thema:

Losgewrikt, in niemands holte

Ik overdrijf niet als ik beweer dat José-Miguel Ullán op eenzame hoogte staat in het Spaanse poëzielandschap van de twintigste eeuw, onder meer omdat hij zich als dichter manifesteerde als een schepper van tegenstellingen. Schrijven legt iets vast maar de lezing van het gedicht moet open zijn, in de holte van niemand (waar de dichter Ullán zich ophield) voelt de lezer de krachtige aanwezigheid van iemand. Ullán verliet zich nooit op zekerheden, zijn werk is een fascinerende opeenvolging van breuken en gebrek aan continuïteit. In de vormen van de dichter wordt niets voorgesteld, de lezer dwaalt door een tactiele en lichamelijke schemerzone, een synthese van taalvormen en registers, die opgespannen zijn in een veeleisende vrije vorm. En Ullán stelt in alle gedichten de vraag: wat kan de poëzie vandaag nog zijn? Hij hanteert de ironie als wapen en als tactiek in het gevecht tegen alle gevestigde, clichématige taalvormen die onze blik op de werkelijkheid vertroebelen.

Voor bovenstaande alinea put ik vrijelijk uit een artikel van de Spaanse dichter, vertaler en criticus Miguel Casado, die ook het voorwoord schreef bij Ulláns verzamelde poëzie uit de periode 1968-2007, Ondulaciones (‘Golvingen’, 2008). Ullán overleed na een kort, hevig ziekbed op 23 mei 2009. Kort daarna kwamen poëtische zielsgenoten van de dichter samen om zijn oeuvre te gedenken door er diep in door te dringen. De titel van de ontmoeting is veelzeggend, Las voces inestables (‘De wankele stemmen’), stemmen die door de dichter aan het wankelen zijn gebracht. Daaruit bestaat zijn dichterlijke arbeid: loswrikken, om daarna weer ineen te steken. Ontwrichting, wederopbouw – zonder uitsluiting van een speelse tactiek.

José-Miguel Ullán werd in 1944 geboren in de buurt van Salamanca. Hij studeerde Politieke en Sociale Wetenschappen en Filosofie in Madrid. In 1966 ging hij in (vrijwillige) ballingschap naar Parijs en volgde er cursussen bij Pierre Vilar, Roland Barthes en Lucien Goldmann. De dichter werkte bij de Franse ORTF (radio en televisie) en verzorgde voor France Culture de uitzendingen in het Spaans. Toen Ullán in 1976 naar Madrid terugkeerde, bleef hij voor radio en televisie werken. Hij werd de onderdirecteur van het toonaangevende Diario 16 en verzorgde er het culturele supplement. Ullán was ook columnist en criticus bij het dagblad El País. De dichter was zeer actief in de plastische kunsten (die hun grafische sporen in zijn werk achterlieten), organiseerde tentoonstellingen (in het MoMA, Reina Sofía, de Franse Nationale Bibliotheek …) en werkte mee aan catalogi. In 1986 werd Ullán lid van het selectiecomité van Europalia/España. In Agrafismos publiceerde de dichter de tekeningen die hij met zijn vrije schrijvershand had gemaakt.

Wie Ullán leest, moet afscheid nemen van de normen die zowel in de maatschappelijke als in de poëtische werkelijkheid heersen. Dat deed de dichter ook in zijn poëzie, waarbij hij heel wat sporen van die kritische ingreep achterliet. Ullán steunde nooit op wat al verworven was aan waarden of tekens, maar werkte steeds aan een fascinerende opeenvolging van breuken en discontinuïteiten. Trouw schreef hij een persoonlijke wereld die verankerd bleef in een hedendaagse esthetische bezinning. Om Ullán te lezen en te vertalen moet je twee versies voor ogen houden: de (verstarde) tekst die aan het gedicht vooraf ging, en het gedicht zelf dat daarvan het commentaar en het residu is geworden. Van de eerste tekst blijven alleen sporen over die de band met hun eerdere context en betekenis al dan niet moedwillig zijn verloren. In de sporen die de dichter heeft gespaard, groeit een nieuwe tekst aaneen. De oude en de nieuwe huid van de slang, daarop komt het aan.

Twee bronnen hebben deze poëzie gevoed: het luisteren en de afwezigheid, die de taal uit haar hengsels lichten om er een nieuwe behuizing voor te vinden. Het geheugen wordt omgezet in klank, in melodie. In het lange gedicht ‘De wind’ wordt een muzikale gedachte neergezet: ‘… de wankele stemmen / meegesleurd door het genot / de meest uit het oog verloren stemmen / begraven beroofd / van eigendom / als gist op de ruwe dag / van de overledenen / de stemmen die ons bereiken / zomaar / zoals ook de om aalmoes / vragende zielen doof voor de vriendelijke / en wazige wil / de wereld / om te wroeten en opnieuw op te bouwen…’ Ja, dat gebeurt in Ulláns poëzie op meesterlijke wijze: de dichter
wroet om, de dichter herbouwt.

Over de auteur:

Bart Vonck (1957) is dichter, criticus en vertaler van poëzie uit het Spaans, Frans en Portugees. Zijn laatst verschenen bundel heet Kijk: verschaving (Uitgeverij P, Leuven, 2017). Twee bundels werden bij Le Cormier (Brussel, Parijs) in Franse vertaling uitgegeven, onder meer En perte, délicieusement (2018) in een vertaling van Daniel Cunin. Als vertaler werkt hij aan een driedelige bloemlezing van de poëzie van Henri Michaux; het eerste deel, Trage nederlaag met volle zeilen, verscheen in 2017 bij het Poëziecentrum (Gent). Hij werkt aan een nieuwe bundel poëzie en aan een essayboek over het werk van Federico García Lorca (bij Uitgeverij Athenaeum in Amsterdam).