Blog | Kim Andringa, oktober 8, 2012

Leuk

Hoe fictie werkt, heet het boek van James Wood, literair criticus bij de New Yorker en hoogleraar literaire kritiek. Het is zonder meer een leuk boek, maar onmisbaar, zoals de voorflap stelt, dat is een tikje overdreven. Je steekt er interessante dingen uit op over wat het effect is van bijvoorbeeld de vrije indirecte rede, maar daarmee ben je nog geen betere lezer en leer je al helemaal geen boeken schrijven, zoals het wervende omslagtekstje ons voorhoudt. Lezen en schrijven – in de ‘edele’ zin van deze twee woorden, maar eigenlijk natuurlijk ook al op de lagere school – leer je toch hoofdzakelijk door het vooral veel te doén, en niet door bewust ontleed- of constructiemechanismen toe te passen. Dat is meer het domein van literatuurwetenschapper en -criticus. Ik vraag me af of Wood het boek als handleiding in zijn colleges gebruikt, het is zeker leesbaarder dan de meeste studieboeken over literaire mechanismen, maar dat komt ook doordat het een beetje hapsnap, op babbeltoon geschreven is.

Hoe fictie werkt heeft naar mijn idee twee tekortkomingen waardoor het zijn doel een beetje mist. De eerste stipte ik al aan : hapsnap. James Wood behandelt van alles, in soms ultrakorte hoofdstukjes, eigenlijk eerder paragrafen, alsof hij op tafelservetten, memoblaadjes en oude kassabonnen doorassocieert over het thema dat hij aan het behandelen is, met als neveneffect dat je na het aangenaam verpozen toch een beetje blijft zitten met de schillen en de dozen.
Om het eerste deel als voorbeeld te nemen : van de verteller gaat het via alwetendheid, bedrog, en betrouwbaarheid naar de indirecte rede met haar flexibiliteit, ambiguïteit en de daardoor opgewekte verwarring, vervolgens naar het vervagende verschil tussen auteurstekst en personagetekst, waarna de vrije indirecte rede min of meer gelijkgesteld wordt aan ironische distantie, daarna weer teruggekomen wordt op hoe de stijl en woorden van de auteur door kunnen gaan voor die van het personage, waarbij Wood opmerkt dat het gebruik van gedevalueerde niet-literaire taal juist als een aanklacht tegen zulk taalgebruik gezien kan worden en dat literair estheticisme een ‘vermoeiend vertoon van stijl’ is. Hij besluit met een beschouwing over de stilistische spanning zoals uitgevonden door Flaubert, die ontstaat uit een samenspel van aandacht voor stijl, de vrije indirecte rede en weergave van details. Het volgende deel van het boek gaat vervolgens over Flaubert en het moderne vertellen.
Ik hoop dat u niet ergens in de voorgaande regels de draad bent kwijtgeraakt. Zelf heb ik na de eerste lezing van het boek een lijstje gemaakt met een of twee steekwoorden per paragraaf om letterlijk nog eens op een rijtje te zetten wat ik nou eigenlijk gelezen had. Het is steekhoudend – op die rabiate, overigens meermalen terugkerende, veroordeling van elke neiging tot estheticisme na –, maar het is niet overzichtelijk.

Tweede bezwaar : aanschouwelijk is het ook niet altijd. James Woods verwijst te veel en citeert te weinig. Van de bibliografie van genoemde of geciteerde werken die achterin drieënenhalve bladzijde beslaat (hiervoor een pluimpje !) ken ik heus wel het een en ander, maar een hoop ook niet, en van wat ik gelezen heb staat me niet altijd meer even duidelijk voor de geest hoe het precies verteltechnisch in elkaar stak. Dus als Wood schrijft : ‘Zelfs de ogenschijnlijk onbetrouwbare verteller is vaker wel dan niet op een betrouwbare manier onbetrouwbaar. Denk aan Kazuo Ishiguro’s butler in The Remains of the Day, of aan Bertie Wooster, of zelfs aan Humbert Humbert. We weten dat de verteller onbetrouwbaar is omdat de auteur ons via betrouwbare manipulaties attent maakt op de onbetrouwbaarheid van de verteller‘, dan moet ik eerst Bertie Wooster googelen en vervolgens in drie boeken gaan bladeren om Woods bewering voor mezelf te illustreren.

Nog een derde puntje. De vertaling van Arie Storm is over het algemeen goed, al doet hij bijvoorbeeld een Wordsworth wel tekort (alle citaten zijn door Storm zelf vertaald, uit het Engels naar ik aanneem, wat bijvoorbeeld bij Madame Bovary wel een beetje vreemd is, maar dit terzijde), maar her en der duiken in die soepele vertaling toch hinderlijke anglicismen op, en ook wel eens een kromme zin. Voorbeeldjes ? Vooruit.
Over Ian Mc Ewan’s Atonement schrijft Wood dat de auteur de vrije indirecte rede gebruikt om zich in te leven in het personage van Emily. Er volgt een citaat als voorbeeld, waarna afgerond wordt met : ‘Emily zou dit denken’ (p.152). Na me eerst even afgevraagd te hebben waarom hier nou opeens een hypothese uit de lucht komt vallen, begrijp ik het : ‘Emily would think this‘. En dat blijkt er in de Engelse versie (online te vinden) ook te staan.
We hebben een van deze ook in mijn stad, weet je‘. ‘We’ve got one of those in my town, too, you know.’
Dit is Amerika, je woont er ; jij laat het plaatsvinden‘. ‘You let it happen‘. Zo is het maar net.
Over filosoof Bernard Williams (p.153) : ‘Filosofie, zo dacht hij, had de neiging conflicten te zien als conflicten of overtuigingen die gemakkelijk konden worden opgelost, in plaats van als conflicten of verlangens die niet zo gemakkelijk kunnen worden opgelost.’
Ik heb Williams er niet op nageslagen, maar conflicten als conflicten zien lijkt me eerder tautologisch dan filosofisch. Is er misschien twee keer een Engels ‘of’ blijven staan en moeten we hier conflicterende overtuigingen, cq. conflicterende verlangens lezen ?
Meevoelen doen we ‘door onszelf in de schoenen van anderen te verplaatsen’ en Julien Sorel uit Le Rouge et le Noir van Stendhal verleidt Mme de Rênal ‘in de trotse overtuiging dat dit de manier is om de maatschappij te veroveren en om de minachting die hij vindt dat zij hem verleende terug te betalen’ (mijn cursivering).

Tot besluit eentje waar in elk geval mijn estheticistentenen krom van gaan staan : een citaat uit To the Lighthouse over meneer en mevrouw Ramsay en hun opgroeiende zoon Andrew (p.155) : ‘Hij zou heel trots op Andrew zijn als hij een beurs zou krijgen, zei hij. Ze zou net zo trots op hem zijn als hij die niet kreeg, antwoordde ze. Ze verschilden hier altijd over van mening, maar dat deed er niet toe. Ze vond hem leuk om zijn geloof in studiebeurzen en hij vond haar leuk omdat ze trots was op Andrew los van wat hij wel of niet deed.’

Leuk ?!!

James Wood, Hoe fictie werkt, vertaald door Arie Storm. Uitgeverij Querido (2012).

Kim Andringa (Middelburg, 1977) woont in Parijs. Ze studeerde Franse taal- en letterkunde in Nijmegen en vervolgens Franse literatuur aan de Sorbonne. Ze promoveerde daar in 2009 in de vergelijkende literatuurwetenschap en doceerde er Nederlands. Momenteel is ze universitair docente vertalen (Frans-Nederlands) aan de universiteit van Luik (ULG) . Daarnaast is ze werkzaam als literair vertaalster Nederlands - Frans, Frans-Nederlands, Fries - Frans, hoofdzakelijk van hedendaagse poëzie.