thema:

Negde

Vertaling:

Het was erg koud, in de winter in New York. Joseph liep zijn huis in Brooklyn uit wat te ademen. Voor zijn nachtelijke wandeling. Zonder jas. Hij wilde alleen maar lopen en ademhalen. Een frisse neus halen. Hij tuitte zijn lippen, poeff, twee trekken van zijn sigaret. Hij had behoefte aan die kwaliteit Baltische lucht, die op sneeuw wachtte. Aan de lucht die uit de monding van de rivier kwam en op zijn deur achter de zuilen klopte. ‘Ga naar buiten’, beval de lucht. En hij gooide een handvol vrieskou naar Joseph. Op dat uur was er niemand meer. Een hondenoppasser liep met de lijnen terug naar huis nadat hij de dieren had teruggebracht.
Hoe dichter Joseph bij het water kwam, hoe snijdender de kou werd. De winter, het ware seizoen van het jaar. Net als in Sint-Petersburg. ‘De brede rivier ligt er wit en bevroren bij, als de tong van een continent dat tot stilzwijgen is vervallen’. Dat schreef hij. Een mysterieuze poolwind door de takken van de bomen. Joseph kan niet anders dan op plekken wonen waar water is. Hij is als een marinier. Hij speelt met de dolle rooswind, die hem naar de rivier duwt. Hij hield van de blauwe uniformen van de marineofficiers en de lange jassen met de dubbele rij vergulde knopen. Zoals de nachtelijke lanen met de steeds kleiner wordende lichtjes. Op zijn veertiende had hij zich opgegeven voor de onderzeedienst, maar hij werd niet toegelaten tot de opleiding. Daarna de gevangenis in. Wat beter is dan het leger. Hij wandelt verstrooid, bijna op een afstand van zichzelf. Zijn verstrooidheid belet zijn weemoedige blik niet om op te letten. Woorden, landschap, stilte, zou Frost zeggen. Is het misschien de vrieskou die een dichter van iemand maakt?

Nog een paar minuten en dan is Joseph bij de Promenade. Zo heet de oever langs de riviermond. De bankjes kijken uit op het water. En op Joseph. De sleepboten, de duwbakken, de wolken trekken voorbij. ‘Het korvet snijdt door de golven met het profiel van Franz Liszt. Er is rust, vage onrust, getemperd, een beetje leegte. Het is fijn om op een bankje te zitten en met een gevoel van wederkerigheid aan de leegte te denken. Overdag spelen kinderen in een nabijgelegen tuin. Ze speelden vrolijk, gesmoord gelach en vele bontgekleurde wollen mutsjes.

Joseph is in gedachten. De gevels van de huizen, grillig en frivool, hebben een hardnekkige bisschoppelijke mildheid. Het lijken jong gebleven juffrouwen. Die stiekem naar buiten kijken van achter het raam. Het haar opgestoken, een kanten kraag, kleine witte knoopjes in perfecte knoopsgaten. Op het bed ontbreken teddyberen.
‘De schattige slaapkamer (met teddyberen op het kussen)waar zij haar “nachtmerries”heeft. De warme, knussekeuken met de naar thee geurende snorrende chrysant van een gaspit. Het silhouet van een lichaam landt in een fauteuil, daalt als droesem naar beneden.’
Een buffetpiano. Er klinkt nog een melodie, steeds verder weg, gedempt. De juffrouwen draaien hun blik weg van het raam, de gordijnen gaan dicht en er valt alleen nog licht op de bloemen achter het raam.
Aan de reling van de Promenade hangt een bord. Quiet zone. En vier keer een duidelijk zichtbaar NO:

NO RADIO PLAYING
NO BOOM BOXES
NO MUSICAL INSTRUMENTS
NO LOUD OR UNNECESSARY NOISE

Geen fietsen, en verder nog, zeer duidelijk aangegeven, At any time. Op ieder moment. Onnodig geluid. Dit is een tijdloze quiet zone. En dat is buitengewoon geruststellend. Ook het geluid van de stemmen lijkt te verzwakken. Misschien ruziën de voorbijgangers niet. Misschien is dit een bijna gelukkig land. Joseph kijkt naar de torens. De boot van de brandweer, met de motor die water in een waaier spuit, glijdt langzaam weg. In de donkere lucht vliegen donkere vogels. Aan de andere kant de grote depots, de magazijnen. En in een rechte lijn tegenover hem de torens. Dat is wat Joseph ziet, de Twin Towers. Dat waren ze, ooit.
Ze hebben ze in brand zien staan vanaf het rustige deel van de Promenade. Ze waren getuige van de verwoesting. Ze waren daar, de toeschouwers.
Ze hebben ze in brand zien staan, weerspiegeld in het water. De ramen leken zich ergens van te bevrijden. De brand aan de Hudson River. Het kan dat Joseph weet dat ze er niet meer zijn. Er ontbreken twee torens. Daar, aan de overkant van de Promenade. Het verblindende licht van de hekserij. Het heeft een diep gat en verdriet achtergelaten die niet weggaan met woorden en handen. Joseph zag de Neva weer voor zich en liep terug. Elders, een nacht zonder schaduw, in de maand mei, schreef hij in de lucht. De lucht was helder, lichtroze, zacht. Nu schrijft hij in het donker. Hij heeft genoeg aan het papier en de inkt voor de duur van de duisternis. Iedere plek is voor hem een stad in zijn hoofd met de naam Negde, wat in het Russisch ‘nergens’betekent. En Joseph ging nergens heen om adem te halen.

Dit is zijn schrijftafel, de plek van overal. Het schijnsel van onder de groene kap werpt een geglazuurde schittering op de voorwerpen die er liggen. Een constellatie van spullen, onbeweeglijk als vliegende pijlen. Een piramide, een piepklein blikken vliegtuigje, de ventilator. Vulpennen, geheimen en schuilplaatsen. De klok staat stil. De smalle, zwarte wijzers vermengen zich met het afscheid. Het is nog winter in de kleurloze tuin onder de bakstenen muur. Voor het raam is het grijze rolgordijn half neergelaten. De onwetende voorwerpen van Schmerz en Schmalz, sentimenteel gedoe en innerlijke pijn, ze brachten hem papier en inkt. Een comfortabele karmijnrode fauteuil met arabeskenversiering en een groen kussen luistert naar het getik van de schrijfmachine. En naar de nauwelijks merkbare stroom woorden die nog niet zichtbaar zijn. De voorwerpen voelen dat ze ergens deel van zijn, als in een pact. Ze willen Joseph niet loslaten. Ze willen niet verplaatst worden en als iemand dat doet, keren ze terug naar hun plek. Het lijkt of ze op hem wachten. Het borstbeeld van Poesjkin is naar de deur gekeerd. Aan de wanden Anna Achmatova. En Wystan Auden. Alles zoals het was. Misschien is hij niet echt weggegaan, Joseph Brodsky.

Over de auteur:

Fleur Jaeggy (1940) werd in Zwitserland geboren en woont sinds 1968 in Milaan. Ze publiceert romans en verhalen in het Italiaans en vertaalt werken van Marcel Schwob en Thomas De Quincey. Ze won verschillende literaire prijzen in Italië en haar boeken zijn in bijna twintig talen vertaald. De verhalenbundel Sono il fratello di XX is haar laatste werk.

Over de vertaler:

Annemart Pilon (1988), docent en vertaler Italiaans, woonde twee jaar in Napels en volgde de Master Vertalen in Utrecht. Won in 2011 een Talentbeurs van de Master Literair Vertalen en vertaalde in haar vrije tijd een van Erri De Luca’s novellen, die hopelijk wordt uitgegeven.