Blog | , juni 30, 2020

Zonder gastheer

Gastheer, gastvrouw, dat maakt me niet uit. Anders dan de mens heb ik geen voorkeur en geen moreel besef. In mijn ogen bestaan goed en kwaad niet, alleen cellen.
Haha, je hebt geen ogen – ik hoor u schamper lachen. Maar het laat mij koud of u lacht of bang bent. Als ik leef en mij voldoende vermeerder, als mijn gastheer mij voedt en niet vernietigt, dan zal híj uiteindelijk sterven en ík leven. Het is niet zo dat ik u niet wil leren kennen uit angst alsnog in gewetensnood te komen, maakt u zich daarover geen illusies. Nee, ik heb simpelweg geen interesse. Het vinden van een bodem om mijzelf te vermenigvuldigen is het enige dat mij drijft. Zonder gastheer leef ik niet lang.

 

Als Thomas het gesprek met zijn buurvrouw afrondt en de telefoon neerlegt op het tafeltje naast zijn luie stoel, tussen de koffiekringen en de plakkerige restjes van de ontbijtkoek, zucht hij diep. Hij hoort zijn longen zachtjes reutelen, dat is al jaren zo. Nu zal hij weer urenlang niemand spreken. Zijn dochter zal bellen, dat doet ze iedere dag. Bijna toetst hij haar nummer in, maar hij bedenkt zich. Gisteren sprak hij haar nog en ze heeft al genoeg ellende aan haar hoofd.
Verdomme wat heeft hij zin in een sigaret. Toen hij en Emmy allebei vijfenzeventig werden, nu alweer tien jaar geleden, had hij haar beloofd te stoppen met roken. Drie jaar later stierf ze aan longkanker, en was hij niet opnieuw begonnen.
Hij kijkt naar het vieze tafeltje naast hem; daar stond altijd de asbak, hij tipte met zijn linkerhand de as van zijn sigaret. Met een potlood tussen zijn vingers doet hij de beweging na. Handig en elegant.
Achter zijn rollator schuifelt Thomas naar de ladekast naast zijn bed. De kast staat aan de niet-beslapen kant, waar het dekbed strak en glad op het matras ligt. Het kussen waar geen hoofd op rust krijgt toch iedere veertien dagen een schone sloop van de huishoudelijke hulp.
Onder in de kast heeft hij nog wat sigaretten bewaard. Of heeft hij die nou lang geleden al eens opgerookt? Als hij zich bukt om de la te openen, met een hand steunend op de rollator, verliest hij bijna zijn evenwicht. Nu niet vallen hè pa, zei zijn dochter gisteren over de telefoon. Je kunt niet naar het ziekenhuis als je iets breekt. De bedden zijn vol, pa. Je past op hè!
Met zijn vrije hand woelt hij door de la, voelt de vormen van de sieraden van zijn Emmy. Achterin stuit zijn hand op een doosje – hebbes, denkt hij. De trek in een sigaret doet hem het water in de mond lopen, zijn lippen maken een zuigbeweging. Ah, het eerste trekje, dat je licht in het hoofd maakt!
Als hij het doosje uit de la tilt, ziet hij zijn vergissing in. Het is een vierkant sierdoosje met Emmy’s schatten. Het eerste ringetje dat zij van hem kreeg toen ze negentien waren, een geborduurde zakdoek met de verschrompelde navelstreng van hun dochter erin gerold, een lok haar van Emmy’s moeder met een geel strikje eromheen.

 

Ik ben meegereisd op een appel. Zo verliet ik fluks het lichaam van mijn vorige gastheer, een jongen in de winkel die de vakken met fruit bijvult. Een vrouw pakte de geel met rode wereld waarop ik nu tijdelijk woon en deed hem in een zakje. Zo vertrok ik uit de winkel in een tas die neergezet werd voor een deur. Een oude man trok de plastic zak open en rolde mij in een schaal van zilverkleurig rookglas. Om mij heen begonnen de eerste van mijn broeders en zusters te sterven. Ook daar zult u mij niet om zien rouwen.

 

Hij strompelt terug naar de huiskamer en voelt ineens de vermoeidheid in zijn lichaam. De fysiotherapeute komt al vier weken niet meer, hij neemt zich iedere dag voor om zelfstandig zijn oefeningen te doen, en doet ze niet. Of maar een beetje. Ze zegt dat er een virus rondwaart en dat ze geen huisbezoek mag doen. Thomas denkt soms dat het nepnieuws is en vraagt zich hardop af wat een virus is. Is dat net zoiets ongrijpbaars als dat zogenaamde wifi? Toen hij het zijn dochter vroeg had die gesnauwd dat hij de krant beter moest lezen.
Emmy zou hem hebben gezegd wat hij doen moest, zelfs vanaf haar ziekbed dirigeerde ze hem nog door de kamer, pak dat boek even voor me, loop naar de keuken, haal je wat sap? En ook: neem een doekje uit de bijkeuken, doe een lepel zeep in het emmertje en giet er heet water op. Om haar braaksel van de vloer te vegen.
Emmy zou hebben gewild dat hij nu niet op zoek ging naar een sigaret, als er tenminste nog ergens een in huis is, maar dat hij iets gezonds nam. De buurvrouw heeft vier dagen geleden de boodschappen voor zijn deur gezet. Ze belde aan en zwaaide door de glaswand even naar hem. Toen hij opendeed was ze al niet meer te zien.
Thomas loopt naar de keuken en schenkt zichzelf wat sinaasappelsap uit de koelkast in. De koele vloeistof klokt door zijn keel en neemt even het droge gevoel weg, maar dan verslikt hij zich en begint te hoesten. De huisarts heeft zo vaak gezegd dat hij kleine slokjes moet nemen. En zijn dochter zegt het ook.
Was het wel de ladekast in de slaapkamer? Naast het televisietoestel staat de kast waarin de fotoboeken bewaard worden en de mappen waarin hij zijn administratie bijhoudt. Dit keer zakt hij op zijn knieën, zodat hij niet kan vallen. Het tapijt is versleten maar voelt zacht aan zijn knieschijven. Met moeite trekt hij de klemmende onderste lade open. Het is jaren geleden dat de inhoud het daglicht zag. Een doosje met punaises, twee oude vulpennen die hij nooit meer gebruiken zal, een ongeordend stapeltje ansichten van kunstwerken uit musea die hij ooit bezocht. Achterin schemert het doosje dat hem vroeger zo vertrouwd was: een dromedaris, links achter het dier drie palmbomen, rechts een piramide. Onder de poten van het beest brandt het woestijnzand zoals de tabak in je longen brandt, de zon is nergens te zien maar toch overal aanwezig in overweldigend geel. Hij grist het pakje uit het donker van de la.

 

Duisternis is goed voor mij, ik ben onbeweeglijk en voel dat de temperatuur stabiel is. Die man houdt ’s nachts de kachel aan, dat is me duidelijk. In de ochtend duurt het lang voordat ik gestommel hoor.
Haha, jij hebt geen oren, hoor ik u lachen. Maar wat weet u ervan? Houd dan uw mond zou ik zeggen.
Hij komt ’s ochtends de kamer in achter zijn karretje en schuift het gordijn opzij. Sindsdien zie ik de lichtbaan die de zon over de meubels en de vloer maakt deze kant op schuiven, en maak ik mij ongerust. Als de zon weer urenlang op mij straalt, houd ik het niet lang meer vol. Mijn spiegelbeelden om mij heen worden zodra ze niet meer leven tot louter eiwit. Ik ken weliswaar geen eigen stofwisseling maar misschien kan ik hun materiaal gebruiken om mijn levensduur te rekken. Het is een noodplan. Nu hoor ik de man weer hoesten.

 

Met een gulzig gebaar opent Thomas het doosje, vouwt het zilverpapier weg dat de sigaretten vers moet houden, en ziet wat hij al vreesde toen hij het doosje uit de la tilde, licht als een veertje: het is leeg. Onderin liggen nog wat kleine draadjes tabak. Hij schudt ze op zijn linkerhand en legt ze op zijn tong om toch de smaak van een sigaret te proeven. Gatverdamme, wat is dat bitter.
Hij trekt zich op aan zijn rollator en loopt naar de keuken om de vieze smaak uit te spugen in de gootsteen. Hij laat de kraan lopen en likt met zijn tong wat water naar binnen om de branderigheid te stelpen.
Als nu de telefoon gaat, moet hij helemaal teruglopen naar zijn stoel, meestal redt hij dat niet op tijd. Maar wie belt er nog, zijn dochter natuurlijk, de buurvrouw over de boodschappen, soms zijn vriend John met wie hij schaakt. John had voorgesteld online te schaken, maar hoe moet dat? Hij las altijd graag, toen Emmy ziek was las hij haar hele boeken voor. Met zo’n computer kan hij niet omgaan. John heeft kleinkinderen en dan leer je zoiets.
Hij proeft nog steeds de smaak van de tabak op zijn tong, het brandt. Misschien moet hij iets zoets eten, ontbijtkoek of een banaan. Hij loopt naar de tafel en gaat zitten achter de rookglazen schaal.

 

Ik ben parasitair, hoor ik u zeggen: ik leef van anderen, alleen in een gastheercel ben ik actief. U veroordeelt mij, ik doe dat omgekeerd niet.
Het is waar, buiten andermans cel kan ik mijzelf niet doorgeven en ik leef immers om mij te vermenigvuldigen, dat zei ik u zojuist al. Deze appel die nu mijn wereld is geeft mij niet wat ik nodig heb; ik voel mijn krachten verzwakken. Met flora heb ik namelijk niks, mijn oorsprong is zoönotisch.
Mijn familiestam komt uit de voorouderlijke wereld, toen de mens nog niet bestond. Wij werden met de dieren geschapen op de vijfde dag, de mens op de zesde dag.
Zo lang gaat mijn geheugen terug, mijn collectieve geheugen. Een ei is geen ei, twee ei is een half ei, drie ei is een paasei. Ik denk aan mijn eerste bestaan zoals een demente bejaarde terugdenkt aan zijn kinderjaren. U kunt wel denken dat ik niet leef, maar dan bedot u uzelf. Kent u soms een sluitende definitie van leven? Nou dan.

 

Zijn dochter heeft hij al meer dan een maand niet gezien. In het ziekenhuis waar ze werkt werd al gezegd dat ze zich zoveel mogelijk moest isoleren voordat alle maatregelen via de televisie werden bekendgemaakt. Over de telefoon is ze kortaf, bozig, ze somt op wat hij moet doen en vooral wat hij moet laten. Maar hij kent haar, deze toon hoort bij haar bezorgdheid. Hij moet dit serieus nemen, dat is haar boodschap. Thomas mist haar bezoekjes, meestal komt ze een kop koffie drinken en dan gaan ze samen boodschappen doen. De laatste keer zijn ze naar een pianoconcert geweest in een kerk waar allang geen diensten meer gehouden worden. Hij kreeg tranen in zijn ogen bij het Lachrimae van Dowland en toen zij dat zag, raakte ze ook ontroerd. Misschien pakt hij straks de cd uit de kast en zet die op. Dan kan hij janken in zijn stoel, dat is lekker. Dan voel je tenminste wat, verdomme!

 

Een verre verwant van mij veroorzaakt bij biggen de wegkwijnziekte, die term werkt altijd op mijn lachspieren.
Hoezo kan ik niet lachen, houd dat commentaar toch voor u!
Nu ik aan den lijve ondervind hoe dat gaat, wegkwijnen, vergaat het lachen mij. De huid van de appel is verder aan het verschrompelen in de felle zonnestraal die in de fruitschaal valt. Ik verlies grip. De zuignapjes waarmee ik mij vasthoud verslappen en laten los. Nu moet de man mij echt oppakken en naar zijn mond brengen. In zijn keel kan ik wortelen en mijn krachten verzamelen, mij oprichten en vastgrijpen, zodat ik niet weer uitgehoest word. Het is mijn laatste kans.

 

Op de stoel waar hij tussen de middag zijn magnetronmaaltijd eet staart Thomas naar de fruitschaal. Er liggen nog een sinaasappel, twee bananen en een ribbelige appel. Zijn dochter vindt dat hij twee stuks fruit per dag moet eten. Zij wil hem graag in leven houden. Haar moeder is ook al dood. Ik zit er niet op te wachten dat jij ook ziek wordt en dood gaat, riep ze gisteren door de telefoon, ze klonk boos. Ik ben vijfentachtig, had hij gemompeld, het zal er toch een keer van komen meisje. Maar hij zei het te zachtjes en ze verstond het al niet meer en ging hangen, zei ze.
Met zijn vinger tikt hij zijn tong aan, op het plekje waar de tabak hem schroeide als een hete zonnestraal. Hij knijpt zijn ogen een beetje dicht tegen de pijn. Met dezelfde gretigheid waarmee hij eerder naast zijn sigaret greep reikt hij naar de fruitschaal, en het zonlicht valt klaterend over zijn arm. Zijn hand flakkert nu wit op, alsof een deel van hem in diapositief is; hij schrikt er zelf van. Dan gaat de telefoon. Dat zal ze zijn.

Over de auteur:

Maria Vlaar is recensent en interviewer voor De Standaard, biograaf van Joost Zwagerman, voorzitter van de Auteursbond en schrijver van korte verhalen. Voor haar debuutbundel Diepe aarde ontving ze de J.M.A. Biesheuvelprijs 2019. De jury prees Vlaars lef, intelligentie en bravoure, en zag 'grote ambitie' in de 'brede variatie aan stijlen en thema’s, en vooral uiteenlopende perspectieven'. De 'imponerende bundel verhalen vol melancholie' is volgens de jury 'geestig en licht' van toon.