De wereld van gisteren als spiegel

Soms zijn de dingen al opgeschreven. En waarschijnlijk vaker dan we denken. De gewone reflex, elke generatie, elk tijdperk weer, is de eigen tijd als uniek en bijzonder te beschouwen en te negeren dat zich in het verleden vergelijkbare ontwikkelingen hebben voorgedaan die door schrijvers, denkers, historici adequaat en richtinggevend zijn beschreven. Uit hun inzichten zouden we lering kunnen trekken zonder de parallellen te verabsoluteren, want uiteraard is geen tijdperk werkelijk vergelijkbaar met een ander. Wel zijn er patronen in de reacties en posities van de mensen, in de hantering van de macht, in het gebruik van taal en retoriek die we kunnen bestuderen. Dit vooronderstelt interesse in de geschiedenis, de wil om inzichten van anderen tot ons te nemen, en het vermogen die in onze analyses te betrekken. Om er vervolgens naar te handelen.

Ik lees de dagboeken van Sándor Márai, uit de jaren 1943-1948. De Hongaarse schrijver bevindt zich de oorlogsjaren in het dorpje Leányfalu en in Boedapest, door de oorlog geteisterd, en probeert gedisciplineerd door te werken aan zijn romans. Terwijl de Amerikaanse bommen vallen, en honderdduizenden joden voor zijn ogen worden afgevoerd, houdt hij een dagboek bij, ongedateerd. Hij doet daarin verslag van zijn diverse lectuur: klassieke en moderne auteurs neemt hij zonder onderscheid mild en trefzeker de maat. Hij beschrijft zonder zelfmedelijden de dagelijkse noden en de talrijke fysieke kwalen waaraan hij lijdt. Hij schetst vooral, en steeds nadrukkelijker, de staat van zijn land, het lage moreel, de trieste moraal van de mensen. Wonderlijk lucide, te midden van het tumult en de chaos, laat hij zien hoe de Hongaren hier, op dit punt in de geschiedenis, gekomen zijn. Bezet door de Duitsers, bedreigd door de Russen die voor de poorten staan, en vooral ondermijnd door de fascistische Pijlkruisers die het land in hun greep hebben.

Márai richt zich tegen de Pijlkruisers, de Hongaarse nazistische beweging, qua ideologie grotendeels de Duitse NSDAP volgend, en de vele andere collaborateurs en meelopers die profiteren van de chaos. Misschien nog wel sterker richt hij zich tegen de burgers en de mensen van zijn eigen klasse, de intelligentsia, de eigen professie, de schrijvers die beter zouden moeten weten. Alleen met de bohème van journalisten en acteurs voelt hij verwantschap. Met verbazing merkt hij begin ’45 op met welk een eerbied de zegevierende Russen hem behandelen als ze vernemen dat hij schrijver is. De ‘barbaren’ blijken in schrijvers bijzondere mensen te zien, afgezanten van iets hogers. Zelf heeft hij geen enkele fiducie in de bijzondere kracht van schrijvers en intellectuelen, zovelen onder hen bleven immers stil in deze tijd. En de burgers die zich elk tijdperk opnieuw soepel schurken aan de macht kunnen bij hem al helemaal op geen enkele waardering rekenen. Hij verwijt hen hun egoïsme, hun domheid, hun stupide nationalisme, hun religiositeit in weerwil van hun vermogen van elke situatie te profiteren. Zich schikken in de nieuwe, naoorlogse orde lukt hem bijna vanzelfsprekend evenmin. Niet verwonderlijk dat zijn werk niet lang na de oorlog in Hongarije niet meer werd uitgegeven en allengs vergeten – hij had te veel afstand geschapen en te veel vijanden gemaakt -, tot het decennia later, na zijn dood, in veel landen een cultstatus kreeg. ‘Er is geen schrijver die Márai heet,’ hoorde een van zijn vrienden in 1990 in een boekhandel in Boedapest, een jaar na zijn zelfgekozen dood in ballingschap in San Diego. Kort daarna ging zijn werk in triomf de wereld over.

Márai’s dagboeken lezen betekent een razendsnelle inwijding in de menselijke komedie die van alle tijden is. Zoals hij de eigen troosteloze situatie meedogenloos weergeeft, zo scherp en kritisch beschouwt hij de bewegingen van de mensen om hem heen, vrienden, vijanden, stad- en dorpsgenoten. Waar staan zij? Hoe handelen zij? Hoe verhouden ze zich tot de bezetter, tot de machthebbers, tot de Russen die naderen? Welke rol spelen zij terwijl de joden uit het straatbeeld verdwijnen en worden afgevoerd, hun huizen worden geplunderd? Wie moet je zijn om met een mede-plunderaar ruzie te maken over dingen die niet de jouwe zijn? Wie moet je zijn om leugens te slikken en de waarheid en werkelijkheid de rug toe te keren? Hoe ben je in staat om eerst de bezetter te fêteren met voedsel en drank en vervolgens de bevrijder? Uit welk soort hout zijn we gesneden?

Met verve beschrijft Márai de mensen die het altijd weten uit te zingen, die weten hoe de winden waaien. Met weerzin belicht hij de inschikkelijkheid van de functionarissen die altijd opnieuw hun plek vinden, onder elk regime, en elke wetteloosheid weten te sanctioneren. Hij hekelt de intellectuelen en schrijvers die alles laten gebeuren omdat ze met zulk belangrijk werk bezig zijn. Hun gelatenheid is geen deugd, geen daad, maar een overgave aan het simpelste overlevingsinstinct. Hij maakt zich kwaad over het gebruik van propaganda die hele volksstammen blijft overtuigen ook als alles het tegendeel bewijst, uit een volstrekt misplaatst gevoel van trouw (aan zogenaamde daadkracht, de macht). Hij toont zich bedroefd over het onvermogen van mensen die zich te weer willen stellen, zich te verbinden met degenen die er bijna hetzelfde over denken. Hij analyseert de toespraken van de volksmenners, de oorlogshitsers die grossieren in leugens, en daarmee wegkomen. Hun woorden, vol pretentie, misprijzen en haat, worden door hun aanhangers nooit gecontroleerd. Elke loze belofte wordt met gejuich ontvangen. De intellectuele armoede van hun discours is hun geheime wapen. Verwijzingen naar de geschiedenis, over oude grootheid, oude rekeningen zijn altijd vals, maar dat is volstrekt onbelangrijk, want de toehoorders kennen de geschiedenis niet. De oppositie die deze ‘redenaars’ beschrijven wordt zonder onderscheid getypeerd als illegitiem, verraderlijk, niet-patriottisch, als de vijand dus.

Als antwoord, als remedie reikt Márai twee elementen aan, die we moeten begrijpen in het kader van de (Tweede Wereld)oorlog en de chaos waarin hij zich bevindt, maar die ook nu van belang zijn. Hartstochtelijk komt hij telkens terug op de plicht de kinderen op te voeden tot democraten – dit is een kwestie van cultuur. Te werken aan een heel nieuwe generatie die in staat is aan mensen van een andere klasse, andere afkomst, andere religie gelijke rechten te geven, om zo oorlog in de toekomst te vermijden. En om gezamenlijk een vuist te maken als de omstandigheden daarom vragen, met doorzettingsvermogen en argumenten. Sterk verzet Márai zich tegen het idee dat mensen overal het recht toe hebben als ze tot een bepaalde klasse behoren (in zijn tijd: rechts, nationalistisch, religieus), zonder verder iets te kunnen, te presteren of iets geleerd te hebben. De mensen die alleen geloven in hun eigen welzijn, hun eigen bezit, dat waar ze onverklaarbaar ‘recht op hebben’, zullen een land en de wereld niet tot vrede en bloei brengen.

Wie de wereld van nu in ogenschouw neemt ziet overal ontwikkelingen en tendensen die Márai voor een andere tijd zo treffend heeft geschetst: manipulatie, propaganda, zogenaamde sterke mannen, opgehitste bevolkingsgroepen tegenover elkaar, diabolisering van tegenstanders, gelatenheid. Veel sterke taal, te schaars het gesprek over (gedeelde) waarden. Als je bedenkt in welk decor van oorlog en vernietiging Márai zijn dagboeken heeft geschreven, dan moet dat te denken geven. Het lezen van zijn werk kan daarbij een leidraad zijn onze plek in de geschiedenis te bepalen.

 

Sandór Márai: Journal, Les années hongroises 1943-1948. Albin Michel 2019
Sandór Márai: Land, land!… Wereldbibliotheek 2002

Over de auteur:

Henk Pröpper (1958) is auteur van onder meer Het zwaard van de krab en Intiem slagveld. Hij was diplomaat, directeur van het Nederlands Letterenfonds en directeur-uitgever van De Bezige Bij/ AW Bruna. Momenteel werkt hij zelfstandig als cultureel adviseur, ook is hij literair medewerker van De Volkskrant.