thema:

Gedichten

Vertaling:

De verloren zoon oog in oog met de paradoxen van Zeno

 

Tien jaar vanaf vandaag, in beide richtingen, rent hij op zichzelf af. In beide gelijktij-
dige gevallen draagt hij een pijl. De ene versie van hem verzamelt snelheid om de pijl
naar een nietsvermoedend doelwit te werpen, de andere wordt voortgedreven door
een in volle vlucht gevangen pijl. Voor degene in het midden lijken de twee renners
bevroren beelden (of zouden zo lijken als zijn blikveld onbegrensd was) en hij voelt
zich uitbreiden naar hen beiden, als een reeks punten op een lijn. Voor hem gaat het
erom hoe de lijn wordt uitgezet: er is geen lijn zonder punten, geen oppervlak zonder
lijn. Reden gaat vooraf aan bestaan. Wat valt daaraan te betwisten? De lijn is geen
kalk op een stoep of spleet langs een kalkspoor; hij is geen afdruk van gevallen riet,
opgeslokt door nat zand – die expliciet seksuele mondvol water die wacht om het
gevallen riet te volgen. Reden is het zelfvoorzienende dier dat zichzelf verslindt om te
overleven. De lijn is geen touw of lint of een stuk prikkeldraad, doorgeknipt voor de
ontsnapping. Hij botst met het algemeen aanvaarde idee van lijnen als boden van
abstracte afstand. Zijn ontmantelde agenda geeft de maat aan.

 

De verloren zoon haalt een nacht door

 

Draag je een gekreukt wit pak? Ik wel. Daarmee kan ik mezelf makkelijk vinden in het donker.
– Charles Simic

Zelfs het Vagevuur heeft een wachtlijst. Hij heeft zich aangewend zich in kreukfluweel te kleden als dragelijk eufemisme. Het duister, dat wil zeggen het uiteindelijke weefsel van het verhemelte, stelt zich beschikbaar als een violist die bijbeunt als de honger die nog altijd van de dansvloer oprijst. In Amerika lossen ze dit probleem op met een verschijnsel dat ze de eigentappersclub noemen, dat een land wordt dat Genoeg heet, waar het parket tegen de muren oploopt. Zijn burgers wachten hun leven lang om hun papieren op orde te brengen, om ze vervolgens te verbranden, zich stateloos te verklaren in de hoop verwelkomd te worden in de vele armen van niets. Als ze beginnen te roepen om een instant volksheld, is de violist zo gewild dat zijn boekingen het grootste deel van zijn tijd innemen. Het weinige wat hij nog speelt is pizzicato, niets wat een banjo niet net zo goed kan zeggen voor een stuk minder.

Over de auteur:

De van Cuba afkomstige dichter Dionisio D. Martinez (1956) heeft Spaans als moedertaal. Hij is in Spanje opgevoed en verhuisde pas later naar Amerika, waar hij in Florida woont. Gedurende de jaren ’90 publiceerde hij vier dichtbundels: Dancing at the Chelsea (1992), History as a Second Language (1993), Climbing Back (1995) en Bad Alchemy (2000).

Over de vertaler:

Han van der Vegt (1961) is dichter en vertaler. Met Onno Kosters vertaalde hij District & Circle van Seamus Heany. In 2017 verscheen zijn vertaling van Omeros van Derek Walcott. Hij is op dit moment bezig met een dichtbundel die Eenzame goden gaat heten, en een sciencefictionroman over Julius Caesar.