volken een enorme diversiteit inzake zeden, temperamenten en karakters. Een mens is een mens, dat geef ik toe; maar een mens die is omgevormd door godsdiensten, door regeringen, door wetten, door gewoontes, door vooroordelen en door klimaten wordt zo anders dan hij ooit was dat wij onder ons niet meer hoeven te zoeken naar wat goed is aan de mens in het algemeen, maar naar wat goed is aan de mens in een bepaalde tijd of een bepaald land. Zo werden de stukken van Menander, geschreven voor het theater van Athene, verplaatst naar het toneel van Rome; zo inspireerden de gladiatorengevechten, die het volk van Rome tijdens de republiek moed en kracht gaven, tijdens het keizerrijk alleen maar tot liefde voor bloed en wreedheid; hetzelfde volk dat eenzelfde thema in verschillende tijden gepresenteerd kreeg leerde eerst het leven verachten en daarna met dat van een ander spelen.
De aard van toneel wordt onvermijdelijk bepaald door het genoegen dat het bezorgt en niet door het nut. Als het nuttig gevonden kan worden is dat alleen maar prachtig; maar het hoofddoel is in de smaak vallen, en mits het volk zich vermaakt is dat doel voldoende verwezenlijkt. Alleen al daardoor kun je theaters en dergelijke nooit dat soort gunstige effecten toeschrijven waartoe ze in staat zouden zijn, en het is een schromelijke vergissing om je in te beelden dat het mogelijk is tot perfectie te komen, want die kan niet in de praktijk worden gebracht zonder degenen die je meent te stichten voor het hoofd te stoten. Zo zorgt de smaak van de verschillende landen voor diversiteit op toneelgebied. Een onverschrokken, ernstig, wreed volk wil moorddadige, gevaarlijke feesten, met schitterende bravoure en koelbloedigheid. Een woest, opvliegend volk wil bloed, gevechten, wrede hartstochten. Een wellustig volk wil muziek en dans. Een galant volk wil liefde en beleefdheid. Een vrolijk volk wil humor en spot. Trahit sua quemque voluptas. Om in de smaak te vallen moet toneel ieders neigingen kracht bijzetten en niet temperen.
Algemeen gesproken schildert het toneel menselijke hartstochten, waarvan het origineel in ons binnenste ligt; maar als een schilder niet zijn best doet die hartstochten fraaier voor te stellen, zal de toeschouwer ze algauw afkeuren en zichzelf niet meer willen zien vanuit een invalshoek die zelfverachting in de hand werkt. Soms geeft hij hartstochten weleens lelijke kleuren, maar alleen als ze niet algemeen zijn en van nature worden gehaat. Zo volgt de schrijver daarin louter de opvatting van het publiek; en de afgekeurde hartstochten worden steeds gebruikt voor het accentueren van andere, die deugdelijker kunnen zijn of niet, maar in elk geval meer naar de zin van de toeschouwers. Eén ding is op het toneel nergens goed voor: de rede. Een mens zonder hartstochten, of een mens die ze altijd onder controle heeft, is op het toneel voor niemand interessant; en het is al gebleken dat een stoïcijn in een tragedie een onverdraaglijk personage is; in het blijspel zorgt hij op z’n hoogst voor komische effecten.
Dus laat niemand zeggen dat toneel het vermogen heeft iets te veranderen aan opvattingen en zeden, die je alleen maar kunt navolgen en verfraaien. Een schrijver die de algemeen heersende smaak geweld zou willen aandoen, schrijft algauw alleen voor zichzelf. Toen Molière het komische
Vertaling: Jan Pieter van der Sterre, Reintje Ghoos