thema:

Landen ver weg. De Sub-Sahara in het Nederlands

Ineens verscheen in 2017 bij uitgeverij De Geus de eerste Nederlandse romanvertaling van werk van Alain Mabanckou: Prins Peper. Dat was behoorlijk verrassend, want Mabanckou (in 1966 geboren in Congo-Brazzaville) was al geruime tijd een gevierd schrijver, vooral in Frankrijk waar hij op z’n 22e naartoe verhuisde om rechten te studeren, is daar inmiddels verbonden aan het prestigieuze Collège de France en vecht publieke debatten uit met niemand minder dan de president zelf. In Frankrijk publiceerde hij in 1993 zijn eerste poëzie en in 1998 zijn eerste roman, Bleu-Blanc-Rouge. Inmiddels woont hij al een heel aantal jaar in Amerika, waar hij hoogleraar Francophone Studies is. Er staan intussen twaalf romans op zijn naam, die vanaf 2007 druk vertaald werden. Verre Cassé (2005) en Mémoires de porc-épic (2006) zijn het bekendst, behalve hier te lande dan. Tegen de tijd dat er vorig jaar eindelijk een Nederlandse vertaling verscheen waren er al acht romans in het Engels vertaald, zes in het Pools, vijf in het Italiaans, vijf in het Duits, vier in het Spaans, vier in het Zweeds, drie in het Noors, twee in het Koreaans, twee in het Arabisch, één in het Hongaars, één in het Hebreeuws, één in het Grieks, één in het Turks en één in het Fins. We kunnen dus gerust zeggen dat het Nederlandse taalgebied behoorlijk achterloopt.

In maart 2016 vertelde literatuurcriticus Margot Dijkgraaf in een stukje voor VPRO Boeken dat ze Alain Mabanckou bij verschillende uitgevers had getipt, maar dat niemand zich eraan wilde wagen. Uiteindelijk nam uitgeverij De Geus het risico om deze in Nederland nog onbekende auteur toch te introduceren. Anderhalf jaar later verscheen Mabanckous elfde roman Petit Piment (2015) in een vertaling van Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre – het eerste boek van deze sub-Saharaanse Franstalige auteur in het Nederlands dus. Hoe nu werd deze roman uiteindelijk ‘ingepakt’ en gepresenteerd? En hoe anders is deze presentatie dan die in Frankrijk waar men een onderscheid kent tussen Franse en ‘francophone’ auteurs, maar waar dat onderscheid al sinds jaar en dag wordt bekritiseerd en ondergraven?

Alain Mabanckou ondertekende in 2007 samen met drieënveertig andere Franstalige schrijvers het manifest ‘Pour une “littérature-monde” en français’. In dat manifest pleitten de ondergetekenden voor een Franstalige wereldliteratuur waarbij geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen Franse auteurs en ‘francophone’ auteurs. Tien jaar na het manifest werden Alain Mabanckou en Abdourahman Waberi geïnterviewd over de impact van dat manifest. ‘Het was niet onze bedoeling een langdurige academische discussie te starten,’ verklaarde Abdourahman Waberi (oorspronkelijk uit Djibouti), ‘we wilden vooral Franse journalisten, uitgevers en boekverkopers aanspreken en duidelijk maken dat ze moesten ophouden de literaire productie van zogenaamde ‘francophone’ schrijvers te beknotten.’ En Mabanckou zei:

 

Ik denk dat het manifest simpelweg een bevestiging was van een ontwikkeling in de literatuur die op het moment van publicatie al gaande was: een streven om zich open te stellen voor de wereld en zich niet te laten vangen in een nationaal discours. We gingen dus gewoon mee met een heersende trend, en nu, tien jaar later, kunnen we concluderen dat de literaire productie minder wordt gemarginaliseerd en er minder op wordt neergekeken. In Frankrijk verschijnt het werk van Afrikaanse schrijvers bijvoorbeeld bij grote uitgevers en wordt het op dezelfde manier gerecenseerd als dat van Franse schrijvers, en in dezelfde kranten.

 

In Nederland kreeg het francofonie-debat een plaats in een stuk van Margot Dijkgraaf in de NRC in 2006, hetzelfde artikel waarin ze Mabanckou voor het eerst signaleerde:

 

De vraag of deze literatuur nu door een Fransman wordt geschreven of door een francofoon, is volledig irrelevant. Zij wordt in het Frans geschreven door schrijvers die ervoor hebben gekozen zich in die taal uit te drukken. Amin Maalouf stelde voor om voortaan alleen nog maar te spreken van ‘schrijvers in de Franse taal’. Dat lijkt me een uitstekende oplossing. Dan kan iedereen zich nu weer bezighouden met waar het werkelijk om gaat – de literatuur zelf.

 

Maar dat bezighouden met literatuur gaat toch het makkelijkst als je de tekst ook aangeboden krijgt in de vorm van een boek, doorgaans voorzien van een titel, genreaanduiding, flaptekst, illustraties, voor- en nawoord etc. Zonder die elementen, de zogenaamde ‘paratekst’, wordt literatuur over het algemeen niet gepubliceerd. Als je gaat kijken naar de parateksten bij Nederlandse vertalingen van sub-Saharaanse Franstalige literatuur, zie je dat de vraag of deze literatuur door een Fransman of door een Franstalige auteur van buiten Frankrijk is geschreven ook in Nederland wel degelijk van belang is voor de manier waarop de auteur en zijn/haar werk wordt verpakt. Hoe dat in Frankrijk gebeurde is onder andere onderzocht door Marie Arielle de la Roche Souvestre, die Mabanckous oeuvre tot en met 2013 analyseerde. Hoewel Mabanckou inmiddels in vooraanstaande ‘Franse’ collecties van grote uitgeverijen zoals Seuil en Gallimard wordt uitgegeven (in tegenstelling tot veel andere ‘francofone’ schrijvers die in speciale collecties zoals Continents Noirs of Littérature Étrangère worden geplaatst), wordt hij toch gepresenteerd als een ‘Congolese schrijver’. De la Roche Souvestre spreekt zelfs van een ‘racialiserende paratekst’.

Ook Richard Watts onderzocht welk beeld Franse uitgevers neerzetten van francofone auteurs/literatuur en wees op een verschil tussen de koloniale parateksten en postkoloniale parateksten. Daar waar de koloniale literatuur werd gepresenteerd als cultureel vreemd, exotisch en anders maar op zo’n manier dat die vreemdheid wel kon worden thuisgebracht door de lezer, hebben de postkoloniale parateksten niet meer als doel een ogenschijnlijk transparante toegang tot de tekst te bieden. De postkoloniale paratekst streeft er niet meer naar om de roman op zo’n manier uit te leggen dat de lezer precies weet waar de tekst die hij of zij gaat lezen over gaat en laat meer ruimte voor opacité (zoals Glissant dat noemt), voor onduidelijkheid, onbegrijpelijkheid, ondoorgrondelijkheid.

Dit verschil is ook waar te nemen wanneer je de Nederlandse vertalingen van Mabanckous Petit Piment – of bijvoorbeeld van Gaël Fayes Petit Pays en Fiston Mwanza Mujila’s Tram 83, twee andere recent verschenen Nederlandse vertalingen van sub-Saharaanse Franstalige romans – vergelijkt met de Franse uitgaven. In de Nederlandse flaptekst krijgt de lezer een eenduidiger en dus toegankelijker beschrijving van het verhaal. Die eenduidigheid is wellicht eigen aan de Nederlandse flaptekst en deels is het misschien ook te verklaren door verschillen in kennis over de geschiedenis van die landen, maar het is toch opvallend dat de Franse flapteksten minder expliciet zijn over de Afrikaanse situering van het verhaal. In de Nederlandse flaptekst van Tram 83, in 2015 verschenen bij de Bezige Bij, lezen we bijvoorbeeld in de eerste zin al ‘Tram 83 is een kroeg-eettent-bordeel in Congo’, en dat terwijl de auteur in meerdere interviews heeft laten weten dat de roman zich niet per se in Congo afspeelt. In de Franse flaptekst blijft het enigszins vaag wat Tram 83 precies is en wordt Congo niet genoemd. De Nederlandse flaptekst is in zijn algemeenheid veel explicieter en eenduidiger dan de Franse flaptekst. Dit geldt ook voor Fayes Petit Pays (in 2017 bij Hollands Diep verschenen als Klein Land).

Bij Mabanckous Prins Peper en Petit Piment is het verschil het grootst. Wanneer je de Nederlandse flaptekst leest, lijkt het bijna of je een kinderboek gaat lezen, zo makkelijk en ondubbelzinnig en optimistisch is de samenvatting vergeleken met de Franse flaptekst. Er verdwijnt van alles in de Nederlandse versie: de politieke context waarin de roman zich afspeelt, het feit dat Prins Peper allerlei klusjes opknapt in een bordeel; dat hij gek wordt en wraak gaat nemen op de persoon die zijn toekomst heeft verpest. In de Nederlandse flaptekst neemt Prins Peper alleen wraak op de ‘etterige tweeling’ die hem pest in het weeshuis waar hij opgroeit, maar waarmee hij uiteindelijk bevriend raakt. ‘Gedrieën ontvluchten ze het weeshuis en belanden in de kuststad Pointe-Noire, waar ze een nieuw leven beginnen als dievenbende.’ Bovendien staat er heel groot op de achterflap: ‘Oliver Twist in het Congo van de jaren zeventig’, een mooi voorbeeld van een beschrijving die het ‘vreemde’ op zo’n manier presenteert dat het voor ‘de doorsnee lezer’ toch herkenbaar blijft en kan worden thuisgebracht.

Van de tien meest recent verschenen vertalingen is er slechts één roman waarbij op de voorkant (via beeld en/of tekst) niet wordt gewezen op een auteur van Afrikaanse afkomst of een verhaal dat zich in Afrika afspeelt. Deze roman, Vuile Voeten van Edem Awumey (verschenen in 2010 bij Querido) speelt zich dan ook grotendeels in Parijs af. Maar wanneer je het boek vervolgens omdraait lees je meteen in de eerste zin van de flaptekst dat de hoofdpersoon een ‘uit Afrika afkomstige vluchteling’ is. Ook voor deze roman geldt dat de Nederlandse flaptekst in zijn algemeenheid veel eenduidiger is dan de flaptekst in zowel de Franse als Canadese uitgave van de roman. Idem bij Fatou Diomes Ketela (uitgeverij Sirene, 2000). Al meteen in de eerste zin van de Nederlandse flaptekst lees je dat Memoria ‘een jonge Afrikaanse vrouw’ is en dat haar vrienden en familie na acht dagen besluiten om ‘– zoals staat voorgeschreven in de islamitische cultuur –’ te beginnen met het verdelen van de erfenis, de ketala. In de Franse flaptekst wordt deze informatie helemaal niet bijgeleverd; hier is Mémoria gewoon Mémoria en de kétala is ‘le partage de l’héritage’, zonder verwijzingen naar de islam. Op de Nederlandse cover wordt wederom nadruk gelegd op het ‘Afrikaanse’: er is gekozen voor een exotische foto van een Afrikaanse vrouw, terwijl de uitgave bij Flammarion een illustratie bevat van verschillende tinten paars. Hetzelfde gebeurt bij Fayes Petit Pays en Klein Land: terwijl het jongetje op de Franse omslag van elke afkomst kan zijn, zie je op het omslag van Hollands Diep in één oogopslag dat het om een Afrikaanse jongen gaat. Iets vergelijkbaars zien we bij De Geus, die voor Prins Peper koos voor een illustratie op de voorkant die meteen duidelijk maakt dat de auteur of de hoofdpersoon van Afrikaanse afkomst is. Seuil daarentegen vermeldt alleen de auteursnaam en titel tegen een sobere witte achtergrond. Bovendien vinden we op alle tien de omslagen van de meest recent verschenen vertalingen in kwestie een foto van de auteur.

Bij de Nederlandse vertaling van Tram 83 lezen we dat Fiston Mwanza Mujila ‘zijn door oorlog en geweld geteisterde vaderland’ heeft verlaten ‘om zonder censuur te kunnen schrijven’; op de achterflap van Vuile voeten lezen we dat Edem Awumey is ‘gevlucht uit Togo’. Deze informatie ontbreekt wederom in de Franse edities en bovendien moeten we ons ook nog eens afvragen of deze informatie wel juist is. Léonora Miano (van wie in Nederland in 2008 Zwarte nacht en in 2015 Hoe lang nog duurt de nacht verschenen) was het bijvoorbeeld helemaal niet eens met het voorwoord bij de Engelse vertaling van haar roman A l’intérieur de la nuit. Sterker nog, het voorwoord staat volgens haar vol met leugens.

 

Ik ben niet weggegaan uit Kameroen omdat ik vluchtte voor geweld. Ik woon in Frankrijk omdat ik zowel egoïstisch als down to earth ben. Frankrijk is nog steeds de plek waar je moet zijn als Afrikaanse Franstalige schrijver. Daar kun je gepubliceerd worden, en is de distributie goed.

 

Van de tien meest recente Nederlandse vertalingen van sub-Saharaanse Franstalige literatuur, verschenen er drie in het samenwerkingsverband van Oxfam Novib en De Geus: Prins Peper van Alain Mabanckou, Congolese Wiskunde van In Koli Jean Bofane en Afgesneden herinnering van Werewere Liking. Deze vertalingen verschenen in Oxfam Novib’s Wereldliteratuur-reeks, een voortzetting van De Derde Spreker reeks. Deze reeks is, samen met de Afrikaanse Bibliotheek, heel belangrijk geweest voor de introductie van Afrikaanse literatuur in Nederland. De Derde Spreker reeks werd in 1975 opgericht en in het voorwoord bij de eerste uitgave lezen we onder meer dit:

 

De Nederlandse Organisatie voor Ontwikkelingssamenwerking (Novib) en uitgeverij Het Wereldvenster hebben […] het initiatief genomen een reeks teksten van schrijvers uit Afrika, Latijns-Amerika en Azië te vertalen. Het lezen van romans en verhalen uit de derde wereld betekent een ontmoeting met andere mensen, hun problemen en hun samenleving.

 

In 1991 werd de naam van de reeks aangepast tot Wereldliteratuur omdat de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse auteurs het etiket Derde Wereld onjuist en vernederend vonden. Het betrof voor hen een Europese uitvinding die de Europese en Euro-Amerikaanse literatuur in het middelpunt zette en de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse in de marge. Maar wanneer we de beschrijving van de Wereldliteratuur-reeks lezen, zien we dat er behalve de naam eigenlijk weinig is veranderd:

 

De romans weerspiegelen het leven van mensen in andere landen en culturen, zorgen voor een persoonlijke betrokkenheid of doorbreken clichés. Boeken die een krachtige stem laten horen uit werelden die ons niet zo bekend zijn. Romans van niet-westerse auteurs die inzicht geven in het leven van mensen in landen ver weg, in hun gewoontes, hun tradities, hun problemen en hun oplossingen. Boeken die de kracht van andere culturen laten zien. Die ons confronteren met de rijke diversiteit van de verschillende volken in de wereld.

 

De auteurs komen weliswaar niet meer uit derdewereldlanden, maar nog steeds uit ‘landen ver weg’, ‘uit landen die ons niet zo bekend zijn’, met ‘hun’ gewoontes, ‘hun’ tradities, ‘hun’ problemen en ‘hun’ oplossingen. En onder aan de website-pagina waarin de geschiedenis van De Derde Spreker wordt beschreven, worden de schrijvers in de Wereldliteratuur-reeks ‘schrijftalenten uit ontwikkelingslanden’ genoemd:

 

Inmiddels is literatuur uit ontwikkelingslanden niet meer weg te denken uit de Nederlandse samenleving. Nieuwsgierig naar de huidige schrijftalenten uit ontwikkelingslanden? Bekijk het aanbod van wereldliteratuur in de webshop van Oxfam Novib.

 

Alain Mabanckous Prins Peper is eveneens verschenen in samenwerking met Oxfam Novib. Hoewel dit soort samenwerkingen het uitgeven van een vertaling van een in Nederland nog onbekende auteur minder risicovol maken voor een uitgever, en dus meehelpen bij de introductie van sub-Saharaanse Franstalige literatuur, kun je je afvragen welk effect een etiket als ‘Oxfam Novib’s Wereldliteratuur-reeks’ heeft. Je zou zomaar kunnen denken dat het literaire gehalte van de vertaalde roman in het geding is. Wanneer je als lezer op pagina 252 de laatste zinnen van Prins Peper leest en vervolgens op pagina 253 – zonder dat je de bladzijde hoeft om te slaan en zonder dat de typografie verandert – meteen belandt in een informatieve tekst over Oxfam Novib, die begint met ‘Wij kunnen armoede verslaan’, krijg je als lezer eerder het gevoel dat je de roman hebt gelezen om de schrijver financieel te steunen dan vanwege de literaire kwaliteit van het boek. Na een eerste alinea over het bestaansdoel van Oxfam Novib, lezen we: ‘Met de boekenreeks waarin Prins Peper is opgenomen, biedt Oxfam Novib schrijvers uit niet-westerse landen een podium en een stem. Hiermee willen we de originaliteit en kracht laten zien van andere ideeën en culturen.’ Maar had er in het geval van Mabanckou niet beter kunnen staan: ‘een podium en een stem in Nederland’? De auteur heeft in andere landen immers al aardig lang een stem. Bovendien kun je je afvragen in hoeverre Alain Mabanckou, die een groter deel van zijn leven in Europa en Amerika heeft doorgebracht dan in Congo, moet of kan worden beschouwd als een ‘schrijver uit een niet-westers land’.

Om opgenomen te kunnen worden in de Wereldliteratuur-reeks hoeft de roman zich niet per se in een niet-westers land af te spelen. Nele Hendrickx (tot voor kort uitgever bij de Geus) liet desgevraagd weten dat de afkomst van de auteur eigenlijk belangrijker is. De in 2018 verschenen vertaling Ze zullen verdrinken in hun moeders tranen, van Johannes Anyuru, ‘dichter en romancier van Zweeds-Ugandese afkomst’, speelt zich bijvoorbeeld af in Zweden en gaat (lezen we op de website van Oxfam Novib) ‘over hoop en hopeloosheid in het Europa van vandaag’. Ironisch genoeg staat dit boek in De Geus’ zomercatalogus 2018 ook bij ‘Lees Europees!’ waar de auteur ‘het Zweedse talent’ wordt genoemd. De auteur – nota bene geboren en getogen in Zweden – is in de Wereldliteratuur-reeks een van de ‘schrijvers uit niet-westerse landen’, en in de Lees Europees!-reeks is hij een van de ‘Europese schrijvers’.

‘Uitgeverijen ondernemen allerlei activiteiten om hun auteurs zo goed mogelijk te positioneren binnen het Nederlandse literaire veld,’ schreef Sandra van Voorst in haar analyse van de receptie van Kader Abdolah. Bij dat positioneren maken uitgeverijen dus ook op strategische wijze gebruik van de afkomst van de auteur. Uiteraard geldt dat niet alleen voor Nederlandse vertalingen van sub-Saharaanse Franstalige literatuur. Uitgeverijen zoeken nu eenmaal naar manieren om hun auteurs in de markt te zetten. In Nederland is dat zo, maar bijvoorbeeld ook in Frankrijk waar Nederlandse boeken die over zoiets als de zee gaan – al is het maar een bladzijde of een paragraaf – typisch Nederlands worden genoemd. ‘Zeeën of meren of zeilen… Dat gebruikt de uitgever als verkoopargument, want dat is dan typisch Nederlands,’ aldus Margot Dijkgraaf. En bekijk je de Franse pocketedities van Mabanckous romans, dan vind je daar ook stereotype beelden op de covers. Toch denk ik dat we ons af moeten vragen hoe bevorderlijk het uiteindelijk is voor de introductie en vertaling van sub-Saharaanse literatuur in Nederland als de romans blijven verschijnen in reeksen als die van Oxfam Novib. Welk beeld houdt dit in stand? Lees Mabanckous Black Bazar, of Verre Cassé, en je ziet dat deze ‘niet-westerse’ auteur (die al dertig jaar in het ‘westen’ woont) echt niet alleen inzicht geeft in het leven van ‘mensen in landen ver weg’.

In elk geval kan Alain Mabanckou dankzij de Geus nu uiteindelijk ook in het Nederlands gelezen worden en zoals Margot Dijkgraaf al schreef, is het de literatuur zelf waar het werkelijk om draait. Hopelijk besluit de Geus ooit ook Mabanckous Le monde est mon langage te laten vertalen. Dan kan de Nederlandse lezer zich verheugen op een hybride verzameling teksten waarin Mabanckou vertelt over bekende en onbekende Franstalige auteurs –  van over de hele wereld, vooral van buiten Frankrijk en voorts ook nog eens een flink aantal uit Afrika.

Over de auteur:

Joeba Bootsma (1992) studeerde Franse Taal en Cultuur, schrijft zo nu en dan een recensie voor Athenaeum.nl en rondde onlangs de master Literair Vertalen af aan de Universiteit Utrecht. Voor dit nummer van Terras selecteerde ze een aantal bevindingen uit haar afstudeerscriptie waarin ze de vertaling en 'non-vertaling' van Alain Mabanckou in Nederland onderzocht om uiteindelijk meer inzicht te krijgen in de totstandkoming en receptie van Nederlandse vertalingen van sub-Saharaanse francophone literatuur. Ze hoopt binnenkort een bijdrage te kunnen leveren aan de vertaling van 'francophone' literatuur met een fragment uit werk van Ananda Devi (Mauritius).