thema:

Te bang om te huilen

Vertaling:

Eenenveertig

Op mijn vrije dagen reed ik naar het dorp. Ik kreeg nooit genoeg van die rit; nog steeds voelde ik de magie als ik naar de heuvels keek, een aanwezigheid die ik niet kon beschrijven. Ze was er altijd, en ze was altijd sterk. Elke keer verwachtte ik iets nieuws te zullen zien.

Soms kuierde ik langs de winkels, soms stuurde ik een kaartje naar Mam, soms ging ik naar de bioscoop. Maar ik eindigde telkens in het café.

Het café was altijd overvol. Het dorp zat in een bouw-boom en trok nieuwkomers aan. Ik maakte snel vrienden. Het grootste deel van mijn loon kwam in de kassa achter de bar terecht. Het was daar dat ik voor het eerst volbloed Aboriginals in een café zag zitten. Ik bekeek ze van op een afstand, en sprak nooit met hen. Er was een gevoel van gemeenschappelijkheid in dat café: mensen wilden gewoon een drankje en pret. Soms braken er gevechten uit. En de uitsmijters zetten dan altijd de Aboriginals op straat. Niemand leek te berechten, uit te zoeken wie waarmee was begonnen – niemand gaf om gerechtigheid, en niemand vertrok een spier. Ik sprak nooit over mijn eigen Aboriginal-afkomst. Ik wilde niet op straat gegooid worden. Ik wilde erbij horen.

Ik voelde me eenzaam. Ik begreep mijn verlegenheid tegenover de andere Aboriginals in het café niet. Ze glimlachten altijd als ze me in hun richting zagen gluren. Maar in het café waren er bepaalde regels: je zat hier of je zat daar. Ik wilde mijn populariteit niet kwijt. Dus dronk ik meer en deed ik alsof ik blij was.

 

 

Vijfenveertig

Vrienden vertelden me dat ze op wilde kamelen zouden gaan jagen. Ik vroeg of ik mee mocht want al dat drinken en de andere rotzooi begonnen me te vervelen.

De man die de leiding had was de kamelenkerel uit het resort waar ik had gewerkt. Hij leek op Jezus. Hij zei dat hij ons niet kon betalen, maar ik kreeg een uitkering, dus het kon me niet schelen.

Jezus en John, de andere kamelenkerel, zorgden voor alles wat we nodig hadden. Er waren vaten benzine, dozen en dozen voedsel, twee honden en een geweer. Hun plan was om twee maanden lang in de woestijn te verblijven. Met z’n zessen trokken we erop uit, en ik kende iedereen van mijn periode in dat resort. We zorgden er allemaal voor dat we hopen wiet bij ons hadden.

De reis langs diezelfde aloude heuvels dwong me tot eerdere ervaringen. Opnieuw kon ik de levende aanwezigheid van het land voelen. Ik kon gezichten van oude mannen zien, die boven ons uit de rotsen waren gehouwen, uitkijkend over het land. In de verte kon ik vrouwelijke heuvelvormen ontwaren die op de aarde lagen. We reden het resort voorbij en sloegen een zanderige weg in. Het was mijn taak de vele poorten te openen en te sluiten. Naarmate we dieper de woestijn inreden voelde ik me er meer mee verbonden.

We sloegen ons kamp op bij uitgedroogde rivierbeddingen, en we bouwden ruwe keukens om bij het kampvuur te kunnen koken. Al het eten moest ‘s nachts beschermd worden tegen de dingo’s. De mannen verzamelden brandhout en controleerden de uitrusting. Soms schoten Jezus en John een kangoeroe neer, vers vlees. We kookten om beurten, en ik leerde damper te maken. De nachten werden doorgebracht met verhalen rond het vuur. Voor het eerst deelden we stukjes uit onze levens. Iedereen had zulke verschillende verhalen te vertellen.

We sliepen in slaapzakken onder de sterren. We waren honderden mijlen van alles vandaan, en de hemel was betoverend. Het zonnestelsel lag zo dicht boven ons dat we het konden lezen als een boek. Terwijl ik in mijn slaapzak naar de sterren lag te staren, telde ik de satellieten die kriskras door de ruimte vlogen. Het verbaasde me dat het er zoveel waren.

De daguren waren gevuld met avontuur. We gebruikten crossmotors en jeeps om de kamelen op het spoor te komen, soms moesten we de afdrukken van hun voetkussentjes mijlenlang volgen. Mijn ogen werden scherper. Ik begon de verklikkers op te merken; gebroken struiken waar de kamelen hadden staan grazen. We doorkruisten de woestijn in willekeurige richting, het isolement zorgde voor de mooiste sereniteit.

Eens de kamelen in zicht waren, was het de verantwoordelijkheid van de motors om ze in de richting van de jeeps te sturen. Om beurten raceten we over de woestijnvlakte, in een poging de kamelen in te halen. Het was reuze lollig. Soms kwamen we voorbij een eenzame kameel, soms bendes van acht of meer.

We stonden ook om beurten achterin de jeep, ons vastklampend terwijl we driftig in het rond botsten en de jeep struiken en bomen en onopgemerkte kreekjes ontweek. Als de kamelen dichtbij genoeg waren verzameld, was het de taak van degene die achterin stond om een touw over de kamelennek te manoeuvreren. Het touw was aan een oude autoband gebonden, en we moesten snel uit de weg springen, voor het touw strak werd getrokken en de band over de zijkant van de jeep vloog. Het leek een beetje wreed, maar de autoband vertraagde de kamelen en gaf ons grotere sporen om te volgen. Bij hoge snelheid zijn kamelensporen moeilijk te zien. Wanneer de kamelen eindelijk tot rust kwamen, werd er een windas gebruikt om ze op de truck te laden. Er stond een speciale kooi klaar, die er wat breekbaar uitzag naast die enorme, luide dieren.

Het was pure adrenaline als de jacht werd geopend, en ik was blij.

 

Enkele weken later verdrongen wolken elkaar aan een grijze hemel. We konden de regen aan de horizon ruiken. Voor de veiligheid werd beslist naar de bewoonde wereld terug te keren, aangezien de woestijn wekenlang kan overstromen. Ik was teleurgesteld dat het avontuur voorbij was, en voelde me triest om de woestijn te verlaten.

De hele uitrusting werd opnieuw op de voertuigen gestapeld terwijl het begon te regenen. De vriendelijke regen leek de woestijnkleuren om ons heen te beklemtonen. Maar er was geen tijd te verliezen. Snel maakten we onze reis door de woestijn in omgekeerde richting, turend naar herkenningspunten.

De kreekjes begonnen vol te druppelen terwijl de sporen in rode modder veranderden. De kamelen achterin de truck werden onrustig, en begonnen tegen de kooi te schoppen. Jezus en John vreesden dat ze zich een weg naar buiten zouden meppen en zichzelf zouden verwonden tijdens hun ontsnapping. Maar we stopten nergens voor.

Het was laat op de middag toen we de dichtstbijzijnde woonstee bereikten. De mannen die bij het benzinestation werkten waren verbaasd ons te zien. Snel bevrijdden ze de kamelen, sloten ze meteen weer op in hun veekamp. Toen we hen vertelden waar we vandaan kwamen, bevestigden ze dat we geluk hadden te zijn ontsnapt! We werden uitgenodigd om binnen te douchen, en een Billy-thee te drinken aan de keukentafel. Ik denk dat ze ook dankbaar waren voor het gezelschap.

 

Toen ik bij het kraakpand aankwam, zeiden mijn vrienden dat ik er fantastisch uitzag. Zelfs ik wist dat ik gezonder oogde na mijn tijd in de woestijn.
Mijn vrienden gaven me een biertje en draaiden een joint voor me. Heel even aarzelde ik. Ik wilde er de hele tijd fantastisch uitzien.

 

 

Achtenveertig

Deze keer kreeg ik een baan in een Aboriginalgemeenschap in de Tanamiwoestijn. Ik zou er in de buurtwinkel gaan werken.

Ik bracht enkele dagen met vrienden door. Maar de oude kliek was veranderd. De bouw-boom was op zijn retour en veel vrienden trokken verder naar het noorden om werk te zoeken. De menigte in het café was uitgedund en er leefden enkel nog onbekenden in het oude kraakpand.

Een bevriende trucker gaf me een lift naar de wildernis. Het was nacht toen we arriveerden. Kamphonden kwamen overal vandaan en hun geblaf hield niet op. Slechts een paar straatlampen verlichtten de verlaten straten, maar uiteindelijk vonden we het huis van de uitbater van de winkel. Ze gaven me de sleutel van de plek waar ik zou verblijven. Dat was een caravan met een zes voet hoog hek eromheen, met prikkeldraad er bovenop. De trucker zei dat ik de poort gesloten moest houden. Ik sliep niet veel die nacht.

De ochtend arriveerde met een prachtige zonsopgang, roze en goud. Ik wachtte binnen, met grote ogen staarde ik door het vuile caravanraam. Ik zag families in hutjes leven aan de overkant van de vlakte. Ik keek naar hoe ze bij hun kampvuren zaten te koken. Hun gelach zweefde over de vlakte naar me toe, verweven met hun traditionele taal. Sommige honden waren zo mager dat ze niet eens meer op honden leken.

Ik merkte een oude Aboriginal op, die naast het gesloten hek zat. Uiteindelijk vroeg ik die oude man waar de winkel was. Hij lachte, en gebaarde dat ik moest gaan zitten. Hij vertelde me dat hij met me wilde trouwen. Hij vertelde me dat ik zijn nieuwe vrouw zou zijn.

Ik zei dat ik geen woord begreep van wat hij zei. Hij lachte opnieuw en wees in de richting van de winkel.

Over de auteur:

Ali Cobby Eckermann is een Australische dichter met een Aboriginal achtergrond, die behoort tot de Stolen Generations. Haar oeuvre werd geboren uit haar strijd en omgang met dit verleden. Ze geldt als een vooraanstande stem voor de Aboriginalgemeenschap. Tussen 2011 en 2015 schreef ze de dichtbundels Little bit long time, Kami, Love dreaming en Inside my mother. Verder verscheen nog de roman in verzen His father's eyes en haar memoires Too Afraid to Cry. Ze ontving verschillende literaire prijzen waaronder de prestigieuze Windham-Campbell Literature Prizes voor poëzie in 2017.

Over de vertaler:

Annelies Verbeke (1976) schreef vier romans, drie verhalenbundels en boeken waarvoor ze samenwerkte met een fotograaf en een illustrator. Met Sanneke van Hassel stelde ze de bloemlezing Naar de stad samen. Verbekes werk werd in 24 talen vertaald. Ze ontving o.a. de F. Bordewijkprijs en Opzij Literatuurprijs voor Dertig dagen (2015) en de J.M.A. Biesheuvelprijs voor Halleluja (2017). Beide boeken stonden op de shortlist van de ECI Literatuurprijs. Daarnaast werkt Verbeke ook vaak voor theater, voornamelijk voor het gezelschap Wunderbaum.