Blog, Uncategorized | , april 26, 2019

Stilstaand leeft alles hier

Alfred Schaffer maakte een keuze uit de gedichten van H.H. ter Balkt die bij De Bezige Bij verscheen onder de titel Stilstand leeft alles hier.  Uit zijn keuze kiezen wij twee gedichten en citeren uit de inleiding van Schaffer:

“Ter Balkt leefde in relatieve rust en afzondering in een doodgewone woonwijk in Nijmegen. Een ‘boerendichter’, zoals hij zelf graag benadrukte, die zich vooral thuis voelde in de natuur, weg van de bebouwde kom en het asfalt: ‘Als ik diep in de put zit, dan zie ik mezelf weer ronddwalen in het bos, in 1947, bij de varens, de vogels, de beek – toen werd ik echt voor de eerste keer geraakt, en dat gevoel heeft mij niet verlaten.’ Maar Ter Balkt was natuurlijk niet van de straat, hij was ook een nieuwsgierig cultuurmens, op de hoogte van de ontwikkelingen in de politiek, de maatschappij, Europa, de literatuur. Een dergelijke honger naar kennis kom je niet vaak tegen in de Nederlandstalige poëzie; het uitgebreide notenapparaat dat zijn bundels dikwijls begeleidt, spreekt wat dat betreft boekdelen.”

 

 

Aan Botticelli

In de stillere tijden
toen geloof nog rankte
schilderde men met goudverf

botticelli liep door florence
zag een raaf op het fresco
van de blauwwitte hemel

verliet fra filippo lippi
schilderde eerst nog venus
tekende prenten bij dante

somber werd zijn penseel
toen savonarola afdaalde
en toornig sprak in florence

in het zonnige toscane;
goud en rood lekte het vuur
toen savonarola brandde

dat was 1498; sindsdien
(goud en zilver keerden niet)
wandelde handel hard

over de wereld; verf richtte
hoven op, richtte macht op
richtte steden en velden op

de bommenwerpers boven
plein 44 in n: el greco
de muur in berlijn: el greco

lood schildert met lood
roet schilderde met roet
(de nieuwe saenredams)

 

Blues van de dolende ziel van Marcus
Ulpius Heracles, oogarts, die in de winter
van 401 | 402 de laatste Romeinse cohorten
wegtrekken zag langs de rivier de Waal

Eerst dreunden hoeven, nu dreunen van de laatsten
de voeten. Rietveld buigt in de wind. Sneeuwvlok
dwarrelt als de dunste Romeinse as, kleeft wit aan
de echo, dekt het terra sigillata, keizerskoppen

op muntstukken, aap in zijn glazen capuchon,
bronzen naalden, epileertangen, kranen, wachttorens
aan de rand van het rijk; de lampen, de godenbeelden,
bekers en lepels; kracht blijft achter en stort zich

op het grauwe zand. En het riet weeft mijn afscheid
– ongezien, ongehoord – mee van hun schreden, zich zo
tomeloos weghaastend van wat mij ketent aan deze

verweesde aarde: viermaal mijn naam, Marcus Ulpius H.,
oogarts, op de stempelsteen; van oogzalven ’t oud
recept dat ooit heelde. Rome wacht, met haar vlammen

Over de auteurs: