thema:

Inleiding

Een aanzienlijk deel van de Afrikaanse boeken in mijn bibliotheek kocht ik tweedehands. In de jaren tachtig bleek er in ons taalgebied meer aandacht voor het werk van Afrikaanse auteurs te zijn dan nu. Zeker was er meer aandacht voor Afrikaanse auteurs die op het Afrikaanse continent wonen, auteurs die niet via de Verenigde Staten tot ons komen. Als ik een stapeltje maak van enkel de Senegalese boeken in mijn bezit, zie ik mijn indruk bevestigd: een groot deel van het oeuvre van Ousmane Sembène, die ik in 2004 leerde kennen door zijn meesterlijke laatste film Moolaadé, vond ik tweedehands, uitgegeven bij Het Wereldvenster in de tweede helft van de jaren tachtig. Ook andere Senegalese moderne klassiekers als Ambivalent avontuur van Cheikh Hamidou Kane en Een lange brief van Mariama Bâ zijn decennia geleden voor het laatst in het Nederlands verschenen. Twee romans van Fatou Diome verschenen in het begin van dit millennium bij Uitgeverij Sirene, maar momenteel is er in onze taal niets te vinden van deze auteur, die in Frankrijk wel als een prominente stem geldt en op YouTube (in een fragment uit een Franse talkshow) kordaat Thierry Baudet op zijn plaats zet.

De ruggen van de boeken in mijn bibliotheek aflopend, stel ik mezelf ook de vraag wie ik beschouw als een Afrikaanse auteur. Ik heb de meeste Nederlandstalige vertalingen van de onheilspellende, bedwelmende romans van Marie NDiaye gelezen, maar zij is uiteraard een Franse auteur, al lijkt het erop dat ze op literatuurfestivals wel eens het Afrikaanse continent moet komen vertegenwoordigen.

Ook de in het Westen misschien wel meest gehoorde hedendaagse Afrikaanse stem, de Nigeriaanse auteur Chimamanda Ngozi Adichie, wordt door sommige Afrikaanse collega’s zelf als ‘Americanah’ weggezet; haar werk wordt dan beschouwd als ‘verwesterd’ of ‘veramerikaniseerd’, haar afkomst ‘geprivilegieerd’. Toch valt Adichie te bewonderen om wat ze heeft bereikt. Met haar eerste TED-lezing heeft ze de ogen van een internationaal lezerspubliek geopend voor wat ze ‘het gevaar van het eenzijdige verhaal’ noemt, ze wordt wereldwijd gelezen en haar essay We moeten allemaal feminist zijn is verplichte kost op Zweedse middelbare scholen.

Het klopt dat veel jongere Afrikaanse auteurs die ik het laatste decennium las via de VS tot me kwamen: naast Adichie bijvoorbeeld Teju Cole en Taiye Selasi. Petina Gappah en Helen Oyeyemi leerde ik dan weer via hun Londense uitgevers kennen. Zij werden in het Nederlands vertaald. Maakt hun migratie-achtergrond of woonplaats deze auteurs minder interessant? Dat vind ik niet. Wat maakt een auteur trouwens Afrikaans? In zijn inleiding op The Granta Book of the African Short Story  (2011) verzet Helon Habila zich tegen enge interpretaties. Hij beschrijft zijn eigen generatie, de derde generatie postkoloniale auteurs, waarvan er velen buiten Afrika wonen, als een post-nationalistische generatie, die zich grotendeels afwendt van de ideologieën en thema’s die vorige generaties bezighielden. In de 2017-uitgave van de korte verhalen van de finalisten van de Caine Prize for African Writing vindt de inleider ‘transitie’ het meest terugkerende thema bij wat intussen de vierde generatie postkoloniale Afrikaanse auteurs kan worden genoemd.

Toen we vorige winter enkele keren samen op een podium moesten verschijnen, bracht ik veel tijd door met Lesley Nneka Arimah, wier knappe debuut What it means when a man falls from the sky (een verhalenbundel die in het Nederlands zal verschijnen bij Uitgeverij Karaat) beladen werd met prijzen. Gevraagd naar welk publiek zij voor ogen heeft bij het schrijven, antwoordde ze dat dat misschien in de eerste plaats een ‘Nigiri-ish’ publiek is – naar elders verhuisde Nigerianen zoals zij. Ze getuigde hoe sommige Amerikaanse uitgevers wilden dat ze haar boek aan de Amerikaanse lezer zou aanpassen. Uiteindelijk vond ze een uitgever die haar niet aan deze eis onderwierp. Ook de jonge Zuid-Afrikaanse auteur Masande Ntshanga had toen we een podium deelden enkele bedenkingen bij de didactische verwachtingen die opgedrongen worden aan het werk van zwarte Afrikaanse auteurs.

Met het oog op dat laatste bezwaar denk ik dat het niet zo’n goed idee is het werk van Afrikaanse auteurs aan ngo’s als Oxfam Novib te verbinden, zoals Uitgeverij De Geus doet. Het zal zijn budgettaire redenen wel hebben, wellicht is het een manier waarop een uitgever commerciële risico’s kan nemen. Het moet hoe dan ook worden aangemoedigd als een uitgeverij überhaupt iets van een Afrikaanse auteur uitgeeft, en bij De Geus verscheen en verschijnt meer dan elders. Maar je wilt als auteur toch niet dat je lezers het idee hebben aan ontwikkelingssamenwerking te doen als ze je lezen?

Ooit stak de Belgisch-Congolese muzikant Baloji tijdens een optreden dat ik bijwoonde van leer tegen de term ‘wereldmuziek’; waarom stond hij onder die noemer geprogrammeerd? Wat hij maakte was muziek! Ik herkende mijn eigen irritatie rond het woord ‘vrouwenliteratuur’. En ‘migrantenliteratuur’ of ‘wereldliteratuur’ is niet beter. Die woorden confronteren je op z’n minst met waar de macht ligt en wat als gevolg als norm of afwijking wordt beschouwd.

Veelzeggend is in dit opzicht ook de publicatiegeschiedenis van Kintu, het doorwrochte romandebuut waarmee de Oegandese Jennifer Nansubuga Makumbi de Kwani? Manuscript Project won. Hoewel ze met het korte verhaal dat in dit nummer van Terras is opgenomen al de Commonwealth Short Story Prize had gewonnen, wilden Britse uitgeverijen Kintu niet uitgeven als Makumbi bleef weigeren het boek aan te passen aan een verondersteld ‘Brits lezerspubliek’. De roman werd botweg ‘te Afrikaans’ genoemd: te veel ‘moeilijke’ eigennamen, te veel personages, het ontbreken van uitleg in de tekst over een geschiedenis die Britten niet kennen. Makumbi, die met haar gezin in Groot-Brittannië woont, wist het boek in 2014 in Kenia uit te geven. De eerste druk was onmiddellijk uitverkocht en de roman werd qua belang met Chinua Achebe’s Things fall apart vergeleken. Vorig jaar verscheen de roman uiteindelijk bij de Amerikaanse uitgeverij Transit Books. Nederlandstalige uitgevers lijken haar werk vooralsnog niet te hebben opgemerkt.

Ook in Vlaanderen en Nederland leven en werken auteurs met een Afrikaanse achtergrond. In februari van dit jaar verscheen de bloemlezing Zwart, samengesteld en ingeleid door Vamba Sherif en Ebissé Rouw. Een blinde vlek bij de witte Nederlandstalige lezer speelt ook deze auteurs parten. Lees naast dit nummer van Terras dus ook Zwart en ga op zoek naar meer van hun werk. We hebben in dit nummer nog twee in België wonende auteurs met een Afrikaanse achtergrond toegevoegd: Sulaiman Addonia, die opduikt in de inleiding bij het verhaal van zijn eveneens schrijvende broer Saleh, en In Koli Jean Bofane, van wie zeven jaar geleden de roman Congolese wiskunde bij Uitgeverij De Geus verscheen, maar wiens succesboek Congo Inc. (waaruit we een fragment plaatsen) dan weer niet in het Nederlands bestaat.

Vamba Sherif kwam als gastredacteur de redactie van Terras versterken. Wat overigens niet betekent dat mijn collega alleen bij het verzamelen van Afrikaanse literatuur een  bijdrage zou kunnen leveren. (Collega’s met een niet-Westerse achtergrond weten in de regel veel meer over Westerse literatuur, dan omgekeerd het geval is.) Ik wilde graag dat hij naast zijn bijdrage bij het samenstellen een stuk zou schrijven over de door ons beiden bewonderde Ousmane Sembène. Sherif bedankt de Senegalese schrijver en cineast voorafgaand aan zijn roman De zwarte Napoleon (2015), en zet vervolgens een verhaal neer waarin Samori Touré een rol speelt, de vrijheidsstrijder die ook onderwerp zou zijn geweest van Sembène’s laatste film, mocht hij die voor zijn dood nog hebben kunnen voltooien.

Hoewel Terras #15 de titel Afrika heeft gekregen, is een aanzienlijk deel van het continent hier niet belicht. De verhalen, gedichten en essays uit Noord-Afrika bewaren we voor een later nummer. Als altijd richt Terras zich in de eerste plaats op literair werk dat niet eerder, of te lang geleden, in Nederlandse vertaling verscheen. Het literaire aanbod van het grootste continent ter wereld – of de leemte op de Nederlandstalige markt, afhankelijk van het perspectief – is enorm. De rijkdom van wat ontbreekt, is groot en divers. Frustraties omtrent de onvolledigheid van wat we aanbieden waren dan ook niet te vermijden.

We vonden het belangrijk oudere en jongere auteurs te plaatsen, want helaas zijn ook de gevestigde waarden hier nauwelijks (nog) bekend of verkrijgbaar. Verschraling, heet zoiets. Een verschraling met kwalijke gevolgen bovendien; de volgende stap is dat Europeanen en Noord-Amerikanen gaan vermoeden – als dat nu al niet het geval is – dat er onder de bewoners van dat grote Afrikaanse continent niet geschreven en uitgegeven wordt.

Er valt een groot gat op te vullen. Terras #15 probeert daar een aanzet tot te geven.

Over de auteur:

Annelies Verbeke (1976) schreef vier romans, drie verhalenbundels en boeken waarvoor ze samenwerkte met een fotograaf en een illustrator. Met Sanneke van Hassel stelde ze de bloemlezing Naar de stad samen. Verbekes werk werd in 24 talen vertaald. Ze ontving o.a. de F. Bordewijkprijs en Opzij Literatuurprijs voor Dertig dagen (2015) en de J.M.A. Biesheuvelprijs voor Halleluja (2017). Beide boeken stonden op de shortlist van de ECI Literatuurprijs. Daarnaast werkt Verbeke ook vaak voor theater, voornamelijk voor het gezelschap Wunderbaum. Dit jaar speelt hun stuk Daar gaan we weer (White Male Privilege).