. Er waren zilveren kettingen, aardewerken potten, katoenen doeken, lepels van hout en kammen van ivoor.

 

Ik was er niet de enige toerist. Het was een geliefde stopplek onder farangi’s. Er was een jong stel uit Japan en drie Fransozen. In de theetuin die een oase van rust was in vergelijking met de hustle en bustle van de markt, maakte ik kennis met Luc Delpeut, een grote kale Fransman op leeftijd in korte broek. Zijn besportsokte voeten staken in bruine sandalen. Hij reisde met zijn zus en haar man. Hij liet me de kalebas met honing zien die hij op de markt gekocht had. Voor zijn vrouw die thuis in de Périgord op hem wachtte. ‘Ze is niet dol op avonturen’, lachte hij. ‘Maar ze gunt mij de mijne.’

 

Toeristen zijn als honden, als kinderen, als motorrijders op de snelweg: ze herkennen elkaar van verre als soortgenoten. Hun taal bestaat uit de vragen die je als reiziger definiëren: waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Hoe lang blijf je?

Ook de Fransen waren onderweg naar Harar. Niet per bus, maar per jeep. De chauffeur wachtte in de schaduw van de bomen die het plein omzoomden. Toen ze even later de parkeerplaats afdraaiden en koers zetten naar Harar, zwaaiden ze alle drie uitbundig. Niet veel later, nadat alle manden en zakken met ingeslagen groenten, graan en fruit op het dak van de bus waren gehesen, vervolgden ook wij onze tocht.

 

Het landschap werd snel kaler. Er groeiden geen bomen meer, alleen nog struiken met gigantische doorns. De rode aarde maakte plaats voor rotsbodem. Alles was dor en droog. De enige tekens van leven waren de kamelen die door herders en kooplui langs de weg werden gedreven en de roofvogels cirkelend in de lucht. Ik zag niet altijd of het gieren waren, maar voor de zekerheid keek ik er niet te lang naar.

 

Bij een bocht in de weg remde de bus af en kwamen we tot stilstand. Er was zojuist een ongeluk gebeurd. Het asfalt lag vol koffers, kleding, stukken plastic en glas. Naast de weg lag een auto op zijn kop. De voorruit lag eruit. Overal schitterden glaskristallen in de zon. Naast de gekantelde auto lag een laken waar iemand onder lag. Ik herkende hem aan de sokken en de witte kuiten die onder het laken uitstaken. De sandalen waren nergens te bekennen.

De chauffeur stapte uit om te zien of hij kon helpen. Mijn hart klopte als een bezetene. Ik wilde niet kijken, maar mijn blik werd telkens opnieuw naar die witte sokken getrokken. De chauffeur gebaarde naar me. Als mede-Europeaan zou ik van dienst kunnen zijn. Toen ik uitstapte, zag ik dat het niet alleen de gebroken autoramen waren die het asfalt deden schitteren. Overal lagen glanzende stukken honingraat. Alles kleefde.

 

De zus zat met haar knieën opgetrokken tussen de doornstruiken. Ze staarde in een leegte. Haar armen waren geschaafd en haar blouse was gescheurd, maar verder leek ze ongedeerd. Haar man was druk bezig het hoofd van de chauffeur te verbinden dat hevig bloedde. Ik ging naast haar op de grond zitten en wist niet goed wat te doen. Met een flesje water begon ik de wonden op haar armen schoon te spoelen. Ze liet me begaan. ‘Mon frère, mon frère, mon Dieu.’ Ze herhaalde het als een mantra.

Vanuit de lage positie tussen de struiken kon ik onder het laken kijken. Op de plek waar zijn haar had gezeten, lag zijn schedel open. De glanzende massa hing er een beetje naast. Wat me trof was de gelijkenis met de structuur van de druipende stukken honingraat die overal op het asfalt lagen. Ik wilde dat ik dat nooit had gezien.

 

De buschauffeur laadde de koffers van de Fransen bovenop de bus bij de bagage van de overige passagiers. De zus, de echtgenoot en de chauffeur van de Jeep kregen een plek achterin. We zouden ze afzetten in de eerstvolgende stad met een ziekenhuis en politiepost. Twee passagiers legden grote stukken wierook rond het laken en staken die aan. ‘Tegen de wilde dieren’, zei de vrouw naast me zacht.

 

We reden weer, het lichaam van Luc Delpeut alleen achterlatend in de woestijn. Later zou de politie komen om het ongeluk in kaart te brengen. Tot die tijd mocht hij niet worden verplaatst.

De zon stond nog steeds hoog aan de hemel, maar de sfeer in de bus was veranderd. Iedereen was zwijgzaam en bedrukt. Af en toe klonk de mantra van de zus. Alleen het meisje op haar moeders schoot ging onverstoorbaar door met haar spelletje kiekeboe. Kon het maar: je slaat je handen voor je ogen en weg ben je. Ver weg van de wrede waanzinnige wereld.

 

 

 

 

 

 

Lieve A,                                                                                                         Harar, 14 december

 

Ik ben inmiddels drie dagen in Harar. We kwamen aan toen de zon al onder was. De stad ligt op een heuvel en lichtte tegen het schemerblauw van de hemel op als een sterrenstelsel. Harar is een ommuurde vestingstad, gebouwd op een heuvel tussen de Danakil-woestijn in het noorden en het Somalisch Plateau in het oosten. Het is al eeuwenlang een belangrijke handelsplaats: een kruispunt tussen Afrika, India en het Midden-Oosten. We reden de vijf meter hoge toegangspoort door en toen waren we er.

 

’s Nachts aankomen in een onbekende stad stemt me op de een of andere manier altijd triest. Het lijkt er in niks op wat ik me ervan had voorgesteld. Alles is gehuld in schaduwen en duisternis. De straten, de huizen, zelfs de mensen ademen er onverschilligheid.

Inmiddels weet ik: de nacht liegt. Harar is schitterend. Na het grijs van de woestijn en het vale geel van de dorre velden rond de stad zijn de lemen huizen die in verschillende kleuren zijn geschilderd en de vrouwen met hun kleurige gewaden een hallucinatie. Aan het eind van de middag worden al die kleuren nog verdiept door de dalende zon.

 

De stad is ommuurd door een vijf meter hoge wal, eeuwen geleden door de emir gebouwd om vijandige volkeren op afstand te houden. Harar wordt wel eens de vijfde heilige stad van de Islam genoemd. Het Mekka van Ethiopië, zeg maar. Een vreemde eend in de bijt van een verder overwegend christelijk land. Vijf poorten bieden toegang tot de oude binnenstad. Bij de zuidwestelijke Asma’adin Poort ruikt het naar brood. Niet naar brood uit de oven, maar naar brood dat gebakken wordt op open vuur. Zo’n warme oergeur die je direct terugpiloteert naar schoolkampen met speurtochten, nachtelijke droppings en kampvuren. De rook van de vuren maakt de pleinen en de straatjes van Harar nog sprookjesachtiger.

 

Er is niet veel veranderd sinds 1854 toen de Engelse ontdekkingsreiziger Richard Francis Burton hier verkleed als de Arabische koopman Mirza Abdulah el Bushri aan de poort klopte, binnengelaten werd en daarmee de eerste niet-moslim was die de stad betrad. Hij bleef er elf dagen. In zijn boek ‘First Footsteps in East Africa’ beschreef hij de wirwar van straatjes, de sfeer van de Arabische markt, de vrouwen met hun gekleurde gewaden, de geiten, de schapen, de kooplui met hun kruiden en fruit, de vijf meter hoge muur en de vele moskeeën en tomben die de stad rijk is. Ook in zijn tijd ademde Harar al de sfeer van Duizend-en-een-nacht.

 

Toen ik een jaar of negen was, wilde ik ontdekkingsreiziger worden. Af en toe stopte ik mijn lievelingsknuffel en mijn pyjama samen met een appel en een pakje Fristi in een rugtas en ging op reis. Daar, in die straten van de Apeldoornse nieuwbouwwijk waar ik opgroeide, ervoer ik voor het eerst het euforische gevoel dat zich van je meester maakt wanneer je je realiseert dat niemand weet waar je bent. Het duizelingwekkende besef dat jij degene bent die beslist of je rechts gaat of links. Dat gevoel heb ik nog altijd wanneer ik op reis ben, al is het effect niet meer zo krachtig als de eerste keer.

 

Ken je dat unheimische gevoel dat er iemand naar je kijkt? Ik had het zojuist toen ik in het donker terugliep van het restaurant naar het hotel. Ik had het nare gevoel dat iemand naar me keek en me volgde. Toen ik de straat overstak en bijna bij het hotel was, durfde ik me om te draaien. Aan de overkant van de straat staarden twee lichtgevende ogen naar me. Er was weinig licht, dus ik kon niet goed zien wat voor dier het was. Maar het moet een enorme hond zijn geweest. Een wolf misschien. Heel even stonden we oog in oog. Ik, verlamd van angst en hij, god weet wat denkend. Toen maakten we ons tegelijkertijd los: ik struikelde de hoteldrempel over en hij loste op in het donker van de straat.

 

 

 

 

 

Lieve A,                                                                                                         Harar, 15 december

 

De kluwen van honderden kleine steegjes en straatjes lijkt een doolhof, maar de meeste straten lopen óf dood óf ze komen uit op Feres Magala, de Paardenmarkt, het centrale plein van Harar waar al eeuwenlang handel wordt gedreven. In Mekina Girgir, een van de straten die erop uitkomen, zitten tientallen kledingreparateurs achter klassieke zware trapnaaimachines. Mikael zegt dat de straat daarom de bijnaam ‘Sewing Machine Street’ heeft. Mikael is gids. Hij leidt toeristen rond als ze er zijn. Hij weet veel van de cultuur.

Als hij ‘Ethiopia’ zegt, klinkt het als ‘Utopia’. Begin tegen hem niet over hongersnood, oorlog of corruptie. Daar wordt hij zwijgzaam van. ‘Ethiopië is een trots land’, zei hij. ‘We zijn nooit gekoloniseerd zoals de rest van Afrika. Daarom zal een Ethiopiër nooit voor je buigen.’

 

Sommige huizen in Harar zijn groen. Daar wonen mensen die de bedevaartstocht naar Mekka hebben gemaakt. Boven een aantal deuren steekt een paaltje uit de muur met een opgerold kleed erop. Volgens Mikael om aan te geven dat er een huwbare dochter woont. Voor wie ze kan lezen is Harar vol signalen en tekens.

 

Altijd wanneer ik in een land reis waar ik de taal en de cultuur niet ken, vraag ik me af: stel dat ik mijn paspoort kwijtraak of dat ik hier om wat voor reden dan ook niet meer weg zou kunnen, zou ik hier dan kunnen wonen? Zou ik mezelf hier kunnen redden? Zou ik kunnen voorzien in mijn levensonderhoud? ‘Reizen is vragen stellen die je thuis niet stelt. Niet over het land in kwestie, maar over onszelf’. Dat zei Herman de Coninck eens. Misschien is dit het soort vragen dat hij bedoelde.

 

Ik zou allereerst natuurlijk de taal moeten leren. Misschien zou ik daarna van het grote houten huis dat uitkijkt op Feres Magala een echt museum kunnen maken. Nu wordt het maar half uitgebaat; er hangen slechts vage gekopieerde foto’s met slecht vertaalde Engelse onderschriften. De verf aan de gevel bladdert. Ooit was het één van de mooiste huizen van de stad. Er wordt gezegd dat Arthur Rimbaud er woonde tijdens zijn verblijf in Harar.

Vanuit zijn bed moet hij ’s nachts de kamelenbellen van de karavanen hebben kunnen horen die buiten de stadsmuur wachtten tot de poort bij zonsopgang openging. Wat ook voor hém het teken was om op te staan en zich naar de markt te haasten waar hij handelde in koffie, muskus, huiden en ivoor.

 

Er is veel dat ik niet wist over Rimbaud. Natuurlijk, ik kende zijn poëzie en zijn reputatie als enfant terrible van de Parijse literaire wereld. Ik wist van zijn desastreuze relatie met Paul Verlaine, die ten einde kwam toen Verlaine hem in een Belgische hotelkamer in zijn pols geschoten had. En ik wist dat hij op zijn eenentwintigste gedesillusioneerd de poëzie de rug toekeerde en daarna waarschijnlijk nooit meer een gedicht schreef. Maar ik wist niet van de tijd daarna. Hoe hij rusteloos en op zoek naar grootsheid en succes, de wereld over reisde. Onder andere als tolk bij een rondtrekkend circus, als beroepsmilitair, als opzichter van een steengroeve en als fuselier, geronseld door de KNIL en aan boord gegaan in Harderwijk, om vrijwel direct na aankomst in Indië te deserteren. In een laatste wanhoopsdaad kocht hij van zijn laatste geld een bootkaartje naar Aden, in Afrika. Zo belandde hij in 1880 via een Franse koffiehandelaar in Harar en werd daarmee de eerste Europeaan die er zakendeed.

 

In Harar moet het leven zwaar zijn geweest. Met mensen wiens taal hij niet sprak onderhandelend over de prijs van huiden, koffie en ivoor, voelde hij zich dag na dag eenzamer. In een brief aan zijn moeder en zus in Frankrijk schreef hij:

 

‘Wees niet verwonderd dat ik nauwelijks schrijf: het is in de eerste plaats omdat ik nooit dingen tegenkom waarover ik iets zou moeten zeggen. Want als je in landen bent als deze hier, heb je meer te vragen dan te zeggen. Woestijnen zonder wegen, wat wil je dat een mens daarover schrijft? Dat je er ziek van wordt, dat je je dood verveelt, dat je ervan afstompt, dat je er genoeg van hebt, maar dat je er niet mee kunt ophouden, enz, enz. Dat is alles wat erover te zeggen valt.’

 

Arme Rimbaud. ‘Ik is een ander’, schreef hij jaren eerder al in één van zijn beroemdste brieven. Ik weet nog dat ik het op de middelbare school las en dat het me intrigeerde, maar dat ik het niet begreep. Ik begrijp het nog steeds niet, maar ik voel wel dat er een soort waarheid in schuilt. Eentje die Rimbaud er zelf waarschijnlijk helemaal niet in bedoelde. Ik is een ander: ik is meerdere ikken. Alle ikken die je zou kunnen zijn. Alle mogelijke levens die je zou kunnen leiden als je andere keuzes maakt. Enfant terrible van de Parijse literatuurscene, poète maudit, briljant vernieuwer van de West-Europese poëzie, steengroeveopzichter, beroepsmilitair, circustolk, KNIL-fuselier, handelaar in Harar…

 

Van Mikael hoorde ik trouwens dat Rimbaud niet alleen in koffie, huiden en ivoor handelde, maar ook in wapens. Hij smokkelde antieke geweren van Europa naar Abessinië en leverde die aan keizer Menelik II.

Volgens Mikael is het aan Rimbaud te danken dat de Italianen verslagen werden toen die het land in 1896 binnenvielen. ‘Zonder Arthur Rimbaud waren we waarschijnlijk geen onafhankelijk land geweest’, zei hij. Over grootsheid gesproken.

 

 

 

 

 

Lieve A,                                                                                                         Harar, 16 december

 

Een hyena! Ik geloofde ze niet toen de dames achter de receptiebalie me vanmorgen vertelden dat het wezen waarmee ik laatst oog in oog stond een hyena was. Ze zeggen dat er een pact bestaat, ontstaan in de zestiende eeuw, toen de emir die hoge vestingmuur liet bouwen en niemand Harar ’s nachts nog in of uit kwam. Ook de hyena’s niet, die de donkere straten afstruinden op zoek naar slachtafval van de slagerijen.

Niet lang daarna brak er een mysterieuze ziekte uit. Harari stierven massaal. Dat moest het werk van de duivel zijn. Iemand kwam op het idee om kleine poorten in de stadmuur te maken, een soort kattenluiken voor hyena’s, zeg maar. Zij zouden de boze geesten met hun hysterische gelach verdrijven. En dat gebeurde: de ziekte verdween. (Wat nogal wiedes is als er geen rottend vlees meer in de straten rondslingert. Maar dat is natuurlijk met de kennis van nu geredeneerd.)

 

Dat is de geschiedenis van de bijzondere vriendschap tussen Harari en hyena’s. Tijdens het Ashurafestival wordt die elk jaar bezegeld met een grote kom pap met boter die buiten de poorten gebracht wordt. Aan de hoeveelheid pap die de dieren eten, zien de Harari of het nieuwe seizoen een goede oogst brengt of dat het tijd is hard te gaan bidden.

 

Als ik zo geïnteresseerd was in hyena’s, moest ik de Hyenaman maar eens opzoeken, zeiden de receptionistes. Dus zo ontmoette ik Yusuf. Hij is een jaar of zestig, al is het lastig te zeggen. Zijn gezicht is gegroefd, maar de huid is soepel. En zijn ogen stralen een enorme jeugdigheid uit. Yusuf is Hyenaman. Ze zeggen dat hij hun taal spreekt. Elke avond voert hij de dieren, buiten de poort, vlakbij zijn huis. Hij praat over ze alsof het schoothondjes zijn. Vol liefde en genegenheid. We dronken flesjes ijskoud Harar Bier in een café met plakkerige tafeltjes en plastic tuinstoelen.

 

Volgens Yusuf worden hyena’s al sinds mensenheugenis verkeerd begrepen. Ja, het zijn wilde dieren. Ja, ze hebben de sterkste kaken van het dierenrijk. En ja, ze kunnen met gemak een volwassen vrouw op straat aan stukken scheuren en opeten. Maar dat zullen ze nooit doen, zegt Yusuf. Vanwege het pact dus.

‘Zij blijven van ons vee af en wij zorgen dat zij te eten hebben’, zei hij. Dat is de reden dat hij ze voert: uit dankbaarheid dat ze zijn vee met rust laten. En vanwege de vriendschap. Hij doet het al dertig jaar en kent ze allemaal uit elkaar. Ze zijn veel zachtmoediger dan wij denken, zegt hij. ‘Heb je wel eens een hyena tussen haar oren geaaid? Er is niets zachter dan dat. Zelfs een vrouwenhals is minder zacht.’

 

Yusuf woont vlakbij de stadspoort. Onderweg zag ik de vrouwen en meisjes met gigantische bossen takken op hun rug die onderweg waren naar de markt. Ze arriveren tegen het eind van de middag uit de omliggende heuvels. Het is voornamelijk eucalyptushout dat ze verkopen. ’s Avonds, als de zon onder is, geven de vuren die erop gestookt worden een aromatische wierookachtige geur die lang in je kleren blijft hangen.

 

In de keuken laadden we grote lappen kamelenvlees in twee grote rieten manden. Door het keukenraam zag je de contouren van de heuvels in de verte en het donker van de avond dat langzaam tegen de hellingen op kroop. Elke minuut kwamen er meer sterren bij. Toen het helemaal donker was, gleden we de nacht in, Yusuf zachtjes zingend met vreemde keelklanken en ik gespitst op elk geluid vanuit de struiken.

Het duurde niet lang voor zich uit de schaduwen twee lichtgevende ogen losmaakten. Langzaam kwamen ze dichterbij gezweefd totdat het dier dat eraan vastzat, zich losmaakte uit de schaduwen: de sterke poten, het gevlekte lichaam, de brede nek, de relatief kleine kop met de ronde oren, het roze tandvlees en de scherpe tanden in de druipende bek.

 

Yusuf gooide een stuk vlees voor het beest op de grond waar het direct op aanviel. Het dier was een en al hardheid en alertheid. Het stond strak van de energie. Het deed me denken aan een veer die op springen staat. Er hoefde maar iets te gebeuren of die samengebalde energie zou tot explosie komen.

Yusuf duwde een stok met een lap vlees eraan in mijn handen. Voor ik wist wat er gebeurde voelde ik een zware poot op mijn bovenbeen en zag ik de blikkerende tanden van de hyena die zich oprichtte om het vlees van de stok te scheuren. Vanuit de struiken maakten zich nog meer zwevende lichtjes los.

 

Hyena’s eten snel en veel. Een derde van hun eigen lichaamsgewicht of de afmeting van een klein kind in slechts een half uur. Ze verslinden alles: het geconcentreerde zoutzuur in hun darmen verteert zelfs de huid en de botten. Toen de mand leeg was en de hyena’s tussen de struiken verdwenen, wees Yusuf me op hun uitwerpselen die wit zien van het calcium.

 

Hij kan er inmiddels bijna van leven. Er komen soms toeristen naar zijn huis om het ritueel te zien. Sommigen laten de dieren het vlees zelfs van een stok uit hun mond grissen voor een nog spectaculairdere ervaring: oog in oog met hyena’s. Yusuf rekent 20 Birr voor voeren uit de hand en 30 voor voeren uit de mond. Een lucratief handeltje.

Een echtgenote zou niet alleen hem, maar ook de handel goed doen, denkt hij. Zeker een westerse vrouw, die de taal spreekt van de westerse toeristen. De vrouw zou folders kunnen maken met informatie over de Hyenaman. De vrouw zou die in verschillende talen kunnen vertalen. De vrouw zou misschien weten hoe je een website maakt en een toeristische trekpleister in de markt zet. De vrouw zou hier een goed leven kunnen hebben.

 

Ik sliep slecht vannacht. Ik droomde over manden vol kamelenvlees en geritsel in de struiken. En telkens als ik wakker schrok, was er vanuit de heuvels dat angstaanjagende menselijke gelach.

 

Ik weet niet hoe lang ik nog blijf. Ik zou de rest van mijn leven kunnen blijven. Hyenavrouw worden. Of museumdirecteur. Maar ik denk dat ik doorreis naar het noorden. Er wordt gezegd dat ze daar de beste injera’s maken, omdat de beste teff er vandaan komt. Voor het eind van het jaar ben ik zeker niet terug.

 

Vanuit Harar wens ik je dus alvast een gelukkig 2019. Hier is het trouwens pas 2011. Ze leven in Ethiopië volgens de Juliaanse kalender en vierden nieuwjaarsdag in september. Eén van de nieuwjaarsrituelen bestaat uit het samen met je buren kopen en slachten van een koe. Via loting krijgt ieder zijn deel. Ik weet niet precies hoe het werkt, maar de portie die je via het lot krijgt toebedeeld zegt geloof ik iets over het geluk dat je in het nieuwe jaar ten deel zal vallen. Hoe dan ook: ik wens je een gelukkig 2011, een fantastisch 2019 en een grote portie vlees.

 

Liefs,

 

Dorien

 

Over de auteur:

Dorien Dijkhuis is dichter, schrijver en freelance journalist. Ze schrijft poëzie, korte verhalen en reisverhalen. Haar werk is te vinden via www.doriendijkhuis.nl.