Kompas

Vertaling:

Onze zigeuners heetten Gábriel, Rafael en Jonatán.

Had kolonel Adler er drie in leven gelaten?

Nee, dit waren nieuwe zigeuners. Broers. De jongste was al een jaar ouder dan wij, want zelfs met een positief advies van de Partij kon de school ze aan het eind van het jaar met geen mogelijkheid laten overgaan. Bij de herexamens kwamen ze niet opdraven. Ze bleven gewoon gezellig op elkaar wachten in klas 6b. Vóór de zomervakantie was al duidelijk dat ze in de volgende zesde al met zijn vijven zouden zijn, want dan kwamen Zakariás en Ézsaiás er ook bij. Veel kinderen waren jaloers op de zesde klassers van volgend jaar, want met vijf zigeuners zou de orde in de klas dusdanig verstoord worden dat er van serieuze lessen wel niets meer terecht zou komen.

In de pauzes dreven ze handel in de meest uiteenlopende dingen. Van bonbons tot buskruit, je kon het zo gek niet bedenken of ze verkochten het. Aan ruilhandel deden ze niet, geld moest het zijn en niet zo weinig ook. Voor de prijs van vijf sikkelbroodjes kreeg je één Joegoslavische bonbon. En ondertussen klaagden ze dat ze er zelf bij inschoten. Niemand wist wat ze met die enorme geldbedragen deden, want ze droegen alledrie nog steeds dezelfde, inmiddels te klein geworden broeken als aan het begin van hun eerste zesde. Dat was een veel groter raadsel dan hoe ze aan hun spullen kwamen, want smokkelwaar, daar viel wel aan te komen. Wie er het geld voor had, kon ’s morgens gesmokkelde koffie drinken, daar gesmokkelde sigaretten bij roken, een broodje met gesmokkelde boter eten en zijn tanden met gesmokkelde tandpasta poetsen.

Toen Schoothondje, de beste leerling van 6b, tijdens een overhoring het Oosten niet meer van het Westen kon onderscheiden en voor de wereldkaart ineens braakneigingen kreeg, barstten de zigeuners in lachen uit. Ze hadden hem de vorige dag een kompas verkocht dat in termijnen kon worden afbetaald. Geen eenvoudig gesmokkeld toeristenkompasje, maar een instrument zo groot als een wekker in een geelkoperen behuizing, met een waterpas en een robijn ter grootte van een luciferkop op de wijzer, in het midden, zodat die niet zou verslijten op de plaats waar hij op de as zat. Een echt precisie-instrument dat ze niet tentoonstelden op een openbare bezichtiging in de grote pauze omdat ze wisten dat ze de nieuwe eigenaar al hadden gevonden. Zoiets kon je alleen aan Schoothondje kwijt. Dus ontboden ze hem in een hoekje van het schoolplein, lieten hem het instrument zien en zeiden dat er niet kon worden onderhandeld. Als hij het kompas wilde, moest hij hun de rest van het jaar al zijn zakgeld geven, ook op dagen dat hij niet op school was.

Zodra Schoothondje het kompas van Askania Werke Berlin zag, begreep hij direct dat het meer waard was dan een maandloon van zijn vader. En hij wist ook dat de zigeuners dit voorwerp niet uit de opslag van de sportwinkel hadden gestolen. Aan de drie gaten voor de bevestigingsbouten kon je zien dat ze hem ergens vanaf hadden gehaald. Op zijn gebruikelijke afgemeten toontje zei hij dat hij toch wilde onderhandelen.

Gábriel kon zijn oren niet geloven en vroeg of hij een oplawaai wilde. Maar Schoothondje zei dat ze hem verkeerd begrepen. Hij zou hun zijn zakgeld niet tot eind juni, maar tot het eind van de achtste klas geven. Maar alleen als ze hem de plek lieten zien waar ze dit vandaan hadden. Want hij moest het hele dashboard hebben.

De jongens begonnen te lachen en zeiden dat een schoothondje zoals hij daar zeven kleuren bagger zou schijten. Hondje gaf het instrument terug en zei alleen: Twintig fillér per dag, tot het eind van de achtste. Inclusief zondagen. Toen liep hij naar het trappenhuis.

Het volgende lesuur waren de zigeuners niet te harden. Ze zaten te schelden en te bakkeleien. Ze begrepen dat ze erin geluisd waren, dat het complete dashboard meer waard was dan een heel jaarinkomen van hun vader. Aan de andere kant was het ook duidelijk dat ze dit aan niemand anders konden verkopen dan aan Schoothondje. Ze stonden machteloos. En het was vooral die machteloosheid die ze razend maakte. Tegen de tijd dat ze elkaar in de haren vlogen en aan elkaars shirts begonnen te trekken, gaf de leraar ze één voor één een oplawaai. En morgenochtend zitten jullie met gewassen lijven in mijn klas en anders rot je maar weer op naar dat krot van jullie.

Na de lessen wachtten ze Schoothondje in het park voor school op. Goed dan, zeiden ze, twintig fillér per dag tot het eind van de achtste. Maar als we betrapt worden en je ons verlinkt, steken we jullie huis in de fik. En dan word je levend geroosterd, samen met je pappie en je mammie, begrepen slimmerik? En Hondje knikte, hij had het begrepen en wachtte ’s middags met een nieuw briefje van twintig in zijn hand op de zigeuners in de uitgestorven tuinderij bij de dode rivierarm.

Na een half uur wist hij al dat hij voor niets stond te wachten en hij begon de met onkruid overwoekerde kassen te doorzoeken, maar behalve scherven, een kattenschedel en een paar lege blikken vond hij niets. Geen spoor van iets wat op een dashboard leek. Hij wist dat hij er was ingeluisd, net als Laci Serbán de week daarvoor. Die had voor vier kogellagers vooruitbetaald, maar na die ene die hij ‘s morgens op school al had gekregen was de levering gestokt; tevergeefs had hij ’s middags op de resterende drie staan wachten. De dag erna had hij zijn geld teruggevraagd en zulke harde klappen gekregen, dat hij naar de huisarts moest omdat zijn neus niet meer ophield met bloeden. Tegen de zuster had hij wijselijk gezegd dat hij was uitgegleden op de trap, want hij had inmiddels wel begrepen dat ze inderdaad in staat waren om zijn huis in brand te steken.

Ons Schoothondje wist dus al dat hij zowel het kompas als die twintig forint die hij in het park als voorschot had betaald wel op zijn buik kon schrijven. Dat maakte hem nog het kwaadst van alles. Dat hij machteloos stond tegenover zijn eigen domheid. Dat hij vanwege een precisie-kompas in staat was geweest het evidente over het hoofd te zien. Dat die lui je altijd bedonderden. En ineens stonden de zeven zigeuners voor zijn neus.

De jongste twee uit de vijfde waren er ook bij, en de oudste twee die al boven de achttien waren. Zonder geluid te maken waren ze de kas binnengelopen. Ze liepen met blote voeten over de glasscherven, want schoenen droegen ze alleen op school omdat dat nou eenmaal verplicht was. Ons Hondje kreeg accuut buikpijn toen hij de jongens met hun opgerolde broekspijpen en hun blote basten opmerkte, en reikte hun nog vóór ze erom vroegen de kattenschedel aan. Alsof die van hen was, en hij hem alleen maar had opgeraapt om er even naar te kijken. De oudste zei: Kom mee, Hondje. Ze vertrokken naar de Dode Tak.

Toen ze bij het water aankwamen vroeg Gábriel: Nou, komt er nog wat van? Of duik je er soms met kleren en al in? Hondje begreep niet waarom hij het stinkende water in zou moeten, maar toen bleek dat er op de bodem van de Dode Tak een jachtvliegtuig lag, half verzonken in het slijk. Hij had het liefst gezegd dat het niet meer hoefde. Want hij kon wel een beetje zwemmen, maar had een panische angst om met zijn hoofd onder water te gaan. Zelfs in bad deed hij dat nooit. Helaas was het zonneklaar dat de deal niet meer ongedaan kon worden gemaakt. Jonatán had al een steen opgeraapt, weggemikt en laten neerplonzen op de plaats waar het jachtvliegtuig moest liggen. Ze hadden hem de plek dus al onthuld.

Daar stond hij dan, aangestaard door zeven zigeuners. De oudste, van wie hij de naam niet wist, draaide een wilgeblaadje om in zijn mond, zoals soldaten met scheermesjes doen. Hij verloor zijn geduld en vroeg: Zeg ventje, komt er nog wat van? Je trekt al aan je lul, maar kunt nog niet zwemmen?

Schoothondje begon zich uit te kleden. Eerst trok hij zijn hemd uit, daarna zijn schoenen en toen zijn sokken, waarin uitgerekend die dag een enorm gat bleek te zitten. Hij schaamde zich dood. Maar de zigeuners maalden niet om een sok met een gat. Ze moesten lachen omdat hij zijn broek, zijn hemd en al zijn andere kleren over een struik drapeerde zodat er geen stof op zou komen.

Het slijk warrelde op onder zijn voeten. Hij zag niets. Het zonlicht dat de wilgen aan de overkant doorlieten, scheen recht in zijn ogen. Gábriel dirigeerde hem naar de juiste plek. Hij zwom naar het midden van de Dode Tak, haalde diep adem en hield zijn gezicht in het water. Daarna stak hij zijn hele hoofd onder water om het gejoel op de oever niet te hoeven horen. Hij haalde nog een keer diep adem en zwom naar beneden. Onderwaterzwemmen bleek totaal niet eng te zijn. Dat trof hem pijnlijker dan het lachen van de zigeuners: dat iets waarvoor hij doodsbang was geweest gewoon kinderspel bleek te zijn.

Het water was ondiep, en al snel ontdekte hij op de tast waar de vleugel van het jachtvliegtuig begon. Langs de romp van het toestel zwom hij naar de cockpit. Hij was pas bij vijfentwintig, maar wist dat hij zijn adem makkelijk zestig tellen kon inhouden. Hij had al duizend keer gemeten hoe lang hij zijn adem in kon houden, voor het geval dat hij toch nog eens zou gaan duiken. Bij dertig voelde hij de loop van het machinegeweer. Dat betekende dat hij te ver was doorgezwommen, dus draaide hij zich weer om. Hij wilde terugzwemmen, maar bleef in een wierachtige tak van een waterplant steken. In twee takken, om precies te zijn.

Ik werd omarmd door twee slijmerige takken en deed mijn ogen open. En daar, in die grijsgroene schemering, keek ik recht in het gezicht van de piloot. Of eigenlijk: in wat er diep onder water van een mensengezicht overblijft. Ik greep ze vast, die als takken wiegende armen, en kon ze niet meer loslaten. Mijn handen verkrampten volledig toen ik dat pilotenjasje eenmaal tot op het bot had omklemd. Het was niet zozeer dat ik schrok, ik vergat gewoon verder te tellen. Het enige waar ik nog aan kon denken was mijn moeder, hoe ze na het eten bij het aanrecht stond om de afwas te doen, hoe ze mij de borden gaf om af te drogen, tot alle borden waren afgewassen, terwijl ik wilde doorgaan. Ik wilde niet ophouden, ik wilde tot het einde der tijden naast haar blijven staan en die rotborden blijven afdrogen, maar ze waren allemaal al op.

En toen grepen twee andere handen mij beet, en de twee meerderjarige zigeuners sleurden me op de kant. Door met een vuist op mijn maag te slaan lieten ze me het water uitbraken terwijl ze schreeuwden: Je haalt het niet in je verdomde harsens om hier te een potje te gaan verdrinken! Ademen, Schoothondje, hoor je me? Ademen! Toen kwam ik weer bij kennis, ze hadden mijn kleren van de struik gehaald en reikten me die aan. Mijn sokken met gaten, mijn overhemd. Twee van hen gaven me een arm en zonder iets te zeggen hielpen ze me door het veld naar de Spoorstraat.

Over de auteur:

Attila Bartis (1968) is een veelbekroond fotograaf en schrijver. Hij groeide op in de Transsylvanische stad Târgu Mureş (Marosvásárhely), maar verhuisde in 1984 met zijn vader naar Boedapest. Hij nam deel aan verschillende fototentoonstellingen en debuteerde in 1995 als schrijver. In 2001 verscheen Bartis' doorbraakroman nyugalom (Rust), een sensationeel psychodrama over een verstikkende moeder-zoonrelatie tijdens de nadagen van het communisme, vol groteske situaties van grote theatrale schoonheid, pathologische maar geloofwaardige karakters, zwarte humor en bonte beschrijvingen van de Hongaarse maatschappij. De roman werd in talloze talen vertaald, verfilmd en voor toneel bewerkt. Recensenten vergelijken Bartis met Roth, Jelinek of Bernhard om vervolgens met nadruk Bartis' eigenheid te roemen. Na Rust bracht Bartis een bundel, een toneelstuk, een fotoalbum en een dialogenboek uit. In 2016 verscheen zijn langverwachte nieuwe roman A vége (Het einde). Op 1 maart jl. ging Bartissolotentoonstelling szigeteken (Op de eilanden) open in het Boedapester fotomuseum Mai Manó.

Over de vertaler:

Cora-Lisa Sütő (Tilburg, 1969) heeft na haar opleiding aan Academie Minerva te Groningen enkele jaren als kunstschilder gewerkt. Daarna heeft ze Hongaarse Taal- en Letterkunde aan de Rijksuniversiteit van Groningen gestudeerd, gevolgd door een éénjarige postacademische opleiding tot literair vertaler aan het Balassi Instituut te Boedapest. Sinds 2008 werkt ze als zelfstandig (literair) vertaler uit het Hongaars. Naast novellen, essays, schildersmonografieën en een literaire thriller heeft ze ook Rust van Attila Bartis vertaald (Meulenhoff, 2011). Sinds 2013 verzorgt ze tevens taal- en vertaallessen aan de vakgroep Neerlandistiek en de Vertaalopleiding van de Károly Gáspár Universiteit te Boedapest.