thema:

De nieuwe betekenis van Decolonizing the Mind. `Dekolonisatie van de taal is niet uitsluitend de taak van schrijvers’

Vertaling:

`Ik wilde Chinua Achebe ontmoeten, de jonge Nigeriaanse schrijver wiens twee romans, Things Fall Apart en No Longer at Ease, het ontstaan van een nieuwe samenleving lijken aan te kondigen waarin schrijvers, verlost van de last van politieke protesten en hoon voor het verbrokkelende kolonialisme een neutrale blik kunnen werpen op menselijke relaties met al hun subtiele en soms wrede verwikkelingen’ schreef mijn vader, die destijds nog James Ngugi heette, na de conferentie African Writers of English Expression in 1962.1 Maar toen hij zesentwintig jaar later in zijn boek Decolonizing the Mind terugkeek op die conferentie, koos hij een opvallend andere toon. Hij wees op het exclusieve karakter van de conferentie, zonder enige gêne uitgedrukt in de titel, en schreef: ‘Nu ik in 1986 na zoveel jaar bij mezelf te rade ga, kan ik zien dat er absurde ongerijmdheden meespeelden. Zo werd ik toegelaten tot de conferentie terwijl ik een student was en nog maar twee korte verhalen had gepubliceerd… Maar Shaaban Robert, op dat moment de grootste levende Oost-Afrikaanse dichter met verscheidene bundels poëzie en proza in het Swahili op zijn naam, noch Chief Fagunwa, de grote schrijver van wie al diverse titels in het Yoruba waren verschenen, konden onmogelijk deelnemen.2 Bovendien had de conferentie uit 1962 inmiddels een grote tegenstrijdigheid aan het licht gebracht: bij gebrek aan beter werd de Afrikaanse literatuur verspreid in Europese talen. De term ‘Afrikaanse literatuur’ stond voor Afrikaanse literatuur in het Engels, Frans of Portugees. Wie in een Afrikaanse taal schreef, moest verantwoorden waarom hij zijn moedertaal gebruikte.

Voor de duidelijkheid: mijn vader was niet de eerste die de taalkwestie ter discussie stelde. Onmiddellijk na de conferentie had de literatuurcriticus Obi Wali de vragen geopperd die Ngugi later opnieuw zou stellen. In zijn essay `De impasse van de Afrikaanse literatuur’ 3 betoogde Wali dat Afrikaanse literatuur in westerse talen `een ondergeschoven kindje in de grote stroom Europese literatuur zou worden’. Hij merkte op dat slechts `één procent’ van de Nigeriaanse bevolking in staat zou zijn om A Dance of the Forests van Wole Soyinka te lezen. Om de diversiteit van het grote aantal Afrikaanse talen recht te doen waren zijns inziens vertalingen noodzakelijk. `Je vraagt je af,’ mijmerde hij, `wat er bijvoorbeeld met de Engelse literatuur gebeurd zou zijn als dichters als Spenser, Shakespeare, Donne en Milton hun Engels hadden veronachtzaamd en in het Frans of Latijn hadden geschreven, gewoon omdat die klassieke talen in hun tijd de wereldtalen waren.’ Een tegengestelde visie op deze kwestie hadden schrijvers als Chinua Achebe (die de jonge Ngugi in 1964 nog zou helpen bij de publicatie van zijn eerste roman, Weep Not, Child, in de serie African Writers van Heinemann). In een schriftelijke reactie op Obi Wali’s commentaar betoogde Achebe dat het Engels communicatie mogelijk maakte tussen de verschillende Afrikaanse talen en er tegelijkertijd voor zorgde dat een breder publiek in het Westen kon worden bereikt, dat het de taal van de machthebbers was en dat het Engels zo `geafrikaniseerd’ kon worden dat het een afspiegeling was van de Afrikaanse ervaring.

Van Zuid-Afrikaanse schrijvers en intellectuelen die in een Afrikaanse taal schreven, verscheen al eind negentiende en begin twintigste eeuw werk in Engelse vertaling. Moeti oa Bochabela van Thomas Mofolo verscheen in 1907 en werd vertaald in het Engels als The Traveler of the East (1934). Chaka, geschreven in 1909, werd in 1925 gepubliceerd en in het Engels vertaald in 1931. En als we ook rekening houden met teksten in het Amhaars, Arabisch en Hausa, dan gaat de Afrikaanse literatuur in Afrikaanse of niet-Europese talen terug tot de dertiende eeuw.4 Kortom, het taaldebat en het schrijven in Afrikaanse talen was al lange tijd gaande. Wat was er dan vernieuwend aan Decolonizing the Mind? Op de eerste plaats legde Ngugi een verband tussen enerzijds taal en cultuur en anderzijds de realiteit van de kolonisatie en dekolonisatie. `De kogel was het middel tot fysieke onderwerping. De taal was het middel tot geestelijke onderwerping,’ zo schreef hij. Ook onderzocht hij de nauwe relatie tussen taal en cultuur. Voor hem `dragen taal en cultuur, vooral via mondelinge overlevering en literatuur, het gehele scala van waarden die het beeld bepalen dat we van onszelf en onze plaats in de wereld hebben.’

In het boek, dat Ngugi in de jaren tachtig schreef op het hoogtepunt van de Koude Oorlog tijdens de dictatuur van Moi, legde hij ook de tegenstrijdigheden van het neokolonialisme in heel Afrika en het mondiale Zuiden bloot. De geërfde koloniale ongelijkheden raakten steviger verankerd, het veiligheidsapparaat werd overal meedogenlozer en de westerse landen braken de economieën open, waardoor de meest kwetsbaren verstoken bleven van gezondheidszorg of onderwijs. Decolonizing the Mind liet ook zien hoe de superioriteit van de westerse culturen en talen werd benadrukt terwijl op de Afrikaanse werd neergekeken.

Het idee van dekolonisatie van het denken is ook van toepassing op andere domeinen van ons leven die minder nauw verbonden zijn met de onmiddellijk herkenbare machtsrelatie tussen kolonist en gekoloniseerde, of met onderdrukking en verzet. In een artikel voor het African Journal of Reproductive Health staat een essay (van Nombuso Dlamini et al.) getiteld `Wat houdt een dekoloniserende/ decentraliserende methodologie in bij het onderzoek naar seksuele ervaringen van jongeren?’5 De auteurs analyseren hun ervaringen bij het onderzoek `van de toestand van en de voorlichting over seksuele gezondheid en HIV/aids in de staat Edo.’ Met de ideeën uit Decolonizing the Mind konden ze inzicht verwerven in de wijze waarop machtsongelijkheid cultureel gecodeerde automatische reflexen in de hand werkte. Volgens de auteurs `is de dekolonisatie van het denken een proces dat een leven lang duurt, bovendien zijn overheersings- en onderwerpingsmethoden moeilijk aanwijsbaar als ze zich afspelen in onofficiële culturen, dat wil zeggen in interpersoonlijke relaties (wanneer individuen in interactie onderhandelen over machtsrelaties).’

Tegenwoordig zijn er dekolonisatiebewegingen op campussen in de hele wereld (al zijn ze het meest uitgesproken in Zuid-Afrika). Carole Boyce Davies van de Cornell Universiteit formuleerde het fraai toen ze zei dat Decolonizing the Mind nog steeds een onmisbaar boek of ‘standaardwerk’ is voor de discussie over het raakvlak tussen taal en kolonialiteit. Voor deze nieuwe golf in het dekolonisatiediscours was het jarenlang een van de weinige teksten die, geconfronteerd met de postkoloniale theorie, wezen op de noodzaak om wat Biodun Jeyifo de `opgeschorte dekolonisatie’ noemde voort te zetten.6

 

Kortom, het boek is nog steeds actueel. De geschiedenis schrijdt voort, bevrijdingstheorieën vergezellen haar, maar zonder onze talen zullen we gevangen blijven in wat de literatuurcriticus Adam Beach het metafysische Engelse imperium noemde. Als linguïst en schrijver van Afrikaanse literatuur is het voor mij zinvol geweest om mijn vaders koloniale vorming te vergelijken met die van mij, een neokoloniale. Hij kon nog schrijven dat in zijn gemeenschap `Kikuyu werd gesproken als we op het land werkten’ en `in en om het huis’ voordat de `harmonie van taal, cultuur en opvoeding door het koloniale onderwijs werd verstoord.’ Voor mijn generatie lag dat anders. Sommigen van ons, met name zij die opgroeiden in stedelijke gebieden, spreken hun moedertaal niet. Als ze hun grootouders op het platteland bezoeken, hebben ze een tolk nodig. Velen van onze ouders, die opgroeiden onder de koloniale overheersing, vonden het niet nuttig hun moedertaal te spreken. Net als op school mochten we thuis alleen maar Engels spreken; het spreken van een moedertaal werd afgekeurd.

Er was een andere gelijkenis: net als mijn vader kreeg ik met het rietje als de leerkracht me mijn moedertaal hoorde spreken en moest ik een bordje dragen met daarop: `Ik ben een ezel’. Hoe goed je Engels sprak was voor mijn generatie niet slechts een maatstaf van je intelligentie maar ook van je sociale klasse. Als je `gebroken’ Engels sprak, werd je door je klasgenoten uitgelachen. Als je `shrubber’ werd genoemd, wat betekende dat je de l- en r-klanken door elkaar haalde, was je sociaal dood, en het had zelfs invloed op wie er met je uit wilde gaan. Engels was niet alleen een taal om in te communiceren, of een taal die je hielp om aan armoede te ontsnappen en de maatschappelijke ladder te bestijgen, het was de taal van de ontwikkelde mensen.

In 2017 bezochten mijn vrouw, mijn dochter en ik mijn vroegere basisschool. Bij elk klaslokaal zag ik een lijst hangen met negentien regels waarvan de tweede luidde: `verboden de streektaal te spreken.’

Voor mijn vaders generatie en de mijne gold hetzelfde: wat bedoeld was om je geestelijke ontwikkeling te stimuleren, haalde slechts de band met het metafysische Engelse imperium strakker aan. In 2017 kende de universiteit van Yale aan mijn vader een eredoctoraat toe, tegelijk met Stevie Wonder, het Amerikaanse congreslid John Lewis en Jessie Little Doe Baird, de voorvechtster van het Wampanoag, een Indiaanse taal. Zijn gesprekken met Baird over taal, identiteit en cultuur zijn mij het meest bijgebleven, ondanks de ontmoeting met Stevie Wonder en het congreslid. Het was een wonder dat ze elkaar niet eerder hadden ontmoet, zoveel hadden ze gemeen. Of misschien was het geen wonder: ze waren gevormd door het metafysische Engelse imperium en hadden zich ieder door hun moedertaal daarvan los weten te maken. Nu waren ze verwikkeld in een strijd om het denken en de gevestigde gewoonten te dekoloniseren.

Mijn vader was van mening dat de Afrikaanse talen cruciaal waren voor de bevrijding van Afrikanen van het metafysische Engelse imperium en het neokolonialisme. De dekolonisatie kon niet bevorderd worden door revolutionaire literatuur ten behoeve van de bevolking als ze geschreven was in een voormalige koloniale taal die men niet kon lezen. Dit standpunt kwam bij uitstek tot uitdrukking in het toneelstuk Ngahiika Ndenda (I will Marry When I Want) dat hij in 1977 samen met Ngugi wa Mirii in het Kikuyu schreef. Het werd opgevoerd in het culturele centrum van Kamiriithu, midden in het dorp. Uit Kamiriithu rekruteerden nabijgelegen theeplantages en een schoenenfabriek van Bata hun arbeidskrachten. Het was een dorp van uitgebuite plattelandsarbeiders. Zij waren het die hielpen om het stuk verder uit te werken, die erin speelden en in meerderheid het publiek vormden. Het stuk was een dramatisering van hun uitbuiting en verzet. Maar voor de uitvoering van zijn politieke ideeën over taal moest hij een persoonlijke prijs betalen. Het stuk werd prompt door het bewind van Kenyatta verboden en mijn vader werd zonder proces een jaar lang gevangen gezet. Ik was zes jaar, en ik weet nu nog steeds niet of ik werkelijk aanwezig was bij zijn arrestatie, of dat de gesprekken erover van mijn familieleden en zijn herinnering aan de arrestatie in zijn boek Detained mij het gevoel hebben gegeven dat ik er echt bij was. In een gedicht uit 2001 getiteld `Recept: hoe een immigrant en balling te worden’ heb ik zijn arrestatie zo weergegeven:

 

Stille duels. Dus toen de politie met geweren en grote zwarte jassen

mijn vader kwam halen, moet ik het gedroomd hebben. Die

nacht –  lag er bij de pillen zonder water maar met ochtendthee, nog een krant,

nat van de dauw7

 

In 1982 probeerde mijn vader het Kamiriithu Theater nieuw leven in te blazen. De toenmalige regering van Moi verbood het stuk, liet het arbeidersdorp tot de grond toe af te branden en dwong hem in ballingschap te gaan. De overheid weigerde mijn oudere broers en zussen een paspoort en maakte het hun onmogelijk zinvol werk te vinden. In de jaren tachtig gebeurde het een keer dat de politie binnenviel toen we kerst zaten te vieren. Alle aanwezigen verloren kort daarna hun baan. De strijd voor dekolonisatie is niet alleen politiek maar ook persoonlijk.

Tegenwoordig geven steeds meer jonge Afrikaanse schrijvers gehoor aan Ngugi’s oproep. Zij kunnen profiteren van het bestaan van het internet. Jalada Africa, een online tijdschrift, is het beste voorbeeld van een plaats waar de Afrikaanse literatuur, de Afrikaanse talen, het internettijdperk en de praktische invulling van de dekolonisatie samenkomen. Het Jalada-collectief dat het tijdschrift maakt, bestaat uit jonge schrijvers als directeur-hoofdredacteur Moses Kilolo, hoofd financiële administratie Ndinda Kioko, de winnares van de Caine Prize in 2013 Okwiri Oduor, de schrijver Mehul Gohil, wiens werk een plaats kreeg in de bloemlezing Africa 39 en de dichter Clifton Gachagua, winnaar van de Sillerman First Book Prize for African Poets met zijn poëziedebuut, The Madman at Kilifi, dat in 2014 door de University of Nebraska Press werd gepubliceerd.

Mijn generatie erfde de dubbele gevoelens over taal van de Makerere-generatie, maar het werk van het Jalada-collectief toont een generatie die assertiever is en niet belast met de koloniale en neokoloniale esthetiek. De schrijvers van de Makerere-generatie waren twintigers en dertigers die het als hun taak zagen bij te dragen aan de dekolonisatie; de huidige generatie vindt het belangrijk democratische ruimtes te scheppen voor de Afrikaanse literatuur, voor Afrikaanse talen en via het internet voor lezers van Afrikaanse literatuur in andere werelddelen. Zij willen de communicatie bevorderen tussen Afrikaanse talen en via vertaling met niet-Afrikaanse talen.

Jalada kwam in 2015 met een taalnummer dat ook podcastinterviews bevatte met enkele van de medewerkende auteurs en tot doel had een ontmoetingsplaats te creëren voor auteurs, waar hun moedertalen als gelijkwaardige entiteiten vertegenwoordigd waren ­– en waar zij via vertaling met elkaar zouden communiceren. In hun oproep voor bijdragen verklaarde het collectief:

 

Met deze bundel proza, poëzie, visuele kunst en diverse essays over het thema taal willen we een eerbetoon brengen aan de taal. We vragen schrijvers om oorspronkelijk werk in hun moedertaal in te sturen met een bijgeleverde vertaling in het Engels. We vragen schrijvers ook om zich vrij te voelen taal te thematiseren, zodat zij een personage kan zijn of een onderwerp in een verhaal, of zelfs andere talen dan het Engels als thema in het verhaal op te nemen. Het is auteurs ook toegestaan in het Engels of in diverse soorten Engels te schrijven.8

 

Uiteindelijk waren de meeste gepubliceerde teksten geschreven in het Engels, maar er waren ook gesprekken die over taalgrenzen heen gingen – in het Portugees, Frans, Engels en Afrikaanse talen.

In de lente van 2016 maakte Jalada de publicatie mogelijk van een kort, oorspronkelijk in het Kikuyu geschreven verhaal van Ngugi, vertaald in meer dan zestig talen waaronder zevenenveertig Afrikaanse. Dit had lastige praktische consequenties. Moses Kilolo wees erop dat er zeer weinig professionele vertalers voorhanden waren en dat ze moesten werken met een team `jonge schrijvers zonder veel vertaalervaring die toch de uitdaging aannamen en in brede kring advies vroegen om zo ervaring op te doen en goed werk af te leveren.’ En wat betreft het creëren van uitgeefmogelijkheden `moedigden ze andere tijdschriften op het continent aan om net als zij aan deze schrijvers zulke podia te bieden.’

Oproepen tot vertalen als stimulans voor de ontwikkeling van literaire tradities daagt schrijvers, wetenschappers en uitgevers uit die van mening zijn dat Afrikaanse talen dienstbaar moeten zijn aan het nuttiger Engels. Of omgekeerd wie vertaling uit Europese talen wenselijk vinden omdat de kwijnende Afrikaanse talen hard toe zijn aan een Europese linguïstische en esthetische transfusie. Het Jalada-collectief trekt het idee van dienstbaarheid aan het Engels in twijfel en laat zien dat een democratisering van linguïstische en literaire ruimtes haalbaar is. Het vertalen van Afrikaanse talen onderling moet in tegenstelling tot het vertalen van het Engels in Afrikaanse talen nog praktisch en theoretisch worden uitgewerkt voordat critici en bevolking het zullen accepteren. Als Jalada van Ngugi’s Ituĩka Rĩa Mũrũngarũ: Kana Kĩrĩa Gĩtũmaga Andũ Mathiĩ Marũngiĩ (The Upright Revolution: Or Why Humans Walk Upright) het meest vertaalde in een Afrikaanse taal geschreven verhaal weet te maken dan verdient het een bladzijde in de literatuurgeschiedenis die nog niet geschreven is.

Jalada’s vertaalinitiatief maakt deel uit van een grotere taalbewustwording. Het Kwani literatuurfestival van 2015 was getiteld `Buiten de grenzen van het Engels: Schrijvers in gesprek over taal’. Het zette het taaldebat in het middelpunt van de belangstelling, waarmee het de overgang markeerde van een algemeen heersende opvatting dat literatuur in het Engels voldoende was naar een debat over taaldiversiteit. Op dat festival werden de eerste Mabati-Cornell Kiswahili-prijzen voor Afrikaanse Literatuur uitgereikt. Samen met Lizzy Attree, directeur van de Caine Prize, stelde ik die prijs in 2014 in met het uitdrukkelijke doel `het schrijven in Afrikaanse talen te erkennen en het vertalen uit en in Afrikaanse talen, ook onderling, te bevorderen.’ De prijs, een bedrag van 15.000 dollar te verdelen onder vier winnaars, wordt jaarlijks toegekend voor de beste ongepubliceerde of in de voorgaande twee jaar gepubliceerde manuscripten in de categorieën fictie, non-fictie en beeldroman. De winnende proza-inzendingen worden in het Swahili gepubliceerd door Mkuki na Nyota Publishers of de East African Educational Publishers (EAEP) en de beste gedichtenbundel in een Engelse vertaling door het African Poetry Book Fund.

De linguïst en schrijver Boubacar Boris Diop heeft Ceytu opgezet, een imprint in Senegal die is gewijd aan de vertaling in het Wolof van oorspronkelijk werk van Frantz Fanon, Aimé Césaire en anderen. In 2013 stelde Chike Jeffers een bloemlezing samen van in het Engels vertaalde filosofische teksten die oorspronkelijk in zeven Afrikaanse talen waren geschreven. Ook Wangui Wa Goro, die in 1982 Ngugi’s Matigari uit het Kikuyu in het Engels vertaalde, heeft zich bijzonder ingespannen om het vertalen van Afrikaanse literatuur levensvatbaar en zichtbaar te maken.

Maar voordat de Afrikaanse teksten van de post-post Makerere schrijvers een gelijkwaardige plaats hebben veroverd naast Afrikaanse teksten in Europese talen moet er nog veel gebeuren. Toen dr. Lizzy Attree en ik de Mabati-Cornell Kiswahili Prize for African Literature instelden, ontdekten we al snel dat kanalen die voor Engelse teksten volstrekt vanzelfsprekend zijn, niet alleen binnen Afrika maar ook daarbuiten, totaal ontbraken. Zo hebben de meeste, zo niet alle, universiteiten in de Verenigde Staten een literair tijdschrift voor bachelor- en masterstudenten. Vakgroepen Engels of andere moderne talen hebben gerenommeerde literaire tijdschriften (en dan laat ik het bestaan van universiteitsuitgeverijen nog buiten beschouwing). Staten en steden kennen hun eigen regionale prijzen toe en hebben vaak door de staat gesponsorde culturele organisaties die schrijvers ondersteunen. Schrijvershuizen strijden om aanzien.

Er bestaat slechts een handvol literaire tijdschriften in het Swahili, dat door ongeveer honderd miljoen mensen wordt gesproken. En er zijn om precies te zijn vijf prijzen voor literatuur in het Swahili. Voor het Kikuyu, mijn moedertaal die bijna zeven miljoen mensen spreken, kan ik maar één tijdschrift noemen: Mutiiri, dat mijn vader in 2000 als gedrukt tijdschrift heeft gelanceerd en dat nu online verschijnt.9 Literaire prijzen voor werk in die taal zijn er niet. Uitgevers van literaire teksten in Afrikaanse talen zijn er buiten Zuid-Afrika maar weinig. Ik ken geen enkel tijdschrift dat literaire kritiek in een Afrikaanse taal publiceert, of schrijvershuizen die het schrijven in Afrikaanse talen propageren. Ik wil maar zeggen dat zelfs honderd tijdschriften en literaire prijzen voor een bevolking die over niet al te lange tijd een omvang heeft van een miljard mensen verspreid over vijfenvijftig landen een miezerig klein beetje zou zijn.

Dekolonisatie van de taal is niet uitsluitend de taak van schrijvers. Regeringen dienen hun beleid aangaande het onderwijs van Afrikaanse talen te wijzigen en werkgelegenheid in die talen te scheppen ­­– of het nu gaat om banen voor landbouwkundig voorlichters die zijn opgeleid in de talen van hun werkgebied, leraren die les kunnen geven in Afrikaanse talen of tolken voor nationale en internationale organisaties enzovoorts. Afrikaanse talen worden nu voornamelijk gebruikt in de sociale omgang, maar ze zouden zich moeten ontwikkelen tot vehikels van politieke, culturele en economische groei.

We hebben literaire kritiek in Afrikaanse talen nodig. En even belangrijk, we dienen de Afrikaanse literatuurtheorie te dekoloniseren. Waarom blijft de literaire kritiek voor haar begrippen steeds maar inspiratie zoeken in Europese literatuurtheorieën? Waarom gebruiken we de Afrikaanse literatuurtheorie niet om de esthetica van Afrikaanse literatuur te ontsluieren? Tenslotte komt onze verbeelding voort uit onze rijk geschakeerde, creoolse culturen, die nog altijd hun eigen benadering van esthetica hebben. In de culturen waaruit Afrikaanse literatuur voortkomt, kunnen we analytische literaire instrumenten vinden, maar dan dienen we de Afrikaanse talen eerst aan een grondig onderzoek te onderwerpen.

 

 

NOTEN

1 J.T. Ngugi, `A Kenyan at the Conference’, Transition, no. 5 (Jul 30 –Aug. 29, 1962), p. 7.

2 Ngugi wa Thiong’o.1986. Decolonising the Mind: The Politics of Language in African Literature. London: J. Currey.

3 Obiajunwa Wali, `A Reply to Critics from Obi Wali,’ Transition, no. 50 (Oct., 1975 – Mar.,1976), p. 46–47.

4 Zie Albert Gérards African Language Literatures: `Wat we de Gouden Eeuw van de literatuur in het Ge’ez kunnen noemen, begon in 1270, toen Yekuno Amlak (1270 – 1285) de troon besteeg en een nieuwe dynastie vestigde die er in de daarop volgende tweehonderdvijftig jaar in slaagde om de moslimemiraten te overwinnen en de suprematie van de Amhara te vestigen… Tijdens de regering van Amda Seyon (1314 – 1344) werden voor het eerst teksten in de eigen taal geschreven, zowel religieuze als seculiere.

5 S. Nombuso Dlamini, et al. `What does a decolonizing/decentralizing methodology in examining sexual lives entail?’, African Journal of Reproductive Health, 16.2 (2012): p. 55–70.

6 Carole Boyce Davies, `What does Ngugi’s Decolonizing the Mind mean to you as a writer and/or scholar?’, Facebook, 6 aug. 2017, 12:23, www.facebook.com/mukomawangugi.

7 Mukoma Wa Ngugi, `Recipe: How to Become an Immigrant and an Exile’, Tin House. 31 jan. 2017, https://tinhouse.com/recipe-how-to-become-an-immigrant-and-an-exile/.

8 Jalada, `Submissions’, 15 apr. 2015, Jalada, n.p.; https://jaladaafrica.org/, 1 feb. 2016

9 http://www.mutiiri.com/

 

BIBLIOGRAFIE

Achebe, Chinua. 1958.Things Fall Apart. London: Heinemann. African Writers Series.

Achebe, Chinua.1979. Een wereld valt uiteen. Afrikaanse bibliotheek Vertaald door Jan Dicker, vertaalgroep Administratief Centrum Bergeyk, met een nawoord van Jan Kees van de Werk. Maasbree: Zeelen.. In 1989 als Rainbow-pocket verschenen, in 2008 herdrukt in De AfriCanon van de Leesclub van NRC Handelsblad.

Achebe, Chinua. 1960. No Longer at Ease. London: Heinemann. African Writers Series.

Achebe, Chinua. 1987. Weerzien met vreemden. Afrikaanse bibliotheek.Vertaald door J. Leenders-Savelbergh & Co. Haarlem: In de Knipscheer.

Ceytu. zie www.ceytu.fr

Davies, Carole Boyce. `What does Ngugi’s Decolonizing the Mind mean to you as a writer and/or scholar?’ Facebook. www.facebook.com, 6 Aug. 2017, 12:23, www.facebook.com/mukomawangugi.

Dlamini, S. Nombuso et al. `What does a decolonizing/decentralizing methodology in examining sexual lives entail?’. African Journal of Reproductive Health 16.2 (2012): 55-70.

Gachagua, Clifton. 2014. Madman at Kilifi. Lincoln: University of Nebraska Press.

Gérard, Albert S. . 1981. African Language Literatures. London: Longman.

Gérard, Albert S. . 1992. Littératures en langues africaines. Paris: Éditions Mentha.

Jalada Africa. https: //jaladaafrica.org/

Mofolo, Thomas. 1907. Moeti oa Bochabela. Morija: Sesuto Book Depot.

Mofolo, Thomas. 1934. The Traveler of the East. Translated by Harry Ashton. London: Society for Promoting Christian Knowledge.

Mofolo, Thomas. 2007. Traveller to the East. Translated by Harry Ashton. London: Penguin.

Mofolo, Thomas. 1925. Chaka. Morija: Sesuto Book Depot.

Mofolo, Thomas. 1931. Chaka: An Historical Romance. Translated by F.H. Dutton. Oxford: Oxford University Press.

Mofolo, Thomas. 1981. Chaka. Translated by Daniel P. Kunene. London: Heinemann.

Mutiiri: http://www.mutiiri.com/

Ngugi, Mukoma wa, `Recipe: How to Become an Immigrant and an Exile.’ 31 januari 2017. Tin House.

Ngugi wa Thiong’o. 1964. Weep not, Child. London: Heinemann. African Writers Series.

Ngugi wa Thiong’o. 1981. Detained: a Writer’s Prison Diary. London: Heinemann. African Writers Series.

Ngugi wa Thiong’o. 1987. Matigari. Nairobi: Heinemann Kenya.

Ngugi wa Thiong’o. 1989. Matigari. Translated by Wangũi wa Goro. Oxford: Heinemann. African Writers Series.

Ngugi wa Thiong’o en Ngugi wa Mirii. 1980. Ngahiika Ndenda. [in Kikuyu] London: Heinemann Educational Books.

Ngugi wa Thiong’o en Ngugi wa Mirii. 1982. I Will Marry When I Want. Translated by NN. London: Heinemann.

Ngugi wa Thiong’o. 1986. Decolonising the Mind: The Politics of Language in African Literature. London: J. Currey.

Ngugi wa Thiong’o. 2016. Ituĩka Rĩa Mũrũngarũ: Kana Kĩrĩa Gĩtũmaga Andũ Mathiĩ Marũngiĩ (The Upright Revolution: Or Why Humans Walk Upright). Engelse vertaling door de auteur. Nairobi: Jalada Africa Trust.

Soyinka, Wole. 1963. A Dance of the Forests [play]. London/New York: Oxford University Press.

 

 

Over de auteur:

Mukoma Wa Ngugi (1971) is dichter en schrijver van academische boeken en detectives. Hij is de zoon van de grote Ngugi Wa Thiong’o. In zijn nieuwe boek, The Rise of the African Novel: Politics of Language, Identity and Ownership (2018), behandelt hij de ontwikkeling van de Afrikaanse roman en de grote belangstelling voor Afrikaanse schrijvers op dit moment.

Over de vertaler:

Ans van Kersbergen studeerde psychologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en Vertaalwetenschap (Engels/Spaans) aan de Universiteit van Amsterdam. Ze is werkzaam als vertaler en redacteur.