Affirmatie: een gedicht uit de nieuwe bundel van Mischa Andriessen

Graag lenen we de woorden van een andere dichter om de poëzie van Mischa Andriessen te omschrijven: “Genadeloos” noemde Piet Gerbrandy de gedichten uit de bundel Dwalmgasten die verschijnt bij Uitgeverij De Bezige Bij. Andriessens dichtwerk is de laatste jaren niet enkel bij ons in de smaak gevallen. Eerder verschenen immers de bundels Uitzien met D en Huisverraad en hij ontving de C. Buddingh’-Prijs (2009), de J.C. Bloem-Poëzieprijs (2013) en het Charlotte Köhler Stipendium (2014). De aankondiging van zijn nieuwe bundel werd dan ook heuglijk ontvangen.

Een feestelijke presentatie van Dwalmgasten vindt plaats op 1 september in Athenaeum Boekhandel, Spui 14-16. De presentatie, met een feestrede van Gustaaf Peek, begint om 17.00 en staat geheel in het teken van deze nieuwe “genadeloze” bundel.

Hier alvast een voorproefje…

Affirmatie (De Broer)

Het stelt niets voor dit gewicht.
Achteloos ben ik weggedreven van waar
ik getuige werd ongewild leerde
dat alles van belang boven komt
vanzelf met gemak tors ik de last
van kroon en stam, ken honger
noch dorst, heb mezelf verborgen
in het hart van de vlammen en bloesem
zal bloeien in het vuur, de zon schijnen
in de avond, wanneer geen vogel zingt
zal de berg nog stiller zijn; ik ben nu hier
heb geld in mijn zak, geen gebrek aan niets
zal op deze stronk eindeloos stilstaan
terwijl het hout wordt verzaagd
zaagsel pulp wordt voer voor hoogmoed.

Achter de schuur blijft hij bewegingloos
in de vastbesloten greep van de vader
een keerwoord: Laat hem los en hij blijft staan.
Wanneer ik dadelijk durf te kijken
zal het zijn zoals hij heeft gezegd
wat laf is en zwak bekent zich vanzelf
geen reden om te schreeuwen
zegt de vader: Toch vraag ik me af
of wat ik verlang wel in je macht ligt?

Wat stelt het voor, dit gewicht?
Het staan op zich vraagt niets.
Ik groei zonder moeite uit mijzelf
tot straks een schemer aanschuift
die zoveel omvat dat hij onmogelijk
alleen door mij kan worden voortgebracht.

Hij staat naast me.
Wat doet je denken
dat je het nu wel kan?

Om beurten knijpen we
onze ogen dicht, draaien
onze ruggen naar de vader
die ons hier heeft gebracht
beloofd niet weg te gaan
eer een van ons niet meer
op zijn benen kan staan,
het tijd is een steen te pakken
zijn slaap te vinden, toe te slaan
voortaan bestendig te blijven, ongeacht
of iemand het opmerkt
de potentie herkent
van de leegte, een leegte
die afwijkt, niet even wezenloos
opkijkt, het trillende spiegelbeeld
van boezemwater waarin niets nog
van wie daar zo-even, juist iemand
die niet onverschillig is, zoals ik
instapt, vaststelt, pal staat, doorzet
wanneer vermoeidheid en wilsgebrek
zich aandienen, scherpe snavels
niet te hechten gaten hakken
in de huid, regenwater vogelstront
de blik vervuilen. Hoe ik knielde
zij opkeek, in mij landde toen
eerst de gedachte dat er geen reden was
waarom ik niet had kunnen verdwijnen
wegblijven, ik hem redeloos volgde, al die tijd
het bleek zomaar te bestaan, ik
zag het meteen, herkende het verhaal
dat zich nu om mij vormde
zoals mij was gezegd, door hem
die ik zelf – die ik nooit meer terugkreeg
eindeloos naliep, tot ik mijn stek innam
en hem zag mij verbeeldend
dat zijn hand die van haar vond,
toen ontvluchte, hij zich doof hield,
haar nog eens vast greep, zich verbaasde
over hoe futiel haar verzet, ik was het
die haar stil in mijn armen nam, bakerde
toen voorzichtig teruglegde, opstond,
in de verzengende stilte weerkeerde
mijn plaats gewezen kreeg
alsof het altijd al alleen ik
was die hier had gestaan ik altijd al alleen
hier had gestaan, uit mezelf was gegroeid
een schemer die daar opdoemt.

Nog steeds?
Nog steeds.

Haar gave zal blijken het kunnen zien
en te blijven kijken, wat zich aandiende
met al haar erbarmen en onschuld te zien
alsof het voor het eerst, dat moment
van herkenning, zich bekennen
met een gebaar en ik zal geduldig
wachten tot mijn uitgestoken armen
uitlopen en omwingerd raken
of leeg zijn, weg kijken, amok maken
een steen en slaap zoeken, toeslaan.
Want het stelt niets voor zo’n gewicht.
Moeiteloos houdt hij dit vol
ziet zichzelf trillend opkijken, een kind nog
uit het doezelende water waarin vorm
niets voorstelt, alleen voorhoudt, fabelt
een vaderkreet ver boven hem:
het lichaam kan niet worden gevonden
een poos cirkelen de vogels
waar het gedacht is en wanneer
ze weer weg zijn, verschijnt
wat daar moest zijn geweest.
Hoe dan de spiegel open splintert
zij opstaart en zo goed
als levend lijkt in het water
dat haar verstilde lijf heeft opgeëist.

Dit staan vraagt niets, de kroon
de stam, wat stelt het voor?
een leegte voor de verandering
uit zich brekend, hij was nooit alleen
staat hier op zijn stronk
stil, tot bloedens toe beraden
zegt hij mij nu na, kalm
maar kijk dan wie ik ben.

Over de auteur:

Mischa Andriessen (1970), schrijver, vertaler, recensent. Publiceert over jazz en beeldende kunst en vertaalde onder meer Graham Swift. Publicaties: Uitzien met D (poëzie, 2008), Huisverraad (poëzie, 2012) en Dwalmgasten (poëzie, 2016). Hij publiceerde proza in De Revisor.