Blog | , april 22, 2019

Toespraak tot de weldoeners van Terras

Op een mooie dag, toen filosofen nog dichters waren, dichtte de filosoof Johannes: In den beginne was het woord.
Dat in den beginne het woord was, dat aanvaardden wij, wij – literair geïnteresseerden. Wij wisten het.
Want, inderdaad, het woord was er al, voordat wij er waren. Wij moesten alleen nog leren om ons van het woord te bedienen.

Dat dat woord in een boek stond geschreven en dat er een wereld voortkwam uit dat boek, uit dit boek, uit elk boek, dat was niet zozeer iets waarin wij ons moesten schikken, dat was waarom het ons was te doen. Daar was het ons allemaal om begonnen – dus vanzelfsprekend was er in den beginne… Het Woord.
Het is goed om er nog eens bij stil te staan. Voor ons. In den beginne was er het woord. Prima. Fijn!

Wat minder overzichtelijk was, aan dat woord wat in den beginne was, dat het geschreven stond in een boek waarin alles stond opgeschreven wat de bedoeling was, een richtinggevend en compleet boek. Dat boek was ook nog voor alle tijden geschreven. Als je uitgever bent van een literair tijdschrift moet je bij deze dingen wel stilstaan. Het is een ongeëvenaarde literaire onderneming, om een dergelijk prestigieus boekwerk voort te brengen. Het is een groot voorbeeld. Voor bijvoorbeeld een tijdschrift.

Dat het boek, waar wij eventjes zo erg van onder de indruk waren, in afleveringen werd gepubliceerd, een oud en een nieuw testament, ook dát strekte tot voorbeeld. Dat was ook leerzaam. En exemplarisch. De thema’s uit de afleveringen keren telkens weer terug in literaire ondernemingen die verwantschap tonen. En ieder literair blad toont wel enige verwantschap met deze oer-onderneming. Want als al voor alle tijden staat geschreven wat de bedoeling is, dan is het zaak om zeer nauwkeurig te lezen. Er stonden erg behartigwaardige dingen genoteerd, verschillende noties die aan de oorsprong stonden van onze beschaving. Dat hoort ook erg thuis in een literair blad. Zo blijf je op de hoogte van de brandende vraagstukken die spelen.

Ik geef nu een voorbeeld. In aflevering drie van het grote boek, dus: Exodus 24: 12, staat Mozes op het punt de stenen tafelen in ontvangst te nemen en daarom bestijgt hij de berg Sinaï. En daarbij stel ik me dan altijd Hemingway voor die bij Getrude Stein op visite komt om de jongste inzichten betreffende de literatuur te bespreken. Hemingway beklimt de lange trap naar de verblijfplaats van Madame Stein om daar te vernemen dat het schrijven van mooie zinnen voldoende is om ook mooie verhalen voort te brengen. Ja, maar, zegt Hem dan; wat is een mooie zin. Daar moet je gevoel voor ontwikkelen. Ik denk, zegt Hemingway dan, dat ik dat gevoel voor de juiste zinnen wel ontwikkel, maar niet goed genoeg om dat aan anderen over te brengen. Hij krijgt dan wat lekkere kleine dingen te eten en ook drinkt hij uit heel veel piepkleine glaasjes iets kleurrijks alcoholisch dat naar vers fruit smaakt – het dringt dan pas door tot Hemingway: hij is een uitverkorene. Hij beschrijft God, pardon, Madame Stein: ze was erg groot en zwaargebouwd als een boerin, maar met prachtige ogen en een beweeglijk gezicht en ze sprak voortdurend als tegen een lief en welopgevoed veelbelovend kind over zinnen die mensen meteen zouden begrijpen. Heldere zinnen met woorden die mensen niet in het echte leven gebruikten, het moesten zinnen zijn die je kon ophangen, geen woorden die mensen echt gebruiken, dat had geen zin, dat is verkeerd en dwaas. Accrochable moesten die zinnen zijn, anders gingen de mensen tegenspreken en discussiëren en zeuren. Dergelijke onomstotelijk onbetwistbaar mooie zinnen moet je schrijven, jij ook, Hemingway, zegt Madame Stein. Hemingway is het er niet mee eens, het is een zienswijze, maar het heeft geen zin om met een oudere in debat te gaan, schrijft hij. En zo stel ik me de redactievergadering op de berg Sinaï ook voor, waar de tien geboden werden opgesteld. Heldere zinnen, accrochable, die moeten alle misverstanden voorkomen. Die zinnen zijn steekhoudend en waardevol. Want, immers, jij leeft in een omgeving met criminelen en perverselingen, nietwaar? Ik hoor je daar toch vaak over? Zegt God.
– Dat kan ik niet tegenspreken, zegt Mozes. Ik heb veel inaccrochabele termen van ze geleerd
– Haat je ze? Ja, je haat ze. Dat zeg je steeds.
– Kan ik ook niet tegenspreken.
– Ze zijn verdorven, onbetrouwbaar, een open riool van onwetendheid en ordeloosheid, zeg je.
En Mozes zegt: – Wat doe je eraan.
– Goeie zinnen schrijven, een stuk of tien, zegt God. Dan heb je een verhaal dat een hele tijd meegaat.
– Ik weet niet of ik dat al kan. Ik zal proberen, antwoordt Mozes, om me niet inaccrochabel te uiten.
– Ik help je wel. God voegt eraan toe: Je bent eigenlijk ook meer een showman dan een echte schrijver, hè. Ik dicteer je wel wat.
Niemand die de problemen op dat moment beter doorzag dan God, schrijft Mozes dan. Het is alsof je op een redactievergadering bent, je realiseert je niet meteen hoe enorm de gevolgen van zo’n gesprek  kunnen zijn. Dat herkennen we best. Van Gertrude Stein die aan Hemingway die schrijflessen gaf.

Omdat Hemingway dat opschreef werd er geschiedenis geschreven. Omdat Mozes die berg afkwam met twee stenen tafelen werd er geschiedenis geschreven, ook al omdat Mozes meteen zag wat een gajes er beneden klaar stond, bedorven en onbetrouwbaar, een open riool van frivole misdadigheid. Dat trof Mozes aan toen hij was afgedaald. Zoals wij nu weten sloeg hij toen die twee tafelen kapot. Dat weet u toch wel? Mozes werd woedend. Gooide de tafelen kapot, Hemingway reageerde zich af en ging naar zijn boks training – dat zijn verschillen, ik geef het toe, en dat schreef Hemingway later ook op.

Mozes kreeg later twee nieuwe stenen tafelen van God, wist u dat? Splinternieuw – het woord moet er vandaan komen, want de vraag – wat is er met de splinters van de oude tafelen gebeurd – die vraag is trouwens ook al beantwoord. Want iemand heeft later die splinters aan elkaar gelijmd, en zo is het Mozaïek ontstaan. Hebt u zich dat wel eens gerealiseerd?

Op de diverse Mozaïeken die in de eeuwen daarna werden geproduceerd, zie je ook hoe het vak van uitgever zich is gaan ontwikkelen. En ook de literaire bladen. Want op die latere Mozaïeken zijn niet meer de stenen tafelen te zien, maar daar zijn de tafelen al vervangen door een boek, een handgeschreven en ingenaaid boek zelfs, met enkele zwierige leeslinten. Alsof het straaltjes bloed zijn die uit dat boek lopen. In Ravenna kun je prachtige voorbeelden zien van deze ontwikkeling. Daar zijn die tien geboden met allerlei andere prachtige kraakheldere zinnen voorlopig ondergebracht in zo’n schitterend boek. Met een rood fluwelen kaft. Dat was toen kennelijk net verschenen. Dat werd later ook nog onderdeel van een eredienst, toen die schitterende regels uit dat boek met regelmaat werden voorgelezen. De mensen hadden moeite met lezen. Dus las iemand uit een boek voor. Zoals ik nu ook iets voordraag. U begrijpt dat dit nog voor de verspreiding van de boekdrukkunst was. De boekdrukkunst maakte aan alle voorlezen ook geen einde.

Gelukkig maar.

En meer dan die cultus rond stenen tafelen of gekrabbel op kleitabletten heeft het boek daarna nog een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Een eigen geschiedenis die je op de voet moet volgen om te begrijpen hoe een gezaghebbend literair blad als Terras ook zijn heel eigen wereld schept, en zich ook voortdurend vernieuwt. De noden van de regelmatige uitgave, daarover gaat mijn bijdrage eigenlijk. Ik ga ermee door, met een overzicht van de onderneming van het uitgeven van literaire bladen, met uw goedvinden. Hoe lees je dan, wie ben je als lezer. Hoe zit dat in elkaar, die wereld van het lezer-zijn.

De gedachte dat de wereld zichzelf aan ons uitlegt dragen we met ons mee, vanaf het moment dat onze opvoeders zich met ons bemoeien. Want zij leggen die wereld aan je uit. De wereld blijft tot je spreken, alsof je nog een kind bent. En je ouders of opvoeders zijn de vertalers van wat die wereld je te zeggen heeft.

Later zijn het popsongs. Films. Natura artis magistra staat er op een bord in de dierentuin, de tuin die zijn naam aan die gedachte ontleent. Je kijkt je ogen uit en je oren tintelen ervan als je ziet wat voor verbazingwekkends de wereld je allemaal te melden heeft. Dat heeft enorme verwantschap met dat moment waarop je moeder je op de rand van het bed zittend een sprookje vertelt. De wereld, mijn jongen, dat is een vreemde geschiedenis, maar luister naar het verhaal van dat jongetje dat wegliep en verdwaalde, er was namelijk eens een heel eigenwijs jongetje die dacht dat hij alles beter wist, en toen stond hij daar aan de rand van het bos en hij wist niet meer hoe hij terug moest komen… En toen was er dat vogeltje op die tak, ja, die vloog voor hem uit, die wees hem de weg een beetje terug, tot hij weer een beetje begon te herkennen waar hij was, niet meer zover van huis, en hij kon toen het spoor volgen van de sigarettenpeukjes van zijn vader en zo kwam het jongetje net op tijd en heelhuids thuis. En wat zal dat jongetje nou hebben geleerd? Nou? Wat had dat jongetje van zijn grote denkbeeldige avontuur geleerd? De wereld was weer een stukje vertrouwder geworden.

Natuurlijk vond iemand het nodig om die sprookjes op te schrijven. Dat heette romantiek. Zo maakte de mens zijn pedagogisch gereedschap. Dat kijkt hij af van de gang van zaken in de natuur. Hij wil die natuur te slim af zijn.

De natuurwetenschap heette heel vroeger Historia Naturalis. De natuur vertelde aan de aandachtige beschouwer een verhaal. De veronderstelling, die ook het jongetje uit het sprookje koestert, bleef intact: de natuur spreekt tot ons en vertelt ons een verhaaltje voor wie luisteren kan. Dat is de oude orale geschiedenis. Maar daarna werd de luisteraar al snel een lezer, want vervolgens werd de wereld graag in leesbare vorm opgediend. Nog steeds met de intentie om de lezer vertrouwd te maken met de wereld. En de perceptie en de eisen aan het begrip van de wereld veranderden mee: van “uiterst moeilijk te ontcijferen, vrijwel onleesbaar, niet om door te komen,” werd de wereld: “leest als een trein, in een adem uitgelezen, een meedogenloze hit.”  Die wereld, daaraan werd een toptien gewijd.

De aandachtige beschouwer nam zijn bril, maar plaatste daarna ook nog een microscoop of een telescoop tussen zichzelf en de wereld, nam afstand en bedreef wetenschap. En de ware en echt hartstochtelijke lezer begroef zich in een boek. Uit dergelijke noties is ook een tijdschrift opgebouwd. We leven nu in de tijd van het scherm. Hoe leesbaar kan de wereld vanaf het scherm voor ons zijn?

Als in den beginne het woord was, is dan aan het einde het algoritme? Of de pixel? Het zwarte gat?

Laatste gedachte: als de wereld op het allerlaatste moment niet als een trein uit te lezen blijkt – het is geen page turner – als je bij het uitblazen van je laatste adem nog steeds niet door dat grote wereldboek geworsteld bent, wat moet je dan met je teleurstelling? Betreuren dat je geen abonnee was van een literair blad? Ik denk het.

Over de auteur:

Frans Strijards (1952) is schrijver en was toneelregisseur. Heeft met zijn diverse gezelschappen en toneelstukken veel succesvolle voorstellingen afgeleverd. Werkte in de Brakke Grond, Frascati en later het Rozentheater. Strijards heeft twee romans en veertig stukken geschreven en een lesboek over spel. Schrijft momenteel nog steeds voor toneel en werkt aan een roman.