Blog | , mei 6, 2020

In het spoor van de schemer

Tokyo

Ik zit te schrijven bij het open raam van een ryokan vlakbij de Sensō-ji tempel in Asakusa, een wijk in Tokyo. Op straat heerst een vreemde rust. Alsof zich net een ramp heeft voltrokken die iedereen op de vlucht heeft doen slaan. Het heeft geregend, maar nu is het droog. Van straat stijgt die typische geur op van nat asfalt dat opdroogt in de zon. Bestaat daar eigenlijk een woord voor?

Er is haast niemand op straat. De vierbaansweg voor de deur van het hotel is bijna leeg. Slechts af en toe klinkt het geluid van slissende banden op het natte wegdek. Het lijkt totaal niet op het beeld van Tokyo dat Lost in Translation en de boeken van Haruki Murakami in mijn hoofd plantten: Tokyo als gigantische metropool. Hoge kantoorgebouwen met schreeuwende reclameborden, drukke kruispunten met de georganiseerde chaos van mierenhopen en brede meerbaanswegen die her en der als octopusarmen over elkaar heen en onder elkaar door grijpen. Die plekken zijn er ook, maar Tokyo heeft meerdere gezichten. In Asakusa slaap ik zonder oordoppen, iets dat ik thuis niet hoef te proberen. Het schijnt te komen door het autobeleid in de grote Japanse steden: wie geen parkeerplaats heeft, mag geen auto bezitten. De meeste stedelingen wonen in appartementencomplexen zonder garage.

Wat me telkens fascineert is hoe de culturele verschillen in een land worden weerspiegeld in de taal. Het Japans kent bijvoorbeeld het mooie woord tsundoku: de stapel boeken die wanhopig wacht te worden gelezen maar ondergesneeuwd raakt doordat je steeds nieuwe boeken blijft aanschaffen. Of kuidaore: jezelf failliet eten. Als de taal iets zegt over de aard van een volk, denk ik dat ik hier best zou kunnen wonen.
Van de jongen die hier in het hotel achter de receptiebalie werkt, leerde ik nog een aantal schitterende woorden die nergens anders ter wereld bestaan. Yugen: je plotseling heel erg bewust zijn van het feit dat je deel uitmaakt van het universum. Irusu: doen alsof je niet thuis bent wanneer er iemand bij je aanbelt. En baku-shan: een meisje dat van achteren gezien heel mooi lijkt, maar van de voorkant lelijk blijkt te zijn. De receptionist giechelde besmuikt met zijn hand voor zijn mond toen hij me dat vertelde. Toen hij was uitgelachen, streek hij zijn gilet glad, boog naar me en zei ernstig: ‘Onthoud alstublieft dat de dingen in Japan nooit slechts één kant hebben.’

Gisteren bezocht ik de Sensō-ji tempel. Dat je in de buurt bent van een tempel of shinto-heiligdom merk je aan de hoeveelheid dames in gekleurde kimono’s die er op hun houten slippers rondklossen. In die mooie traditionele gewaden zijn ze een geliefd doelwit voor de camera’s van westerse toeristen zoals ik, die ze zo onopvallend mogelijk proberen vast te leggen tegen de achtergrond van het tempelcomplex. Volgens mijn reisgids zijn het geen Japanners, maar verklede toeristen uit China en Taiwan die een kimono hebben gehuurd bij het hotel of bij een speciaal kimonoverhuurbedrijf.

Delen van het tempelcomplex zijn gehuld in rook, die traag uit de grote gietijzeren wierookbranders kringelt. De vermiljoenrode torii is de grens tussen de gewone wereld en de heilige wereld die erachter ligt. Alles kan er bezield zijn. Een rots, een boom, het stenen beeld van een vos.

In veel tempels is het zo donker dat je geen hand voor ogen ziet. Je schuifelt er op je sokken over de houten vloer en tuurt er in het duister naar de stenen en houten beelden en de goudversierde spiegels. Ook de tokonoma, de nis die in iedere Japanse woonkamer en in ieder heiligdom een prominente plek inneemt, is niet meer dan een donkere vlek. Er staat iets in uitgestald, een beeld, een ornament, een vaas met bloemen, er hangt een kakemono, een rol met een tekening of tekst, maar wát het precies is, is niet te zien. Hoe lang je ook met je ogen knijpt.

In de duisternis van de Sensō-ji tempel moest ik denken aan de woorden van Louis Couperus in één van de reisbrieven die hij tijdens zijn Azië-reis naar de redactie van de Haagsche Post stuurde. Hij was in het voorjaar van 1921 met zijn vrouw in Japan aangekomen om de kersenbloesem te zien bloeien. Na een bezoek aan een slecht verlicht museum mopperde hij: ‘Hoe ik mij draai, ik ráad meer achter het flikkerende glas de schoonheid, dan dat ik haar zie.’ Ik deelde zijn frustratie. In honderd jaar is er weinig veranderd. Als er in die nis iets is neergezet dat blijkbaar de moeite van het uitstallen en het bekijken waard is, waarom zetten ze er dan geen lamp op? Maar dat was gisteren. Toen wist ik nog niet dat schaduwen in Japan nooit toevállig vallen zoals ze vallen.

 

Tokyo – Kyoto

Vandaag, in de trein tussen Tokyo en Kyoto, las ik In Praise of Shadows, een essay over het donker van Jun’ichirō Tanizaki dat hij in 1933 schreef en dat ik uit het rek met Engelse boeken bij een stationsrestauratie had getrokken. Ik kocht het omdat mijn boek uit was en omdat er niets anders lezenswaardigs in dat rek stond. Ik verwachtte er eerlijk gezegd weinig van. Tanizaki’s Stille Sneeuwval (1943-48) staat al jaren in de kast nadat ik het halverwege had weggelegd. (Bestaat er ergens ter wereld een woord voor boeken die je eigenlijk zou moeten lezen, maar waar je niet doorheen komt?) Maar wát een boek is In Praise of Shadows! Kort gezegd komt zijn essay hierop neer: zonder schaduw geen schoonheid in Japan. ‘We find beauty not in the thing itself, but in the pat-terns of shadows, the light and the darkness, that one thing against another creates.’ Ik miste bijna de halte voor mijn overstap.

Met de schaduwen van Tanizaki is het als met een vrouw die in verwachting is en ineens overal zwangere vrouwen ziet. Het diepe glanzen van zwartgelakte kasten en vloeren in schemerige kamers spreekt anders tot me. Ik zie hoe het Japanse lakwerk het licht niet terugkaatst, maar absorbeert. Ik zie de schemering in het troebele wolkige van misosoep en het mysterie in het verdunde licht van Japanse huizen en tempels. Naarmate ik me langer in een ruimte met een tokonoma bevind, zo’n donkere nis waar geen zonlicht komt, ontwaar ik daarin steeds meer schoonheid. Niet in het ding zelf, dat half verscholen blijft, maar in het idee ervan. Het is uiteindelijk heel prettig om niet direct te weten wat je ziet, niet direct te begrijpen wat er te begrijpen valt. Het heeft iets meditatiefs.

Op straat zie ik de Japanners die niet in de zon gaan zitten, maar tegen het zonlicht schuilen onder bruggen, rieten matten en parasols. En hun huizen die niet zoals de onze zijn gebouwd om het licht binnen te laten, maar juist om zoveel mogelijk schaduw te creëren. Ik lach om het woord ‘doorzonwoning’ dat zich in mijn hoofd nestelt. Een woord dat hier vrijwel zeker niet bestaat.

 

Kyoto

Kyoto is schitterend. Het was in de zestiende eeuw de Japanse hoofdstad, waar het hof zetelde. Vandaar dat het hier barst van de paleizen, tuinen en tempels. Dat komt ook doordat de stad in de Tweede Wereldoorlog werd gespaard. Ze zeggen dat er een Amerikaanse legerofficier was die Kyoto van het bombardementsplan heeft gehaald nadat hij er op huwelijksreis was geweest. Dat al die tempels er nog zijn, zorgt voor een vreemde mix van vooroorlogse houten huizen, tempels en eigentijdse moderne gebouwen. De rivier stroomt midden door de stad, er is veel meer ruimte voor groen dan ik ooit van een Japanse metropool vermoedde. Langs de oevers groeien riet en waterplanten die een lustoord zijn voor vlinders en vogels waarvan ik de namen niet ken.

Ik moet eerlijk bekennen dat mijn fascinatie voor Japan voor een groot deel te maken heeft met de boeken van Haruki Murakami. Ze staan stukgelezen in de kast, vooral zijn vroegere werk. De verdwijnende en verschijnende personages, de pratende katten, de parallelle werkelijkheden waarin personages van het ene op het andere moment terecht kunnen komen … Ik dacht dat dat typisch was voor de auteur Murakami. Maar ik krijg steeds meer het idee dat het aan Japan ligt. De parallelle werkelijkheden zijn hier nooit ver weg. Je weet nooit wat je achter een deur of gordijn aantreft. Je zoekt een plek om te schuilen voor de regen, stapt een deur door en bevindt je plotseling in een Franse bistro. Inclusief chansons, het perfecte stokbrood, huisgemaakte paté en een van de beste bouillabaisses die je ooit at. Je zoekt een plek om koffie te drinken, duwt op klaarlichte dag een deur open waarop een koffiekopje staat afgebeeld en staat plotseling in een karaokebar waar zakenmannen in pak uit volle borst ‘Barbie Girl’ van Aqua in een microfoon staan te brullen. Je stapt een deur door en weg ben je, in een andere dimensie waar tijd en plaats een andere betekenis hebben. Waar het moment een plek wordt. Of de plek een moment.

Gisteravond wilde ik ergens wat drinken. Volgens Google Maps zou er vlakbij het hotel een bar moeten zijn: Calvador. (Zou dat een foutieve spelling zijn van ‘Calvados’?) Ik was optimistisch. Zo’n Europese naam aan de gevel zou moeten opvallen tussen alle Japanse tekens. Maar mijn optimisme verdween al snel. Ik vond het bordje nergens en zag ook niets dat op een café of een bar leek. Google bleef me maar een appartementencomplex binnensturen. Maar in de hal van het gebouw was niets te zien, noch in de lift waarmee ik op alle vijf verdiepingen uitstapte en overal een identieke galerij met voordeuren aantrof. Met mijn digitale wichelroede voor me uit liep ik nog een rondje door de wijk en kwam opnieuw uit bij het appartementencomplex. Hier moest het toch echt zijn. Toen ik voor de tweede keer in de lift stond, bleek dat er naast de ‘4’ van de vierde verdieping een kleine afbeelding van een paarse appel was geplakt. Ik besloot het op te vatten als een teken en liet me vervoeren naar de vierde etage. Op de laatste van de identieke grijze voordeuren vond ik zo’n zelfde appeltje. Een beetje beschroomd duwde ik de klink naar beneden, bang om ineens in iemands woonkamer te staan. Toen ik de deur openduwde en een stap naar voren deed, stond ik in een ruimte van nog geen dertig vierkante meter, een high end cocktailbar vol spiegels en wandkasten met glanzende flessen whisky en cognac. Sommige etiketten vermeldden een jaartal van vóór de Tweede Wereldoorlog. Een bartender in driedelig pak stond er cocktails te shaken. Ik dronk er een highball met Cutty Sark. Kon ik iets anders bestellen dan het favoriete drankje van de personages van Haruki Murakami? Het was een plek als in een droom. Het zou me niets verbazen als die bar vandaag nergens meer te bekennen was.

 

Kyoto – Magome

‘Vreemd’, schreef Couperus bijna honderd jaar geleden. ‘Als je ergens bent op reis, ga je altijd weer ergens anders heen.’ Ik zit in de trein naar de bergen. Ik wilde naar Aokigahara, het bos aan de voet van Mount Fuji. Maar Hiroaki raadde het me af. Ik ontmoette hem gisteren bij Calvador, een zakenman op doorreis. Hij had een jaar in Wageningen gestudeerd en we bespraken de verschillen tussen Nederland en Japan. Is er een groter verschil tussen twee landen dan de manier waarop de spoorwegen geregeld zijn? De treinen rijden hier op de seconde nauwkeurig en ook het in- en uitstappen is hyperefficiënt geregeld. Op het perron staan lijnen voor speciale wacht-, instap- en uitstapvakken. Iedereen houdt zich eraan, niemand dringt voor. Volgens Hiroaki weerspiegelt het de Japanse volksaard. De Japanners zijn volgens hem doordrongen van iets dat giri genoemd wordt. Het betekent ‘in het krijt staan’ of ‘schuld hebben’. Die schuld krijg je mee bij je geboorte en je bent de rest van je leven bezig met het aflossen ervan. Je bestaat, dus je boet. Dat volgen van regels, die ijzeren discipline, stamt uit de samoeraitijd. Toen deed je eigen leven er weinig toe. ‘We leefden als werkbijen voor de shogun’, zei Hiroaki. ‘Wie je zelf was, wat je zelf wilde, deed er niet toe.’ Die levenshouding sijpelt ook nu nog in alles door: het netjes in de rij staan, de hoffelijke omgangsvormen, het diepe buigen. Maar er is ook de donkere kant van het keurslijf: de werkdruk, de onmogelijkheid om vakantiedagen op te nemen als je baas ook niet met vakantie gaat. ‘Het zelfmoordpercentage in Japan is het hoogste ter wereld.’

Toen hij hoorde dat ik naar Aokigahara wilde, het bos waarvan ze zeggen dat het de stilste plek op aarde is, schudde Hiroaki zijn hoofd. ‘Aokigahara is populair bij mensen die een eind willen maken aan hun leven’, zei hij. Dat heeft het bos volgens hem onder andere te danken aan de roman Kuroi Jukai van Seichō Matsumoto waarin twee geliefden er zelfmoord plegen. Maar het is al langer een mythische plek. Oude legendes beweren dat Aokigahara vroeger gebruikt werd voor ubasute, een oud ritueel waarbij oudere dorpelingen en familieleden, voornamelijk vrouwen, werden achtergelaten in het bos zodat er in tijden van hongersnood minder monden te voeden waren. De geesten van de overledenen dwalen er tussen de bomen.
Op de parkeerplaats bij de ingang staan de roestende auto’s van mensen die in het bos verdwenen en nooit meer terugkeerden. ‘Japanners willen elkaar niet tot last zijn en trekken zich daarom terug uit de maatschappij, naar een plek waar niemand ze kan vinden’, zei Hiroaki. ‘Veel mensen zijn eenzaam. Ze voelen zich door de maatschappij niet begrepen en in de steek gelaten. Door hun daad te stellen in Aokigahara, hebben ze toch het gevoel ergens deel van uit te maken. En ze zijn niet alleen, ze zijn bij de geesten die er tussen de bomen dwalen.’

Ik moest denken aan het onvertaalbare woord komorebi, de schaduwen die ontstaan wanneer het zonlicht door de kruinen van de bomen valt. Licht en donker tegelijk.

 

Magome

Ik reisde deels per trein, deels te voet naar Magome. Het dorp is niet meer dan een lange smalle straat die steil omhoog loopt met aan weerszijden oude houten Japanse woningen. Ze zeggen dat Bashō, de beroemde haikudichter, hier ooit verbleef tijdens één van zijn vele wandeltochten door Japan. Misschien keek hij in de schemering ook naar de zwaluwen die nog altijd tussen de huizen heen en weer duiken. Ze scheuren vlak langs het pad en net voordat ze zich op de straatstenen te pletter vliegen, trekken ze als straaljagers loodrecht omhoog. Iemand stak zojuist een straatlantaarn aan. Het gele licht verspreidt een warme gloed tussen de houten huizen.

Ik zou moeten slapen, maar hoewel mijn voeten moe zijn en pijn doen van het lopen, is mijn geest vreemd helder. Er zwermen flarden van dichtregels rond in mijn hoofd. Bashō schijnt zijn haiku’s lopend te hebben geschreven. Ik kan het me voorstellen. De combinatie van de cadans van je passen en de trance van het voortdurende voortgaan geven het ritme iets stuwends, de woorden komen dan vanzelf. En haiku’s zijn kort, je hoeft geen pen en papier bij de hand te hebben om je regels te onthouden.

Dat Japan zoveel haikudichters heeft voortgebracht, komt volgens Jun’ichirō Tanizaki door het traditionele Japanse toilet, het houten gebouwtje dat van oudsher in de tuin van het huis stond. Volgens hem was het dé plek voor haikudichters om inspiratie op te doen. Je hoorde er het tsjirpen van insecten, het zingen van vogels en het geluid van regendruppels die van dakranden en boombladeren vielen. ‘No words can describe that sensation as one sits in the dim light, basking in the faint glow reflected from the shoji, lost in meditation or gazing out at the garden.’
Hij moest niets hebben van de verwestering van Japan met zijn felle verlichting en in het kielzog daarvan dat verschrikkelijke westerse toilet met zijn porseleinen toiletpotten, zijn glimmend witte tegels. Tanizaki’s hart zou breken als hij anno 2020 door Japan zou reizen. Nergens ter wereld vind je modernere toiletten dan hier. Vanmiddag, in een bergdorp met nog geen duizend inwoners, trof ik zo’n supersonisch toilet aan dat ik aanvankelijk vergat dat ik moest plassen. De klep ging automatisch omhoog en de bril naar beneden. Die bleek verwarmd. De temperatuur was instelbaar via een bedieningspaneel aan de muur waarop verschillende lampjes knipperden. Het bood verschillende bidetstanden, maar ook een bloeddrukmeting en een knop waarop muzieknoten stonden afgebeeld. Toen ik hem indrukte, klonk het klateren van een bergbeek, het geluid van de wind door de bomen en vogelgekwetter. Met mijn ogen dicht was het net alsof ik me op het door Tanizaki bezongen traditionele Japanse toilet bevond. Straks zou ik haikudichtend naar buiten stappen.

Helaas maakt een korte speurtocht op internet korte metten met mijn romantische idee dat die knop een eerbetoon is aan de natuur als inspiratiebron, aan de onverbrekelijke band tussen de Japanner en de natuur, en misschien zelfs wel aan Jun’ichirō Tanizaki himself. De knop bevindt zich op veel Japanse toiletten en wordt otohime genoemd, naar het sprookje over Otohime, de prinses van het onderwaterpaleis Ryūgū-jō. ‘Het geluid van de prinses’ werd door het Japanse toiletpottenbedrijf ontwikkeld vanwege de schaamtecultuur van de Japanse wc-gaande vrouw. Om haar eigen toiletgeluiden te camoufleren, spoelt zij tijdens haar toiletbezoek soms aanhoudend de wc door. Otohime scheelt zo’n twintig liter water per toiletbeurt.

Morgenvroeg wacht er een trein die me naar het noorden zal brengen. Naar de regio waar hovelingen uit Kyoto soms naartoe verbannen werden met de woorden ‘zoekt uw dichtkussen’. In dat onherbergzame noorden schreef de hoveling dan verwoed aan zijn gedichten en stuurde hij zijn ‘strafregels’ net zo lang naar het hof tot de keizer door een of twee regels zo geraakt werd dat de hoveling gratie verleend werd. – Leerde ik van Couperus.

Slapen lukt nog steeds niet. Ik zit bij het raam en kijk naar de schaduwen op straat, de vleermuizen die de taak van de zwaluwen hebben overgenomen en de katten die als zwarte schimmen langs de gevels van de huizen sluipen. Wist je trouwens dat het ideogram voor ‘kat’ in het Japans wordt geschreven met twee karakters? Het leest letterlijk: ‘de hond die miauwt’. Twee aartsvijanden in één woord verenigd. Ook dat leerde ik van Couperus.

Misschien dat het waar is wat ze hier geloven: als je ’s nachts niet kunt slapen, is er ergens ter wereld iemand die over je droomt.

Over de auteur:

Dorien Dijkhuis is dichter, schrijver en journalist. Ze schrijft poëzie, korte verhalen en reisverhalen. Haar debuutbundel Waren we dieren verscheen eind 2019 bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Haar werk is te vinden via www.doriendijkhuis.nl.