thema:

De vader van de Afrikaanse cinema

‘Wij zijn verhalen,’ zo vatte de Senegalese cineast en schrijver Sembène Ousmane (1923-2007) zijn filosofie samen. En hij was een van de grootste voorbeelden van de vertellers van onze tijd.
In een belangrijk interview dat Sembène in de jaren negentig van de vorige eeuw gaf, vertelde hij over de stand van zaken  van een project waarmee hij al meer dan dertig jaar van zijn leven bezig was: een film over het leven van Samori Touré. ‘Ik reken op de financiële steun van een aantal Afrikaanse leiders, waaronder Gadafi en Abdu Diof. Het gaat ons lukken,’ zei hij. ‘Samori was bijzonder omdat in hem de eigenschappen van vier grote mannen samenkwamen: Peter de Grote, Karel de Grote, Napoleon en Attila de hun. Zo willen we hem aan het publiek aan het publiek voorstellen. We maken geen excuses.’

Het project Samori zou de belichaming zijn van  Sembènes dromen en zou hem de mogelijkheid bieden zijn onstuimige talent ten volle te etaleren. Duizenden mensen uit de hele wereld zouden meedoen aan het project. De filmmaker had toestemming gevraagd en gekregen van grote acteurs als Peter Ustinov in Europa en de beste acteurs en beroemdheden van Afrika, waaronder de zangeres Miriam Makeba uit Zuid-Afrika en de acteur Sidiki Bakaba uit Ivoorkust. Zij hadden zonder maar een cent te zien hun medewerking verleend. Ze wilden allen meedoen aan een film waarin het leven van waarschijnlijk de grootste vrijheidsstrijder van het Afrika van de negentiende eeuw  zou worden vastgelegd. Miljoenen dollars waren nodig om dit project van de grond te krijgen en Sembène was er vast van overtuigd dat hij het voor elkaar zou krijgen. Dit vertrouwen was niet ongegrond.

Sembène was inmiddels zowel een begenadigd schrijver als filmmaker, en werd tijdens zijn leven al de vader van de Afrikaanse cinema genoemd. Zelf was hij liever schrijver gebleven en geen filmmaker geworden, benadrukte hij telkens weer. En hij kreeg gelijk.

Juist in zijn schrijverschap,  meer dan in films, was zijn genialiteit te zien. Hij begreep hoe een roman werkte, hij beheerste de technieken die het mogelijk maken dat een eenvoudig verhaal tot een meesterwerk verheven kan worden, zoals duidelijk het geval is in zijn autobiografische debuutroman  Le Docker Noire (1953; in 1985 bij Het Wereldvenster uitgegeven als De zwarte dokwerker, vertaald door Ernst van Altena.) Deze roman over het leven van een zwarte havenarbeider in het Marseille van de jaren vijftig van de vorige eeuw was een aanklacht tegen onrecht, tegen onmenselijke omstandigheden en  tegen discriminatie – thema’s die vervolgens in bijna al het werk van dit genie zouden blijven terugkeren. Later volgden er romans en verhalenbundels als Ô pays, mon beau peuple (1957), Les Bouts de bois de Dieu (1960), Voltaïque (1962), L’Harmattan (1964),  Le Mandat, précédé de Vehi-Ciosane (1965), Xala (1973), Le Dernier de l’Empire (1981) en Niiwam (1987), stuk voor bijzondere romans waarin hij de verschillende thema’s die hem bezig hielden, ontplooide.   

Maar het was met Les Bouts de bois de Dieu (1960) dat Sembène de grenzen en mogelijkheden van de roman verlegde. Een roman waarin ook zijn bewondering en fascinatie voor Samori Touré gestalte kregen. Dit is zonder meer zijn grootste meesterwerk. Hierin smelten alle thema’s van zijn werk samen: moed, rebellie tegen de gevestigde orde, leiderschap, de kracht van Afrikaanse vrouwen en het streven naar eenheid. De roman slaagt op allerlei niveaus: hij kan gelezen worden als een aanklacht tegen kolonisatie en de erbarmelijke omstandigheden waarin de spoorwerkers in Senegal en Mali verkeerden, maar ook als waarschuwing voor de toekomst: een voorteken van de  onafhankelijkheidsstrijd van de Afrikaanse volkeren. Hij laat in de persoon van de mysterieuze Ibrahim Bakayoko, die pas na de helft van de roman verschijnt, de kracht van leiderschap zien, maar het boek is ook te lezen als een knipoog naar Samori Touré, wiens leven in vele West-Afrikaanse landen nog steeds met weemoed besproken wordt. Hier laat de schrijver Sembène ook zijn wezen zien: als opstandeling, als voorvechter van de onderdrukten, ‘de verschroeiden der aarde’, om Franz Fanon te citeren. Sembène begreep het mechanisme dat een gewone arbeider dwong  om alles opzij te leggen en te vechten voor zijn rechten en vrijheid. Alleen al vanwege deze boeken had Sembène de Nobelprijs voor literatuur moeten krijgen.

 

Zijn keuze voor film als medium om zijn thema’s verder te verwerken was een maatschappelijke en noodzakelijke daad,  al bleef hij het voor de rest van zijn leven betreuren dat hij daardoor nauwelijks meer aan het schrijven van romans kon toekomen. ‘Ik wilde films maken om mijn publiek, met name de Afrikanen, direct met mijn boodschap te confronteren,’ verklaarde hij zijn keuze. En daarin slaagde hij wonderwel. Zijn eerste film Borrom Saret (1962) behandelde de extreme armoede waarin Afrikanen na de onafhankelijkheid verkeerden: een aanklacht tegen Afrikaanse overheden die niks deden om hun volk uit de armoede te tillen en richting een betere toekomst te sturen. Later volgden er de films Niaye (1964), La Noire de… (1966), Mandabe (1968), Xala (1974), Ceddo (1976), Camp de Thiaroye (1987), Guelwaar (1992), Faat Kiné (2000) en Mooladeé (2004).

Wat hem niet lukte met zijn boeken, namelijk een breed Afrikaans publiek te bereiken, lukte met zijn films wél. Sembène was niet een kunstenaar die alleen zijn eigen innerlijke strijd wilde vormgeven, maar ook één die de tekortkomingen van zijn wereld aan de kaak wilde stellen: kolonialisme, corruptie, racisme, vrouwenrechten, tirannie en meer.

Hij was rusteloos, net als zijn grote voorbeeld Samori Touré, en ongeduldig en hij wilde totale controle over zijn materiaal, totale zeggenschap, wat hem aan de ene kant ver bracht maar ook soms isoleerde, net als de man wiens leven hij al die jaren geprobeerd had te vertellen.

Ousmane Sembène werd in 1923 geboren in de stad Ziguinchor, Casamance, een provincie in Senegal. Volgens de overlevering had hij op de middelbare school zijn witte docent geslagen, wat ertoe leidde dat hij van school werd gestuurd. Volgens zijn biograaf Samba Gadjigo was de jonge Sembène al rusteloos en rebels. Het incident op school wordt door de biograaf in twijfel getrokken. Sembène zocht voortdurend de confrontaties met autoriteiten, zowel thuis als daarbuiten. Om richting te geven aan zijn leven werd hij naar zijn oom in Dakar gestuurd waar hij allerlei klusjes klaarde. Later zou hij als een Tirailleur Senegalese in de Tweede Wereldoorlog vechten. De ervaringen die hij daar opdeed, zouden de basis vormen van een van zijn meesterwerken,  Camp de Thiaroye (1987). Tijdens zijn verblijf in Marseille ontwikkelde hij zichzelf tot een schrijver. De ervaringen van een man die op zichzelf aangewezen was, de zoon van een eenvoudige visser, hebben waarschijnlijk een vechter van hem gemaakt, maar ook een man die nergens thuis hoorde. Een man die vanuit dat ongemak en die rustloosheid briljante boeken en films maakte.

Ondanks  het duizenden pagina’s tellende scenario dat hij schreef voor de film Samori, ondanks alle beloftes, lukte het Sembène uiteindelijk niet om zijn grootste film te voltooien. Aan het einde van zijn leven moest de grote meester beseft hebben dat zijn ambitie alleen niet genoeg was om zijn droom waar te maken. Het ontbrak Sembène aan geld. Nu berust bij zijn  lezers en bewonderaars de taak om Sembènes droom alsnog waar te maken.

Over de auteur:

Vamba Sherif is in Liberia geboren en deels in Koeweit en Syrië opgegroeid. Hij heeft verschillende romans geschreven, zoals De Zwarte NapoleonDe getuige, ZwijgplichtHet koninkrijk van Sebah en Het land van de vaders. Zijn werk behandelt thema’s als migratie, thuishoren, liefde, kolonialisme en de spanning tussen de gematigde en de radicale islam. Zijn romans zijn in het Engels, Frans, Duits, Spaans en het Indiase Malayalam verschenen. Over zijn werk schreef de Berliner Zeitung: ‘Sherif creëert draaikolken van Shakespeareaanse intensiteit.’ Hij werkt aan een nieuwe roman.