thema:

De hangende engel

Vertaling:

Het sneeuwde. Al jaren, leek het. In een desolaat dorp in Brandenburg roept een jongen door een megafoon een kerstpreek. Het dorp heeft weinig inwoners. De huizen zijn omringd door een muur. Op de muur een foto van een wolfshond. ‘Ich wache’. ‘Ik waak’. Het lijkt een politiefoto. Een foto van de eigenaar ontbreekt. De één waakt, de ander hitst op. Zodra iemand langs de muur liep, klonk er een hels geblaf. Er zijn geen winkels. Maar twee keer per week kondigt een sirene het busje met levensmiddelen aan. Dat met het brood had ook een groot assortiment zoetigheden, gebak, strudel, marsepein. De vrouwen, een handjevol, gingen in de rij staan, hun tas in de hand, netjes achter elkaar alsof er een menigte voor hen was. Wanneer het busje met het vlees kwam, werd hun blik oplettender. Ze bestudeerden de waar, de prijskaartjes, de messen. Geld zat er nauwelijks in hun zwarte portemonnees. Op die momenten kwam het dorp tot leven. De vrouwen praatten met elkaar en wekten de indruk dat ze veel te vertellen hadden. Wanneer ze zwegen, was het duidelijk dat er niets meer te zeggen viel. Plotseling zwegen ze allemaal en keerden ze terug naar huis.

De jongen wordt vergezeld door een oude man. De baas, zijn meester. Door zijn verschijning lijkt hij op een monnik en een pokerspeler, zoals je die in films ziet. Hij heeft de jongen onderwezen. Hij heeft hem gekleed en gevoed. Hij heeft hem een slaapplek gegeven. De oude man is ontsnapt aan gevangenissen, brandstapels en scholen. In ruil daarvoor moet de jongen prediken en bedelen. Om een aalmoes. Een broederlijke haat verbond hen. De jongen voelt om zijn nek het touw dat hem aan de man bindt. Hij voelde in al zijn botten en in zijn bloed een oerdrang om te haten. En zo wist de jongen de mensen te ontroeren wanneer hij de preken voorlas. ‘En nu zingen’, zei de oude man tegen hem. De jongen schreeuwt uit het psalmenboek. De vrouwen gaan om hem heen staan. Ieder van hen geeft hem een aalmoes. Ze aaien over zijn hoofd, zijn zwarte wollen puntmuts. Ze willen hem aanraken. De jongen kijkt liefdevol naar hen, zoals de oude man had aangeraden. Het is kerst. De buit is aanzienlijk.

Zo nu en dan gaat de jongen de bossen in. Die hoog en diep zijn. Op ijzige dagen brengt de hemel een bezoek aan de bomen en daalt er een scherp geestelijk licht, zoals de jongen die ernaar kijkt het noemt, op de aarde neer, tot aan de wortels. In de winter kun je makkelijk verdwalen in de bossen. Dan tekent de jongen met de neus van zijn bergschoenen een aantal pijlen op de paden. Ze verdwijnen gauw. ‘Hier was ik’. Hier was de jongen die predikt. Hij kijkt naar de punt van de pijlen en ziet dat de richtingen waarnaar de pijlen wijzen allemaal op elkaar lijken. En dat de tekens gauw verloren gaan in de sneeuw. Alles verdwijnt ook in het leven. Hij zou willen huilen. Maar de kortstondigheid ervan, het vervagen maken hem blij.
De kleine prediker en de oude man staan voor de bakstenen kerk. De deur gaat piepend open, het is bijna menselijk gejammer, een onderdrukte pijnklank. Het lijkt een ‘nee’. Jarenlang was de kerk gesloten. De bakstenen hebben de kleur van de herfstbladeren, moerasgroen, gebruineerd goud, oker, gepatineerd door de nacht en het mos. Het omringende witte landschap doofde langzaam uit. Je kunt een glimp opvangen van de eenzame wachtershuisjes in de vlakte, achtergelaten door Russische soldaten. Zwijgende schildwachten, schimmen met stijf geworden uniformen en hun karabijn. Ze lijken naar buiten te kijken vanuit hun ingenomen posities. De jongen trekt hun aandacht met een fluitsignaal. ‘Jullie hebben nog een paar minuten’, zegt hij, ‘om jullie ware gezicht aan te trekken.’ Hij zegt hetzelfde tegen de onzichtbare gasten van de verlaten huizen, van de kale ramen met verstofte gordijnen, tegen de bedienden in de vervallen gebouwen, met uithangborden van bedrijven die niet meer bestaan. Op het cement is nog Supermarkt te lezen.

Een paar maanden daarvoor had de jongen een reis terug in de tijd gemaakt. Een reis naar een huis in de DDR. Wohnen in der DDR. Zo drukten de organisatoren van de expositie zich uit. Kultur im Heim. De inwoners werden uitgenodigd om de kamers binnen te gaan waar de gezinnen van de DDR hadden gewoond. Een authentieke reconstructie van ‘een waarheidsgetrouwe leefomgeving’. De bezoekers worden aangespoord om de kasten en de laden open te trekken en de geheimen te ontdekken. Het bezoek begint in de woonkeuken. Er stonden pannen op het vuur, zonder vlam. De kinderkamer, de lappenkat, de televisie, de Rossini-radio, een stuk zeep, ‘Rose von Florenz’. De Riesaer-lucifers, die de jongen direct pakte. ‘Hier vindt u een deel van uw jeugd of kindertijd, of iets interessants uit het dagelijks leven van andere mensen.’ De jongen was zo onder de indruk van die woning, veel meer dan van een koninklijk paleis met een balzaal en een spiegelzaal. Ze moesten hem dwingen om weg te gaan. Hij wijdde een gedachte aan degenen die in die kamers hadden gewoond. ‘Vrolijk Kerstfeest’, zei hij tegen hun overblijfselen.

In de kerk hangt een enorme houten engel. Ze zeggen dat hij in de jaren van de eenzaamheid en het isolement nog groter is geworden. Noch in Polen noch in Duitsland bestaat een engel van dergelijke afmetingen. Zodra je de kerk binnenstapt, lijkt het alsof die reus je wil aanvallen. Hij jaagt angst aan. Misschien wilden ze daarom de kerk niet opendoen. Jarenlang. En vaak was de sleutel, de vervelende sleutel, nergens te bekennen. Nu komen de gelovigen binnen. Geoffrey, met zijn donkere huid, heeft sneeuw geruimd en hij kan geen afscheid nemen van de schep die hij als een kruisbeeld omhooghoudt. Een ouder echtpaar, ze houden elkaars hand vast, lange overjassen. De tuinman die voor de bloembollen onder de grond zorgt is er. Voor hem is de tuin winter, is de tuin Kerst. Ze zitten op de eerste rij. Ieder is verzonken in zijn eigen gedachten. In de achterste rijen bewogen schaduwen, als mensen. Iedereen zong de lof van de Heer.

Terwijl hij naar de engel kijkt, moet de jongen denken aan het verhaal dat hij had gelezen over een kosteres – voor een kwart kosteres en voor drie kwart zieneres. Goed, de kosteres was geroepen door de engel. Ze reisden samen. Ze waren overal op de wereld geweest. Zij woonde in een cel met twee stoelen, eentje zonder leuning en eentje zonder zitting. Daarbinnen had ze visioenen. Ze praatte met de Heer. Wanneer ze haar taken als kosteres vervulde, werd haar ziel plotsklaps losgerukt en dan klom ze naar de hoogste plekken van de kerk, naar de raamkozijnen, de roosvensters, naar alle plekken waar het voor mensen onmogelijk leek omhoog te klimmen. Maar haar, de kosteres, lukte het.
En de jongen? De kleine prediker was vervuld met twijfel en wrok. Hij wilde iets specifieks weten van de engel. Zelf lukte het hem niet om van de grond te komen. Sterker nog, het leek alsof hij alleen kon bezwijken. Koppig als hij is, staart de jongen de engel uitdagend aan. Zijn ogen staan glazig en droevig. In zijn zak zitten de Riesaer-lucifers. De alcohol heeft de oude man. Hij was er klaar voor om een daad van heiligschennis te verrichten. Niets persoonlijks, dacht hij bij zichzelf. Ik heb niets te verliezen. Zelfs niet de toekomst. Die had hij al verloren. Die lag al achter hem. Ondertussen lopen de gelovigen in stilte de kerk uit. De kerk is opzettelijk kaal. De desolaatheid van buiten lijkt op de kerk te drukken en naar binnen te willen dringen. Vanaf de deur is de engel nog steeds zichtbaar achter een gordijn van stofsneeuw.
‘En nu’, vraagt de jongen, ‘wat is de juiste weg?’ De engel kent de grootspraak van de wanhoop, van de dronken melancholie van de kleine prediker. Hij geeft antwoord en wijst hem de weg. Hij gooit een muntje op. Het was licht, het schitterde even voordat het neerviel. Is het kop, dan gaan jullie richting Berlijn; is het kruis, dan gaan jullie richting het Balticum. Het werd kruis. De jongen en de oude man keerden zich naar hun lot. Het muntje had kruis aan beide kanten.

Over de auteur:

Fleur Jaeggy (1940) werd in Zwitserland geboren en woont sinds 1968 in Milaan. Ze publiceert romans en verhalen in het Italiaans en vertaalt werken van Marcel Schwob en Thomas De Quincey. Ze won verschillende literaire prijzen in Italië en haar boeken zijn in bijna twintig talen vertaald. De verhalenbundel Sono il fratello di XX is haar laatste werk.

Over de vertaler:

Annemart Pilon (1988), docent en vertaler Italiaans, woonde twee jaar in Napels en volgde de Master Vertalen in Utrecht. Won in 2011 een Talentbeurs van de Master Literair Vertalen en vertaalde in haar vrije tijd een van Erri De Luca’s novellen, die hopelijk wordt uitgegeven.