thema:

Het verhaal moet wel correct verteld worden

Vertaling:

Ga je nu Nnams huis binnen dan snijdt de verflucht je de adem af maar zij voelt zich er goed bij. Ze voelt zich er goed bij zoals haar moeder zich goed voelde bij de geur van het buitentoilet, een putlatrine, toen ze zwanger was. Vóór de baby geboren werd ging haar moeder tot ieders walging in de buurt van het toilet zitten als ze huishoudelijke taken verrichtte of wilde eten. Maar Nnam is niet zwanger. De verflucht bevalt haar omdat haar man Kayita een jaar geleden doodging maar zijn geur bleef hangen; zijn beeld bleef plakken aan voorwerpen en zijn stem was diep in de slaapkamermuren getrokken: telkens als Nnam ging slapen, speelden de muren als een plaat zijn stem af. Deze afgelopen week heeft de verf Kayita’s geur verdrongen en hebben de slaapkamermuren zich koest gehouden. Vandaag is Nnam van plan om zijn beeld van de voorwerpen af te poetsen.

Een week geleden heeft Nnam een maand vrij genomen van haar werk en haar zoons, Lumumba en Sankara, naar haar ouders in Oeganda gestuurd voor Kayita’s laatste begrafenisrituelen. Dat is de reden waarom ze naakt is. Naakt zijn, alleen in huis met de stilte, is therapeutisch. Nu begrijpt Nnam waarom de eerste impuls van mensen die gek worden is zich uit te kleden. Kleren zijn beperkend maar dat besef je pas als je een week lang elke dag de hele dag naakt in je huis hebt rondgelopen.

*

Kayita is in de badkamer doodgegaan met zijn broek naar beneden. Hij was vijfenveertig en had zijn broek moeten optrekken voordat hij in elkaar zakte. Met Pasen nog wel. Wie gaat er nou dood in zijn nakie met Pasen?

Die ochtend bij het opstaan zwaaide hij zijn benen over de bedrand. Hij ging staan maar vervolgens meteen weer zitten alsof hij achteruit werd getrokken. Toen legde hij zijn hand op zijn borst en luisterde.

Nnam, die aan de muurkant lag, steunde haar hoofd op haar elleboog en vroeg: ‘Wat is er?’

‘Ik ben nog niet helemaal wakker, geloof ik,’ zei hij gapend.

‘Kom dan weer in bed.’

Maar Kayita stond op en wond een handdoek om zijn middel. Bij de deur draaide hij zich om naar Nnam en zei: ‘Ga maar weer slapen, ik geef de kinderen wel ontbijt.’

Lumumba maakte haar wakker. Hij moest naar de wc maar ‘pappa doet de deur niet open’. Nnam kwam uit bed en vervloekte de aannemer die badkamer en wc in één ruimte had geplaatst. Ze klopte op de badkamerdeur en duwde die open met de woorden ‘Ik ben het maar’.

Kayita lag op de vloer met zijn hoofd naast de radiator, zijn buik op de badkamermat, het ene eind van de handdoek in de wc-pot, het andere op de vloer en hijzelf helemaal naakt afgezien van de onderbroek rond zijn enkels.

Nnam gaf geen gil. Misschien was ze bang dat Lumumba binnen zou komen en zijn vader naakt zou zien. Misschien was het omdat Kayita zijn ogen dicht had zodat het leek of hij alleen maar was flauwgevallen. Ze deed de deur dicht en trok zijn onderbroek op terwijl ze hardop zijn naam zei. Ze haalde de handdoek uit de wc-pot en gooide hem in het bad. Toen riep ze: ‘Breng me de telefoon, Lum.’

Ze hield de deur op een kier toen Lumumba die aan haar gaf. ‘Breng me ook je vaders kaftan,’ zei ze terwijl ze het nummer intoetste. Ze trok de deur dicht en bedekte Kayita met zijn grijze kaftan.

Over de telefoon vertelde de verpleegster haar wat ze moest doen terwijl ze op de ambulance wachtte. ‘Leg hem in de stabiele zijligging… houd hem warm… blijf tegen hem praten… zorg dat hij u kan horen…’

Toen de ambulancebroeders kwamen, vertelde Nnam dat ze alleen maar gemerkt had dat Kayita die ochtend bij het opstaan achterover gewankeld was. Er welden wat tranen op toen ze de jongens uitlegde: ‘Pappa is niet lekker maar alles komt goed.’

Ze kleedde zich aan en belde een vriendin dat die de jongens moest komen ophalen. Toen de broeders de badkamer uit kwamen hadden ze Kayita een zuurstofmasker voorgebonden, wat haar geruststelde. Omdat de vriendin die de jongens kwam ophalen er nog niet was, ging Nnam niet mee met de ambulance. De ambulancebroeders zouden haar per telefoon laten weten in welk ziekenhuis Kayita was opgenomen.

*

Toen ze aankwam bij de eerstehulp, zei een receptionist dat ze in de wachtkamer moest gaan zitten. Vervolgens kwam er een jonge verpleegster die vroeg: ‘Bent u alleen gekomen?’

Nnam knikte en de verpleegster verdween. Even later kwam dezelfde verpleegster weer terug en vroeg: ‘Bent u met de auto?’

Dat was ze en de verpleegster ging weer weg.

‘Mevrouw Kayita?’

Nnam keek op.

‘Komt u mee.’ Het was een Afrikaanse verpleegster. ‘De dokter die met uw man bezig was, is klaar.’ Ze ging Nnam voor naar een spreekkamer en zei haar plaats te nemen. ‘De dokter komt zo bij u,’ zei ze, en ze trok de deur achter zich dicht.

Algauw kwam er een vrij jonge dokter in blauwe operatiekleding binnen die zich voorstelde. ‘Mevrouw Kayita, het spijt me dat uw man niet te redden was; hij was dood toen hij werd binnengebracht.’ Zijn stem klonk fluwelig. ‘Er was niets dat we konden doen. Mijn oprechte deelneming.’ Zijn handen kruisten elkaar en landden op zijn borst. Toen kneep één hand in zijn lippen: ‘Is er iets dat we voor u kunnen doen?’

In Engeland is verdriet privé – je weet hoe vrouwen bij ons zich gedragen, jankend en schreeuwend? Niets daarvan. Je kunt je verdriet niet aan anderen opdringen. Toen Nnam het te kwaad kreeg, holde ze naar het toilet en hield ze zich staande aan de wastafel. Voor ze naar buiten ging waste ze haar gezicht en op dat moment realiseerde ze zich dat ze haar tas niet meer had. Ze liep terug naar de spreekkamer. De Afrikaanse verpleegster had hem in haar hand.

Ze heette Lesego. Was er iets dat ze kon doen? Nnam schudde haar hoofd. Is er iemand die ik voor u kan bellen? U kunt niet rijden in deze staat. Voordat Nnam nee kon zeggen, zei Lesego: ‘Geef me uw telefoon.’

Nnam gaf hem haar.

Lesego scrolde door de contacten en las de namen voor. Toen Nnam bij een naam knikte, belde ze het nummer en sprak: Ik bel vanaf de Manchester Royal Infirmary… het spijt me u te moeten zeggen dat… mevrouw Kayita is hier nog… ja natuurlijk… ik blijf bij haar tot u hier bent.

Het ziekenhuis verlaten was het moeilijkst. Je weet wel hoe soms twee van die namasasana-bananen met de schil aan elkaar vergroeid zijn en je ze van elkaar los moet scheuren voor je er één opeet? Zo voelde Nnam zich.

*

Nnam begint met schoonmaken in de badkamer. De vloer is vervangen door een minimozaïek van blauwe vinyl. In plaats van in de wasmand gooit ze de toiletmatjes in de afvalbak. Ze loopt naar de kast om schone te pakken. In plaats daarvan haalt ze alle toiletmatjes uit de kast en propt die ook in de afvalbak: op één ervan is Kayita’s buik gestorven. Dan schrobt ze het bad, de wastafel en de toiletpot met chloor. Ze haakt het douchegordijn los en propt dat ook in de afvalbak. Als ze het medicijnkastje opentrekt ziet ze Kayita’s antibaardhaarpukkelpoeder, een scheermes en aftershave. Die gaan de afvalbak in. Er zit schimmel op de plankjes in het kastje. Ze haalt het kastje van de muur en loopt ermee naar de voordeur. Op een later moment zal ze het buiten zetten. Als ze de badkamer weer in komt is er meer ruimte en ruikt het er fris. Ze knoopt de vuilniszak dicht en zet die ook bij de voordeur.

Kayita had al twee kinderen voordat hij Nnam leerde kennen. Hij had ze bij hun moeder in Oeganda achtergelaten maar zijn relatie met haar was al lang voordat hij Nnam leerde kennen beëindigd. Verschillende keren had Nnam hem gevraagd om de kinderen naar Engeland te halen maar hij zei: ‘Kdt, je kent hun moeder niet; de kinderen zijn haar melkkoe.’

Toch maakte Nnam zich zorgen dat zijn kinderen het zonder hun vader moesten stellen. Ze stond erop dat hij hen elk weekend belde: ze schafte zelfs de telefoonkaarten aan. Als hij bij hen op bezoek ging gaf ze kleren voor hen mee.

Anders dan andere Oegandese mannen die getrouwd waren met vrouwen die eerder waren geëmigreerd dan zij, had Kayita zich goed weten aan te passen aan de andere omstandigheden van een westers huwelijk. Veel van die huwelijken kwamen onder druk te staan als de bruidegom, vers uit het thuisland, een cultuurschok onderging en zich ontmand begon te voelen door een vrouw die wegwijs was in Engeland. Kayita had er geen moeite mee om het huishouden op zich te nemen als hij niet aan het werk was. Ze konden zich slechts een bescheiden trouwerij veroorloven, ze konden zich maar twee kinderen veroorloven. Aan het eind van de maand legden ze hun salarissen bij elkaar: Kayita werkte bij g4s dus hij verdiende een stuk minder dan zij maar hij probeerde dat te compenseren door veel over te werken. Na het betalen van de vaste lasten en andere huishoudelijke zaken legden ze geld opzij om naar zijn kinderen op te sturen en soms ook bij bepaalde gebeurtenissen in een van hun twee families – iemand die was gestorven, iemand die ziek was, iemand die ging trouwen.

Voordat ze Kayita ontmoette, had Nnam drieënhalve hectare grond gekocht in het landelijk gelegen Kalule. Na tientallen jaren in Manchester droomde ze ervan om na haar pensioen in Oeganda op het platteland te gaan wonen. Maar toen ze een relatie kreeg met Kayita, stelde hij voor om land te kopen in Kampala en eerst in die stad een huis te bouwen.

‘Waarom een huis bouwen waar we de komende twintig jaar toch niet wonen en in landelijk Kalule waar niemand het zal huren? De huur van het huis in de stad sparen we om later het huis in Kalule van te bouwen.’

Het sneed hout.

Ze kochten een stuk land in Nsangi. Maar Nnams vader, die de koop voor hen sloot, wist dat het meeste geld afkomstig was van zijn dochter. Hij liet de eigendomsakte opmaken op haar naam. Toen Kayita protesteerde dat hij buitenspel werd gezet, zei Nnam tegen haar vader dat hij alles op naam van Kayita moest zetten.

Omdat ze niet voor het hele gezin de reiskosten konden betalen, was Kayita degene die regelmatig naar Oeganda vloog om te controleren hoe het werk aan het huis vorderde. Sowieso werd het grotendeels door Nnams vader gebouwd, de enige persoon die ze met hun geld kon vertrouwen en bovendien ingenieur. Toen het huis klaar was, vond Kayita er huurders voor. Dat was in 1990, zes jaar voor zijn dood. Al die tijd hadden ze dezelfde huurders gehad. Nnam was er geweest om het huis te bezichtigen en had de huurders ontmoet.

Inmiddels is Nnam bezig de slaapkamer schoon te maken. Er zitten vlekken op de vensterbank. Kayita had de gewoonte zijn portefeuille, autosleutels, bril en g4s-pasje ’s nachts op de vensterbank te leggen. Een keer legde hij een formulier onder het raam dat openstond. Het regende en het papier werd kletsnat. De inkt liep uit en de kleur verspreidde zich over de vensterbank en verkleurde die. Nnam spuit Muscle-reiniger op de vlekken maar de inkt blijft zitten. Ze probeert het met chloor.

Ze haalt de oude handtassen en schoenen van de vloer van de kast. Kayita’s kleren had ze vlak na de begrafenis al naar een kringloopwinkel gebracht, maar achter de tassen vindt ze nog een riem en een onderbroek. Misschien verklaart dat waarom zijn geur is blijven hangen. Na het schoonmaken legt ze een geurtablet op de kastvloer.

Die eerste week na Kayita’s dood had ze voortdurend Oegandezen om zich heen. De mannen ontfermden zich over de begrafenis, de vrouwen zorgden voor het huishouden, terwijl Nnam tussen huilen en slapen zweefde. Ze regelden de uitvaart vanuit Manchester en verzonnen de inzamelactie onder het motto: ‘Een van de onzen begraven we niet in de sneeuw.’

Die hele week bleven vrouwen die in ploegendienst werkten in Nnams huis slapen om voor de kinderen te zorgen en gingen dan naar hun werk. ’s Avonds kwamen mensen met eten en geld en om te bidden en te zingen. Twee van haar vriendinnen namen vakantiedagen op en kochten tickets om met haar mee naar Oeganda terug te vliegen.

Pas toen ze de tickets aan het kopen was vroeg ze zich af waar in Oeganda de begrafenis eigenlijk gehouden zou worden, want in hun huis zaten huurders. Ze belde haar vader om het te vragen. Hij zei dat Kayita’s familie niet scheutig was met informatie.

‘Niet scheutig?’

‘Ontwijkend.’

‘Maar waarom?’

‘Het zijn boeren, Nnameya; dat wist je toen je met hem trouwde.’

Nnam hield haar mond. Zo was haar vader nu eenmaal. Hij had Kayita nooit gemogen. Kayita had noch een academische titel noch de juiste achtergrond.

‘Breng Kayita terug naar huis; we merken het wel als jullie hier zijn,’ zei hij ten slotte.

Zodra ze op Entebbe Airport Kayita’s familie zag, wist ze dat er iets niet in de haak was. Het waren niet de broers die ze eerder ontmoet had en ze deden onvriendelijk. Toen ze haar eigen familie vroeg waar Kayita’s échte familie was, zeiden ze: ‘Dat is de échte familie.’

Nnam krabde heel lang aan haar kin. Er klonken echo’s in haar oren.

Toen de doodskist door de douane was vrijgegeven, werd hij door Kayita’s familie meegenomen en in een bestelbusje geladen dat ze bij zich hadden. Daarna reden ze weg.

Nnam was zo geschokt dat haar mond openviel. ‘Denken ze dat ik hem heb vermoord? Ik heb het autopsierapport bij me.’

‘Autopsie, wie maalt daarom?’

‘Misschien schaamde hij zich voor zijn familie.’ Nnam begon het zo langzamerhand aan haar vaders snobisme te wijten. ‘Misschien vinden ze ons snobs.’

Ze stapte in een van de auto’s van haar eigen familie om achter Kayita’s broers aan te rijden.

‘Nee, geen snobisme,’ zei Nnams oudste broer Meya zachtjes. Toen draaide hij zich om naar Nnam die op de achterbank zat en zei: ‘Ik denk dat je sterk moet zijn, Nnameya.’

In plaats van te vragen ‘Hoe bedoel je?’ vertrok Nnam haar mond en klemde ze haar kiezen op elkaar alsof ze een klap verwachtte.

‘Kayita is… was getrouwd. Hij heeft de twee oudste kinderen waarover hij je verteld heeft, maar in de paar keer dat hij is terug geweest heeft hij nóg twee kinderen gekregen bij zijn vrouw.’

Nnam reageerde niet. Er zat iets draderigs tussen haar ondervoortanden. Het zat haar tong in de weg en die bleef er langs gaan. Toen peuterde ze eraan met haar duimnagel.

‘We hebben het ontdekt toen hij stierf maar vader zei dat we het je pas zouden vertellen als je thuis was bij familie.’

In de auto zaten drie van haar broers, allemaal ouder dan zij. Haar zusjes zaten in een andere auto achter hen. Haar vader en de jongens zaten in weer een andere auto; ooms en tantes in nog een andere. Nnam zweeg.

Over de auteur:

Jennifer Nansubuga Makumbi is een Oegandese auteur die in Manchester woont en Creative Writing doceert aan Lancaster University. Met 'Let's tell this story properly', hier in vertaling, won ze in 2014 de Commonwealth Short Story Prize. Haar lijvige roman Kintu, die door velen als de Grote Oegandese Roman wordt beschouwd, kreeg de Kwani? Manuscript Project-prijs in 2013. In 2018 won ze ook de Windham-Campbell Prize voor fictie. Auteursfoto: © Yves Salmon.

Over de vertaler:

Caroline Meijer (1962) is vertaler en redacteur. Ze vertaalde werk van onder meer Rachel Cusk, Vivian Gornick, Rebecca Lee, Siri Hustvedt, Patrick deWitt en John O’Hara.