thema:

New Forest

Vertaling:

Het dorp ligt hoog in wat men hier de bergen noemt, als een eierdooier in een hoop-
je meel, een beetje tussen de hoogste punten van het landschap ingedrukt, in een
soort kuiltje. In het midden van het dorp ligt een klein meer dat de hemel zijn wolken
geduldig door zich heen laat trekken. Rond het meer loopt een pad, en het pad is op
verschillende plekken verbonden met de grindwegen die van het meer uitstralen en
als bloedvaten door het dorp lopen. Al deze weggetjes lopen van het meer door het
dorp omhoog en dan door de bergen naar de zee die als een blauwe kraag hele-
maal om het schiereiland heen ligt. En net zoals tijdens een overstroming timmerhout
en oude tuinmeubels en vermolmde drinktroggen uit de weilanden door het wassen-
de water worden opgetild en door de stroom worden meegesleurd, rondgeslingerd
en aan stukken geslagen en onder het schuimende oppervlak verdwijnen, zo stro-
men iedere ochtend de mensen het dorp uit, ze rijden in hun auto’s, en hun kinderen
staan slaapdronken op de bus te wachten met een blauwe buskaart in hun hand,
een voor een stappen ze de bus in om samen het dorp te worden uitgereden, ’s win-
ters al voor zonsopgang. Ik hou ervan om door het uitgestorven dorp te wandelen.
Vrijwel iedere ochtend loop ik hetzelfde rondje. De stilte is zowel beangstigend als
geruststellend, het doet me denken aan de uren na een heftige ruzie wanneer je niet
weet waar je nu staat en je alleen op je kamer blijft zitten of aan de andere kant van
het dorp als een paard in de sneeuw blijft staan schoppen. Het is goed voor me om
iets te herhalen, denk ik. Als ik hetzelfde op gezette tijden en met grote regelmaat
doe, opent er zich iets voor me. Vanuit een bepaalde plek in de bosrand uitkijken
over de zee bijvoorbeeld, het licht bij de oorlogsgraven iedere dag om zes uur ’s
ochtends, het hele jaar door, een paar jaar lang, het park met de haven erachter, en
de baai, en bij helder weer Mols in de verte en misschien Samsø in het oosten. De
kleine veranderingen in de natuur van dag tot dag. Hoeveel er dan voor je wordt
onthuld. Of de jaren dat ik naast J. wakker werd in het kleine bed en havermoutpap
met dadels at in zijn keukentje. Altijd met dezelfde lepels, met zo’n lichte steel van
donker hout, het stalen lepelblad voelt zwaar. Ik herinner me hoe ik kon zitten kijken
hoe de melk in de holte van de glimmende lepel stroomde waardoor er een gek
meertje ontstond. Gisteren zag ik voor het bushokje verderop in het dorp vier jon-
gens poseren voor een foto. Even leek het alsof het jonge krijgsgevangenen waren,
op een rij gezet om gefusilleerd te worden. Vanaf de plek waar ik stond kon ik hun
gezichten niet zien. Ik zag alleen hun pose, de manier waarop ze gingen staan.
Straten zonder geschiedenis die helemaal niet zonder geschiedenis zijn. Net als
de natuur houden ze iets voor ons verborgen. Dat waar we voor zorgen opent zich
voor ons. Dat waar we lang genoeg naar kijken en met genoeg openheid. Dat waar
we voor zorgen noemen we het onze. Je hoeft iets niet volledig te bezitten om te
kunnen zeggen: Dit is van mij. Jij was van mij. Net zoals het bos van mij was. Ik had
het bos net zoals ik jou had. De ochtenden waren van ons. Ze lagen als gevouwen
lakens in je opgeborgen. Iedere keer dat de zon opkwam, pakten we ze bij twee
punten beet, schudden ze en lieten ze door de wind openslaan tot van die grote
witte schermen die we nu allebei moeten missen – het enige wat ons nog een poosje
bindt, tot ook dat verdwenen is. Deze bijna toevallige plek die me bijna toevallig
raakt. Als ik in het weekend mensen door hun tuin zie lopen (een moeder die onder
een boom staat om haar zoontje naar beneden te helpen, haar armen hoog boven
haar hoofd uitgestrekt zodat ze op de boom lijkt die met precies hetzelfde gebaar
zijn kroon naar de hemel tilt, die die dag lichtblauw was en helder) dan zie ik iets
waarvan ik al wel wist dat het er was, maar wat ik steeds weer vergeet. Alle mensen
houden een gemis in zichzelf open, een klein wak in het ijs van het meer. Ik wil je
niet vergeten. Om iets wat je hebt liefgehad niet te vergeten ga je steeds weer met je
hand door het dunne vlies op het water, je legt je hand op je borst zoals hij, en voor-
dat hij gaat slapen zeg je haar naam. Vannacht was je er niet meer. Ik sliep op mijn
zij en ik heb me de hele nacht niet omgedraaid. Lag als versteend. Een berk in het
bos die we hadden uitgezocht en waar we stiekem naartoe bleven gaan. We tapten
het sap van de boom af. We hadden een stuk van de bast afgebroken, een gat in
de boom geboord en er een slangetje in gestoken, met een elastiek een plastic flesje
aan de stam gebonden. Het berkensap liep door het dunne buisje de boom uit. Bij
ieder perceel in het dorp hoort een stukje strandwei, een stukje turfveen. Iedereen
heeft zijn eigen geheime berken, iedereen houdt een wrok in zichzelf open, een
woede die je af en toe een beetje kunt laten druppelen. De woede die ons de weg
terug naar het huis wijst, door het bos. Witte kruimels en sap terug naar de woon-
kamers en de ochtenden. Net zoals je een liefde openhoudt om de lange winter
te overleven. Mensen zorgen voor elkaar en haten elkaar met provinciaal geduld.
Mijn hoektanden zijn afgesleten. Wie houdt wie in de gaten. Jij zei: Het dorp heeft
het beste met ons voor. Het dorp houdt de mensen bij elkaar. Op het pad rond het
meer. Dat de vorst zo streng kan zijn. Dat er niets of niemand ingrijpt. Wanneer we
’s winters bij de zonnewende in onze lange jassen op het ijs staan te zingen en de
dag bijna door de winter is opgevreten.

Het begint te schemeren. Buiten is het stil. Al het groen wordt bijna helemaal zwart.
De schaduwen in de sneeuw onder de bomen zijn donkerblauw blad. Ik kijk uit
over het besneeuwde grasveld. Een keer toen we samen in bed lagen en M. tussen
ons in sprong zei ik dat het voor haar natuurlijk was om bij haar roedel te slapen,
en dat wij dat nu waren. F. zei dat in Groenland de honden allemaal apart lagen.
Dat ze een paar rondjes draaiden en dan in hun nestje in de sneeuw gingen liggen.
Het waaide, en de sneeuw stoof de hele nacht over de ijsvlakte, en toen de zon
achter de bergen opkwam waren de honden alleen nog zichtbaar als kleine heuvel-
tjes in de sneeuw. Nu is M. de keuken in gelopen, ze staat bij het raam naar de vo-
gels te kijken. Ze is een jachthond, maar ze is niet afgericht. Toch kan ze het spoor
van een haas volgen door het hoge gras en door beekjes, ze kan de vogels lezen.
Van generatie op generatie is er iets in haar neergeslagen in de vorm van instinct.
Adaptatie is kennelijk een soort machtsoverdracht. Onze cultuur vindt zijn neerslag
in het instinct van de dieren. Wie zich het snelst kan aanpassen en daarbij zo min
mogelijk verliest. Plotseling vliegen de vogels op. Niet tegelijk en ook niet een voor
een, maar als een waaier. Ze maken een vegende beweging over het grasveld, tien
meter, twintig, en ze zijn alweer achter de bosjes verdwenen. M. is overeind geko-
men. De vogels hebben iets gelezen wat zij niet heeft gelezen. Het landschap heeft
veel lagen, er worden voortdurend nieuwe lagen bij geschreven. Er worden aantekeningen
van de ene taal naar de andere overgebracht, of ze gaan verloren. M.
piept en gaat voor de deur op de mat liggen. Al snel gaat ze weer rechtop zitten en
kijkt me smekend aan. Ik doe de tuindeur voor haar open en laat haar over het veld
achter de vogels aan gaan. De deur staat open en de kou is fel. Plotseling herinner
ik me hoe het was in het begin. Toen ik zo bezig was met of hij me wel begeerde.
Daar verlangde ik naar. Als ik zijn pik in mijn mond had en hem kleiner en slapper
voelde worden welden de tranen op in mijn ogen. En als het bloed naar zijn pik
terugstroomde, zakten mijn tranen weer, alsof mijn verdriet en zijn begeerte twee
verbonden vaten waren in een gesloten systeem. Ik vroeg hem of hij naar me wilde
kijken, omdat ik jaloers was op het beeld dat hij achter zijn gesloten ogen voor zich
zou hebben. Ik doe mijn ogen dicht om je beter te kunnen voelen, fluisterde hij. Ik
geloof niet dat hij hoorde wat ik terugfluisterde: Ik wil niet iemand zijn die je je her-
innert, ik wil iemand zijn die je ziet.

De meeste eenden zitten ineengedoken op het ijs. Wat ijsblauwe en groene veren
die schitteren in de zon. Ze zitten doodstil, met hun nek helemaal in hun veren ge-
trokken, zoals wanneer je langs de haven loopt, met je gezicht diep in een grote
sjaal. Slechts een paar eenden dobberen op de wakken van het meer. Ze lijken
heel licht, als ballen of bootjes. Ze varen tussen dunne ijsbloemen die aan het op-
pervlak ontstaan en dan in de diepte verdwijnen. Af en toe beweegt er een eend
klapwiekend over het water, hij stampt een keer of vier, vijf op het oppervlak tot hij
loskomt en opstijgt. Ergens uit het dorp komt het geluid van een paar jongens die
met een bal tegen een muur trappen. Waar het precies vandaan komt valt niet te
zeggen. De eenden vliegen laag over de paden en de huizen, over de kerk en de
akkers, de lage heuvels, de bergen. De verlaten wakken in het meer worden door
een dun vlies van ijs gesloten. Eerder vandaag hurkte ik neer bij een plas en ging
met mijn hand door het ijs. Het deed me denken aan toen met de kalveren. Om
met je hand door het laagje ijs in hun drinkbak te gaan. Om ze met hun grote ogen
door het halfduister dichterbij te zien komen, om ze kalm en volstrekt geruisloos te
zien drinken. In de periode net nadat ik dit huis betrok, dacht ik er vaak aan dat
het het ouderlijk huis was van andere mensen. Dat er mensen waren die deze plek
op een andere manier konden lezen dan ik, die maar vaag voelde hoe de dood
van hun ouders hier nog hing, als een logé of een vergeten jas. Ik kan zien dat er
ooit naamstickers op de brievenbus hebben gezeten. Ze zijn eraf gekrabd met een
schroevendraaier of misschien een spatel. Het gereedschap heeft krassen in de
bruine lak gemaakt waardoor die op een paar plekken is gebarsten, het metaal er-
onder is bloot komen te liggen en is begonnen te roesten. De bruine lak en het rode
metaal, de oranje roest. De volwassen kinderen. Ze verhuren het huis om de dag uit
te stellen dat ze er afscheid van moeten nemen. Loslaten wat ooit hun thuis was. Er
vandaan bewegen. Een mens laat zoveel achter. In al hun banaliteit zijn onze over-blijfselen episch. Dat geldt voor ons lichaam, maar ook voor het porseleinen paard-
je dat wit en lichtbruin en zachtroze staat te steigeren in de vensterbank. Voor het
vogeltje van gekleurd glas met een plastic staart dat met naalden op het prikbord in
de keuken is vastgezet. Voor de klok in de gang die ook een barometer is, voor de
haarspeldjes die ik overal blijf vinden. De concrete persoonlijke overblijfselen van
ons dagelijks leven zijn misschien wel het meest mythologische wat we hebben. Het
lijkt een beetje op wanneer er in de haven een lichaam wordt gevonden en aan wal
gehesen. Het archeologische van ergens wonen. De opgraving die de hele tijd aan
de gang is. Het onderzoek naar de dingen. Het doordringende gevoel dat het niet
alleen de ruïne of het lijk is dat je onderzoekt, maar ook, of misschien wel vooral,
jezelf. Archeologie is een dubbele beweging: naar buiten de concrete wereld in
en bij jezelf naar binnen, precies zoals literatuur. Het dode lichaam is misschien
wel mythologischer dan het levende omdat het bewustzijn er dan niet meer is om al
het concrete te weerspreken, alles wat als teken wordt gelezen. Net zoals de ach-
tergelaten resten een openheid hebben die gevaarlijk kan zijn omdat ze betekenis
aanzuigen. We zijn geobsedeerd door het behoud van onze cultuur. Ze bombar-
deren in Damascus. Ze bombarderen in Syrië, de tempels in Palmyra zijn met de
grond gelijk gemaakt. Welke werkelijkheid moeten we behouden. Moeten we de
oorlog vergeten. Moeten we geloven dat de cultuur in de huizen en in de stenen
zit.Moeten we ons oorlogen herinneren als we naar steenhopen kijken. Hoe lang.
Moeten er planten tussen stenen en zuilengangen omhoog schieten. In zijn boek
Over een voettocht door de kou schrijft Herzog dat je al wandelend door een land-
schap wel de kleine dieren ziet, de muizen, maar dat de schillen en de restjes pas
zichtbaar worden als je stil blijft staan. De rotte aardappelschillen en de vetrandjes
en de gestoofde uien die ze uit de zwarte vuilniszakken knagen. Soms heb ik het
hoopvolle gevoel dat ik bijna tot een nieuwe laag ben doorgestoten. Ik weet wel
dat ik dat al zo vaak heb geschreven, maar deze keer voelt het anders. Een nieuwe
eenvoud, als een lacune die midden in de puinhoop van mijn leven is ontstaan.
Ik had altijd gedacht dat de jaren in het midden van het leven de gemakkelijkste
zouden zijn, en dan stuit je op die chaos. Alsof je uit de kroeg op weg naar huis
plotseling oog in oog staat met de man met de zeis. De gedachte dat ik had moeten
gaan voor wie ik kon krijgen toen het nog kon. Ik hoef maar voor een paar dingen
te zorgen terwijl ik hier woon. Een situatie waarvan ik vroeger droomde. Het is een
soort herhaling. Ze hebben een lijstje voor me gemaakt dat er bijna te overzichtelijk
uitzag toen ik het van ze kreeg, ik begon me al zorgen te maken dat ik te weinig
afleiding zou krijgen. Nu vind ik het precies goed. Het huis op temperatuur houden
met de houtkachel, of met strenge vorst de elektrische verwarming aanzetten. De
paarden voeren. Krachtvoer, geplette haver. Water halen met de plastic jerrycans
en ze door de tuin naar boven dragen. Het ijs in de badkuip bij het hek van de wei
stukslaan. Controleren of er niet meer dan dertig à veertig centimeter sneeuw op
het zinken dak ligt zodat het niet instort bovenop de machines. Het is goed dat er
wat praktische dingen te doen zijn. Ik geloof echt dat dat mijn redding kan zijn, of
omgekeerd, dat niets praktisch te doen te hebben een nagel aan mijn doodskist is.

Over de auteur:

Josefine Klougart (1985) is een Deense schrijver, geboren en getogen op Mols, een bergachtig schiereiland aan de oostkust van Jutland. Ze studeerde kunst- en literatuurwetenschap in Aarhus en zat in Kopenhagen op Forfatterskolen. Haar poëtische debuutroman Stigninger og fald (2010) werd genomineerd voor de prestigieuze Nordisk Råds Litteraturpris. Ze heeft daarna nog vier romans geschreven die door publiek en critici overwegend enthousiast zijn ontvangen. Haar roman Én af os sover is naar het Nederlands vertaald door Michal van Zelm (Een van ons slaapt, Oevers 2018). Haar laatste roman, New Forest (2016), is uitgekomen bij Gladiator, een vooruitstrevende uitgeverij waarvan Klougart medeoprichter is.

Over de vertaler:

Michal van Zelm (1981) debuteerde in Raster #115 met een dubbelrol als aspirant-vertaler en (in een ‘tergend gewetensvolle’ briefwisseling met de zusters Reinsma) als zijn eigen weerspannige zelf. Hij woonde enige jaren in Denemarken waar hij filosofie en taalkunde studeerde aan de Universiteit van Kopenhagen, het Søren Kierkegaard Forskningscenter en het Danske Sprog- og Litteraturselskab. Hij verzorgde één deel van de Nederlandse Kierkegaard-editie (Mijn schrijverswerkzaamheid, Damon, 2015). Voor zijn vertaling van Josefine Klougarts roman Een van ons slaapt (Oevers, 2018) ontving hij de tweejaarlijkse Amy van Markenprijs. Hij is liefhebber van de Amsterdamse improvisatiescene.