thema:

(OvergrootvaderAndrás Szabad)

Vertaling:

OvergrootvaderAndrásSzabad bezat beroepshalve een straat in Kolozsvár en een paar honderd hectare naaldbos. Toch nam hij afscheid van GrootvaderAndrásSzabad, toen die zijn artsenbul had behaald; ga maar gewoon terug naar Boedapest, jongen, want huisartsen hebben we hier niet nodig. Hier worden we genezen door de bergen en het bos. En wie toch een probleem heeft, die eet wat klein hoefblad of hij gaat naar de stal en hangt zich op.

Ook als mijn grootvader liever jurist was geworden, had mijn overgrootvader hem geen strobreed in de weg gelegd, maar ook voor dat beroep zou hij binnen een straal van een paar honderd kilometer rond Kolozsvár geen mogelijkheden hebben gezien. Het kwam erop neer dat OvergrootvaderAndrásSzabad voor elk beroep dat mijn grootvader bij hem in de buurt had willen uitoefenen pas mogelijkheden had kunnen zien als mijn grootvader door een andere vrouw was gebaard. Dat wist mijn grootvader ook, dus hij bedankte hoffelijk voor de vaderlijke bijdrage die OvergrootvaderAndrásSzabad aan zijn studie had geleverd en verhuisde van Kolozsvár terug naar zijn moeder in Boedapest, de stad waar hij was geboren. Niet lang daarna werd hij districtsarts in de stad Mélyvár en kocht daar, van een zekere Yeretzian, een huis.

Ter verdediging van OvergrootvaderAndrásSzabad moet gezegd worden dat hij nooit van zijn vrouw had gehouden. Hij had haar nooit gouden bergen beloofd, was zelfs niet vrijwillig getrouwd. Na die ene verplichte huwelijksnacht had hij mijn overgrootmoeder met haar hele verarmde familie naar Boedapest laten verhuizen en hen op afstand onderhouden. Hetzelfde gold voor zijn enige, in de bruidssponde verwekte zoon. Later, toen mijn grootvader naar de middelbare school ging, nam hij hem alsnog in huis, omdat hij hoopte dat hij van hem ging houden. Dat gebeurde niet, en geen van beiden kon daar iets aan doen.

OvergrootvaderAndrásSzabad liet in drie dorpen een school bouwen, richtte in Kolozsvár een gymnastiekvereniging op, deed aan liefdadigheid, steunde de schone kunsten en liet een klok gieten, maar wat de liefde betreft was er maar één vrouw van wie hij zijn leven lang echt hield: zijn jeugdliefde en oudste nicht Debóra Farkas.

Nadat Debóra Farkas aan tuberculose was gestorven, wandelde mijn overgrootvader van de begraafplaats Házsongárd naar huis, laadde zijn nog nooit gebruikte duelleerpistool en maakte eigenhandig een einde aan zijn leven.

De kogel miste weliswaar doel, maar het leven van mijn overgrootvader was hierna echt voorbij. Toegegeven, hij heeft nog twee jaar verlamd en blind op een récamier gelegen. Zijn bedienden wasten hem, zijn boeren voedden hem en zijn familieleden maakten zijn geld op. Tijdens de twee jaar dat hij lag weg te kwijnen had hij nog één ontmoeting met zijn zoon, en hij vroeg hem wat hij wilde hebben als compensatie voor de ware, vaderlijke liefde die hij hem nooit had kunnen geven.

GrootvaderAndrásSzabad koos het jachthuis in het Maros-dal, waar hij als middelbare scholier ooit een paar weken met zijn vader had doorgebracht en waar ze na een ternauwernood overleefd onweer op de Zetel Gods, en een paddestoelentocht die op een diaree-aanval was uitgelopen, allebei al bijna waren vergeten dat ze niet van elkaar hielden. Dat zou ik ook gekozen hebben, jongen, antwoordde mijn overgrootvader, en hoogstwaarschijnlijk was dat het moment waarop mijn grootvader besloot om zijn kind, mocht dat een jongen worden, ook András Szabad te noemen. Wat een paar maanden later ook gebeurde.

Daarna werd in Versailles Europa’s doodvonnis getekend. Dat deed men, naar velen beweren, door de kaart van Groot-Hongarije op een tafel uit te vouwen en daarop net zo lang een paar geblinddoekte Roemeense, Zuid-Slavische en Tsjecho-Slowaakse hoeren te laten dansen tot de hakken van hun schoenen de grenzen van Klein-Hongarije hadden bepaald. Misschien is het niet exact zo gegaan, maar gezien het eindresultaat had het wel zo kúnnen gaan. En misschien was de Vrede van Versailles geen doodvonnis geworden als men de dronken prostituées uitsluitend op de kaart van Groot-Hongarije had laten dansen, maar er waren daar ook nog andere kaarten, waaronder die van Duitsland. Hoe het ook zij, vanaf het moment dat de nieuwe grenzen een feit waren, vanaf het moment dat Kolozsvár en het Maros-dal ineens net zo ver van Boedapest vandaan lagen als Ulaanbaatar of Darjeeling, begon GrootvaderAndrásSzabad het huis in het Maros-dal, waar hij in zijn hele leven welbeschouwd maar één zomer had doorgebracht, als zijn geboortehuis te zien.

Later ging ook mijn vader dit als zijn geboortehuis beschouwen, terwijl die er in zijn hele leven nog geen dag had doorgebracht. Hij leerde zijn geboorteland uit oude atlassen en revisionistische fotoalbums kennen, en tegen de tijd dat de jachtvilla van OvergrootvaderAndrásSzabad ook mijn geboortehuis zou worden, waren de Eufraat en de Tigris al twee zijrivieren van de Maros geworden en torende de Zetel Gods al hoog boven de Ararat en de berg Sinaï uit. Eigenlijk wordt mythologie op dezelfde manier geschreven als geschiedenis. En als een mensenleven.

Hoe het ook zij, toen in negentienveertig de grenzen van Hongarije opnieuw werden getrokken, ditmaal de meest realistische, al waren het helaas uitgerekend de nazi’s die over realiteitszin beschikten, stapte mijn grootvader, wiens realiteitszin juist niet al te groot was, op de trein en kocht het jachthuis in het Maros-dal terug van een wijnhandelaar met de naam Petre Armenis. Hij had het ook gratis kunnen terugkrijgen, maar dat vond hij niet correct.

Afgezien van het feit dat bijna al zijn geld eraan opging, had de koopovereenkomst vooral symbolische waarde. Petre Armenis bleef gewoon in het huis wonen, in ruil voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Mijn grootvader stond borg voor hem bij het nieuwe Hongaarse bestuur, dus kon Armenis de grote eikenhouten vaten in het huis blijven vullen met wijnen uit het stroomgebied van de Küküllő, die hij verkocht aan pastoors en kasteleins uit de bergen, tot aan de dag waarop heel Transsylvanië, inclusief het jachthuis van mijn grootvader, opnieuw in Roemeense handen overging en de communisten de eikenhouten vaten en de vrachtauto van Armenis confisqueerden.

Zo bezien was ik van alle András Szabads degene die de grootste kans had om in negentiendrieënveertig daadwerkelijk op deze plek ter wereld te komen. Maar ik ben in Mélyvár geboren en woon nu al een paar maanden in Pest. Als ik mezelf niet meereken, wat natuurlijk onmogelijk is, dan hebben grofweg drie mensen bepaald hoe mijn leven eruitziet. Mijn vader, János Kádár en Gagarin.

En natuurlijk de conciërge, de winkelier op de hoek, de tramconducteur, de serveerster in het café, mijn oude overbuurvrouw die elke ochtend haar bloemen begoot en alle onbekenden die ik ooit ben tegengekomen. En Imolka. Maar alles bij elkaar genomen zijn ze dat wel ongeveer.

 

 

(OvergrootvaderAndrásSzabad) is een fragment uit de roman Het einde. Het verhaal van (GrootvaderAndrásSzabad) is na te lezen in Terras #14 ‘Elders’ dat u hier kunt bestellen.

Over de auteur:

Attila Bartis (1968) is een veelbekroond fotograaf en schrijver. Hij groeide op in de Transsylvanische stad Târgu Mureş (Marosvásárhely), maar verhuisde in 1984 met zijn vader naar Boedapest. Hij nam deel aan verschillende fototentoonstellingen en debuteerde in 1995 als schrijver. In 2001 verscheen Bartis' doorbraakroman nyugalom (Rust), een sensationeel psychodrama over een verstikkende moeder-zoonrelatie tijdens de nadagen van het communisme, vol groteske situaties van grote theatrale schoonheid, pathologische maar geloofwaardige karakters, zwarte humor en bonte beschrijvingen van de Hongaarse maatschappij. De roman werd in talloze talen vertaald, verfilmd en voor toneel bewerkt. Recensenten vergelijken Bartis met Roth, Jelinek of Bernhard om vervolgens met nadruk Bartis' eigenheid te roemen. Na Rust bracht Bartis een bundel, een toneelstuk, een fotoalbum en een dialogenboek uit. In 2016 verscheen zijn langverwachte nieuwe roman A vége (Het einde). Op 1 maart jl. ging Bartissolotentoonstelling szigeteken (Op de eilanden) open in het Boedapester fotomuseum Mai Manó.

Over de vertaler:

Cora-Lisa Sütő (Tilburg, 1969) heeft na haar opleiding aan Academie Minerva te Groningen enkele jaren als kunstschilder gewerkt. Daarna heeft ze Hongaarse Taal- en Letterkunde aan de Rijksuniversiteit van Groningen gestudeerd, gevolgd door een éénjarige postacademische opleiding tot literair vertaler aan het Balassi Instituut te Boedapest. Sinds 2008 werkt ze als zelfstandig (literair) vertaler uit het Hongaars. Naast novellen, essays, schildersmonografieën en een literaire thriller heeft ze ook Rust van Attila Bartis vertaald (Meulenhoff, 2011). Sinds 2013 verzorgt ze tevens taal- en vertaallessen aan de vakgroep Neerlandistiek en de Vertaalopleiding van de Károly Gáspár Universiteit te Boedapest.